Alles over DE zorg en/of verzorgd worden; je vind het op:
www.ziekenverzorgende.nl

De wet BIG

Wet op de Beroepsbeoefening in de Individuele Gezondheidszorg
(wet BIG)
Op 9 november 1993 is de Wet de op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (de Wet BIG) door de Eerste Kamer aangenomen. De wet heeft tot doel de kwaliteit van de beroepsuitoefening te bevorderen en de patiënt te beschermen tegen ondeskundig handelen door beroepsbeoefenaren. De wet is gericht op de individuele gezondheidszorg, dat wil zeggen de zorg die rechtstreeks gericht is op de gezondheid van een persoon.

Geschiedenis
De Wet BIG heeft een lange geschiedenis. In 1986 is er voor de eerste keer over de wet gesproken in het parlement. De Wet BIG vervangt twaalf wetten, waarvan de oudste, de Wet op de Uitoefening van de Geneeskunst (WUG), stamt uit 1865.
De WUG verbood bijvoorbeeld het medisch handelen door anderen dan de artsen. De verpleegkundige die een insuline-injectie gaf, oefende hiermee onbevoegd de geneeskunst uit. Ook de doktersassistente die de bloeddruk opnam, oefende onbevoegd de geneeskunst uit.
Het leefde in brede kring dat de wetgeving sterk verouderd was en ook niet meer te handhaven. In de praktijk werd er alleen maar opgetreden indien er duidelijke schade aan de patiënt was toegebracht.

Hoe ziet de Wet BIG eruit
De Wet BIG is een zogenaamde raam- of kaderwet. Dit houdt in dat veel artikelen nog moeten worden ingevuld. Dit gebeurt via een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), een versnelde vorm van wetgeving waarbij de maatregel niet eerst door de Tweede en de Eerste Kamer hoeft te worden behandeld.
Voor het adviseren van de minister over de uitvoering van de Wet BIG, is een Raad op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Raad BIG) ingesteld. Deze raad adviseert de minister over de zaken die nog moeten worden ingevuld, en over eventuele wijziging van artikelen in de wet. De wet bepaalt dat de Raad BIG, voordat zij advies uitbrengt, de representatieve organisaties van beroepsbeoefenaren, representatieve organisaties van opleidingsinstellingen en organisaties die de belangen van de patiënten behartigen om advies moet vragen. Met andere woorden: als het bijvoorbeeld gaat over de regeling van voorbehouden handelingen, moet de Raad BIG ook advies aan ABVAKABO FNV vragen. Ook als de Raad BIG een advies moet uitbrengen over een wettelijke regeling van bijvoorbeeld opleidingen voor verzorgenden, moet de Raad BIG advies aan ABVAKABO FNV vragen.
De Wet BIG regelt de zorgverlening door beroepsbeoefenaren. Het verbod op de uitoefening van de geneeskunst is nu gewijzigd waardoor nu in principe iedereen geneeskundige handelingen mag uitvoeren. De wet omschrijft wel een aantal voorbehouden handelingen, die indien deze ondeskundig worden uitgevoerd, schade aan de patiënt kunnen toebrengen. Deze voorbehouden handelingen mogen alleen door de door de wet benoemde bevoegde beroepsbeoefenaren worden uitgevoerd. .

De meest in het oog springende bepalingen in de Wet BIG gaan over:
*Titelbescherming en registratie
*Regeling van specialismen
*Voorbehouden handelingen
*Tuchtrecht
*Opleidingstitelbescherming
*Strafbepalingen (zie Tuchtrecht)

Titelbescherming en registratie
De Wet BIG omschrijft een systeem van registratie en titelbescherming (artikel 3). De beroepen die in de Wet BIG worden genoemd zijn:
arts
tandarts
apotheker
klinisch psycholoog
psychotherapeut
fysiotherapeut
verloskundige
verpleegkundige
Titelbescherming houdt in dat je uitsluitend arts mag noemen als je als arts in het register ingeschreven staat. De beroepsbeoefenaar moet zelf het verzoek tot registratie indienen. Aan de registratie worden onder meer opleidingseisen gesteld. De registers worden ingesteld en beheerd door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Deze registers zijn openbaar.
Voor elk in artikel 3 genoemd beroep is het deskundigheidsgebied omschreven in de Wet BIG. Daarnaast zijn deze beroepsbeoefenaren aan het tuchtrecht onderhevig.

Registratie van verpleegkundigen
De kosten voor de registratie van verpleegkundigen bedraagt ¦ 130,-- en moet door de beroepsbeoefenaar zelf worden betaald. ABVAKABO FNV heeft tijdens de verschillende cao-onderhandelingen bedongen dat deze kosten door de werkgevers betaald worden. Immers, de werkgevers profiteren ook van de kwaliteit die door de verpleegkundigen wordt geleverd. In de CAO's Ziekenhuiswezen, Thuiszorg, Verzorgingshuizen, Academische ziekenhuizen en dagverblijven en tehuizen zijn regelingen afgesproken.
Voor deze eerste registratie komen alle verpleegkundigen in aanmerking die in het bezit zijn van het diploma A-, B- en Z-verpleegkundige, MBOV en HBOV. Er wordt één register voor alle verpleegkundigen ingesteld. In het register zal geen onderscheid worden gemaakt tussen bijvoorbeeld HBOV of Z-verpleegkundigen. Indien u als verpleegkundige in bezit bent van meerdere verpleegkundige diploma's, kunt u zelf bepalen van welk diploma u gebruik maakt om de registratie aan te vragen. In het register wordt u geregistreerd als verpleegkundige. Iedereen die vóór 1 december 1995 een dergelijk diploma bezit, kan zich zonder meer laten registreren. Voor deze beroepsbeoefenaren geldt het zogenaamde overgangsrecht. Iedere verpleegkundige die géén gebruik maakt van dit overgangsrecht en zich in de toekomst wel wil laten registreren moet aan de nieuwe opleidingseisen voldoen.

Registratie van afstuderende verpleegkundigen
Alle verpleegkundigen die ná 1 december 1995 het getuigschrift verpleegkundige behalen krijgen via de opleiding informatie hoe zij zich in het register kunnen laten inschrijven. Alle verpleegkundigen die ná 1 december 1995 afstuderen krijgen geen diploma meer maar een getuigschrift. Deze nieuwe terminologie sluit aan bij de terminologie in de Wet BIG en de Wet op het Hoger Beroepsonderwijs. De waarde van het getuigschrift is niet minder dan de waarde van een diploma.

Periodieke registratie
De Wet BIG omschrijft tevens de zogenaamde periodieke registratie. Dit houdt in dat de inschrijving slechts voor een bepaalde termijn geldig is. Hoe lang deze termijn is moet nog worden bepaald door de minister. Ook is nog niet bekend aan welke eisen de beroepsbeoefenaren moeten voldoen om voor herregistratie in aanmerking te komen. Er wordt gedacht aan aantoonbare praktijkervaring gedurende een nog vast te stellen aantal jaren. Met andere woorden, indien een beroepsbeoefenaar een aantal jaren niet heeft gewerkt komt deze beroepsbeoefenaar niet zonder meer in aanmerking voor herregistratie.
De Raad BIG heeft de minister geadviseerd geen verplicht stelsel van periodieke registratie door te voeren. De raad stelt voor dit facultatief te laten zijn; als de situatie voor een bepaalde beroepsgroep noopt tot ingrijpen. Naast kwantitatieve eisen zullen dan ook kwalitatieve eisen aan de werkervaring en op het gebied van bijscholing een rol moeten spelen.

De regeling van specialismen
De wet BIG biedt de mogelijkheid om bepaalde specialismen van de basisberoepen (zoals genoemd in artikel 3 van de wet) wettelijk te erkennen. Met ander woorden; er kunnen straks verpleegkundige specialismen wettelijk erkend worden. De wet BIG geeft aan dat het hierbij gaat om een verpleegkundig specialisme dat is gericht op de individuele gezondheidszorg (lees directe patiëntenzorg), een bijzondere deskundigheid is, en in dit geval gaat om een deelgebied van de verpleging en als zodanig (h)erkend wordt door de eigen beroepsgroep.
e keuze welke verpleegkundige aantekeningen of vervolgopleidingen straks voor een wettelijke erkenning (wettelijke regeling) in het kader van de wet BIG in aanmerking komen is al geruime tijd punt van bespreking tussen ABVAKABO FNV, CFO, NU'91 en het LCVV (Landelijk Centrum voor Verpleging en Verzorging).
Vorig jaar hebben bovengenoemde organisaties alle bekende (beroeps)verenigingen voor verpleegkundigen aangeschreven met een enquête die tot doel had een omschrijving te krijgen van onder andere hooggekwalificeerde werkzaamheden, verpleegkundige deelgebieden etc. De voorbereidingsgroep hoopte hiermee een soort kader te krijgen voor de toets of iets wel of geen verpleegkundig specialisme is in het kader van art. 14 van de wet BIG. De beantwoording bleek te divers en van te verschillend niveau om een kader te krijgen.
Dit najaar is aan twee studentes verplegingswetenschappen gevraagd of zij voor de voorbereidingsgroep kunnen vaststellen wat de definitie is van het begrip verpleegkundig specialisme conform de wet BIG. Op basis van de definitie van het begrip moet een indicatie worden gegeven over de inhoud, duur en kwalificatie van een opleiding tot verpleegkundig specialist.

De volgende deelvragen vormen het uitgangspunt voor het onderzoek:
*Wat moet op het terrein van de verpleegkundige beroepsuitoefening worden verstaan onder een bijzondere deskundigheid en welke criteria dienen hierbij te worden gehanteerd?
*Wat moet worden verstaan onder een deelgebied van de verpleegkundige beroepsuitoefening en hoe kunnen deelgebieden onderscheiden worden?
*Wat zijn op het terrein van de verpleegkundige beroepsuitoefening hooggekwalificeerde werkzaamheden?

Naar verwachting zal het onderzoek de eerste helft van dit jaar zijn afgerond. Wij zullen u over de voortgang op de hoogte houden.
Indien de regeling verpleegkundig specialismen voldoet aan de eisen van de Wet BIG kan de minister van VWS een wettelijke status aan deze regeling verlenen. Dat houdt in dat de specialisten-titels wettelijk worden erkend en beschermd. Voor deze specialisten worden registers ingesteld en beheerd door de beroepsgroep die de regeling aan de minister heeft voorgelegd. Ook hier kan een systeem van periodieke registratie in het leven geroepen worden. De regeling van specialismen kan pas ingaan als de registratie van basisberoepsbeoefenaren voor de eerste maal is afgerond.

Voorbehouden handelingen
Tot nu toe was de Wet op de Uitoefening van de Geneeskunst van kracht. Daarin werden bijvoorbeeld de zogenaamde medische handelingen genoemd, die uitsluitend door artsen verricht mochten worden, zoals het geven van injecties en ook het meten van de bloeddruk. In de dagelijkse praktijk oefenden tal van beroepsbeoefenaren onbevoegd medische handelingen uit. Voor verpleegkundigen was daarom de zogenaamde verlengde-arm-constructie door de Hoge Raad van toepassing verklaard. Dit hield in dat zij onder bepaalde voorwaarden wel medische handelingen mochten verrichten, waarbij de arts eindverantwoordelijk bleef. Een vreemde constructie, waarvoor de Wet BIG nu een oplossing biedt.
De Wet BIG omschrijft dertien voorbehouden handelingen. Dit zijn handelingen die als zij ondeskundig worden uitgevoerd schade aan de patiënt kunnen toebrengen. Deze handelingen zijn:
Heelkundige handelingen: dit zijn handelingen op het gebied van de geneeskunst waarbij de samenhang van de lichaamsweefsels wordt verstoord en deze zich niet onmiddellijk herstelt;
verloskundige handelingen; hieronder wordt ook de pre en postnatale zorg gerekend.;
het verrichten van endoscopieën;
het verrichten van catheterisaties;
het geven van injecties;
het verrichten van puncties
het onder narcose brengen;
gebruikmaken van radioactieve stoffen en toestellen die ioniserende straling uitzenden;
het verrichten van electieve cardioversie (het geven van een stroomstoot door het hart om een hartritmestoornis op te heffen);
het toepassen van defibrillatie (het geven van een stroomstoot door het hart om een hartritmestoornis op te heffen);
het toepassen van electroconvulsieve therapie (het geven van een stroomstoot door het hoofd van depressieve patiënten met het doel de klachten te verminderen);
steenvergruizing voor geneeskundige doeleinden;
het verrichten van handelingen ten aanzien van menselijke geslachtscellen en embryo's, gericht op het anders dan op natuurlijke wijze tot stand brengen van een zwangerschap (in vitro fertilisatie (IVF), de zogenaamde reageerbuisbevruchting).
Voor al deze handelingen wijst de Wet BIG zelfstandig bevoegden aan. Dit zijn artsen, tandartsen en/of verloskundigen voor zover de handeling binnen hun deskundigheidsgebied ligt en de beroepsbeoefenaar bekwaam is. Het spreekt voor zich dat een tandarts natuurlijk niet bevoegd is voor het verrichten van verloskundige handelingen en de verloskundige geen blindedarmoperatie mag uitvoeren. De handeling moet in de opleiding zijn aangeleerd en men moet voldoende kennis en ervaring hebben om de handeling te kunnen uitvoeren. Zelfstandig bevoegd houdt in dat men zelf de indicatie mag stellen en de handeling mag uitvoeren.

In hierboven genoemde voorbehouden handelingen staan handelingen die ook door anderen dan artsen, tandartsen of verloskundigen worden uitgevoerd. In de Wet BIG staat omschreven hoe er in die gevallen gehandeld moet worden.
*De handeling moet in opdracht van de zelfstandig bevoegde beroepsbeoefenaar worden uitgevoerd.
*De opdracht moet worden uitgevoerd overeenkomstig de aanwijzingen van de opdrachtgever. Deze aanwijzingen hoeven niet te worden gegeven als het om een betrekkelijk eenvoudige handeling gaat (bijvoorbeeld een insuline-injectie) of als het om een ervaren beroepsbeoefenaar gaat die de handeling veelvuldig heeft uitgevoerd. De mogelijkheid tot toezicht en tussenkomst van de opdrachtgever moet ook geregeld zijn.
*De opdrachtnemer moet zichzelf bekwaam achten de handeling uit te voeren. Dit houdt in dat de handeling in de (vervolg)opleiding moet zijn aangeleerd en regelmatig in de praktijk moet worden uitgevoerd. Indien de opdrachtnemer zichzelf onvoldoende bekwaam acht, moet de opdracht worden geweigerd.

De Wet BIG kent ook nog functioneel zelfstandige beroepsbeoefenaren. Deze beroepsbeoefenaren krijgen via een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) het recht bepaalde handelingen zelfstandig uit te voeren nadat de opdracht door een zelfstandig bevoegde is gegeven. Uiteraard moeten deze beroepsbeoefenaren over de juiste bekwaamheid beschikken om de handeling te kunnen uitvoeren.

Verpleegkundigen mogen van minister Borst functioneel zelfstandig injecteren.
Minister Borst van VWS is van mening dat verpleegkundigen deskundig zijn om een aantal voorbehouden handelingen `functioneel zelfstandig' uit te voeren. Het gaat hierbij om injecties, puncties en catheterisaties. De arts moet nog wel opdracht aan een bekwame verpleegkundige geven.

Artikel 39
Artikel 39 van de wet BIG maakt het mogelijk dat een beroepsgroep, bijvoorbeeld verpleegkundigen, wettelijk deskundig worden verklaard om zelfstandig, na opdracht van een bevoegde (= arts en gedeeltelijk ook tandarts en verloskundige) voorbehouden handelingen uit te voeren. De beroepsbeoefenaar, de verpleegkundige in dit geval, moet uiteraard wel bekwaam zijn om de handeling uit te mogen voeren. Onder bekwaam wordt verstaan dat de handeling is geleerd in een opleiding of een vervolgopleiding en dat de handeling daarna regelmatig uitgevoerd wordt, opdat de bekwaamheid behouden kan worden.

Opdrachtgever en opdrachtnemer houden ieder hun eigen verantwoordelijkheid voor het zorgvuldig uitvoeren van de voorbehouden handeling. Dit houdt in dat in bepaalde gevallen de opdrachtnemer (de verpleegkundige) om toezicht of tussenkomst kan verzoeken of de arts kan daar zelf toe besluiten, ook al is er sprake van een artikel 39 voorbehouden handeling.

Wanneer deskundig?
Om een voorbehouden handeling functioneel zelfstandig te mogen uitvoeren, moet een verpleegkundige over de volgende deskundigheid beschikken:
de context van de voorbehouden handeling kunnen beoordelen;
adequaat kunnen reageren;
beschikken over een zekere beoordelings- en beslissingsvrijheid.
Het gaat dus om meer dan het technisch goed uitvoeren alleen.

Voorbeeld:
Het geven van een subcutane insuline-injectie. Het betreft hier een relatief eenvoudige handeling die met enige oefening snel kan worden geleerd. De context waarin de handeling moet worden uitgevoerd is echter veel bepalender voor de vereiste deskundigheid als het gaat om kennis en vaardigheden. De vereiste deskundigheid hangt samen met de stabiliteit van de diabetespatiënt. Een griep of een zeer emotionele gebeurtenis kunnen deze stabiliteit verstoren. Het in staat zijn om zo'n situatie te kunnen beoordelen (de context dus) en indien nodig, adequaat kunnen reageren op deze situatie zijn onderdeel van de bedoelde vereiste deskundigheid. Deze deskundigheid is niet voor alle beroepsbeoefenaren die voorbehouden handelingen uitvoeren gelijk.
Een verschil in deskundigheid is bovendien gelegen in de mate waarin van een beroepsbeoefenaar een oordeel of beslissing wordt gevraagd. Nogal wat opdrachten worden voorwaardelijk gegeven of zijn in protocollen opgenomen, waarbij vaak sprake is van marges waarbinnen degene die de opdracht uitvoert, een keuze moet maken. Enige voorbeelden: ‘op geleide van de pijn dosering morfinepomp verhogen met 10 mg', `zo nodig 4 x daags 25 mg pethadine i.m.', `bij benauwdheid 1 ampul euphylline in het infuus', `bij regelmatig braken sonde en infuus inbrengen en laagvacuüm aansluiten', `zonodig bloedsuiker prikken'. Dit veronderstelt dat de opdrachtnemer over kennis en vaardigheden beschikt om zo'n situatie te kunnen beoordelen en vervolgens moet bepalen of hij zelf kan handelen of dat hij moet overleggen.

De voorbehouden handelingen
Om welke voorbehouden handelingen gaat het nu precies?
De minister heeft bepaald dat verpleegkundigen de vereiste specifieke deskundigheid bezitten om de volgende voorbehouden handelingen functioneel zelfstandig uit te voeren:
Injecties:
- subcutaan
- intramusculair
- intraveneus
- het inbrengen van een infuus
Catheterisaties:
- het inbrengen van een blaascatheter
- bij mannen en vrouwen
het inbrengen van een maagsonde
het toedienen van geneesmiddelen via infuus, pomp, kolf of zak
Puncties:
- venapunctie
- hielprik bij neonaten
Volgens de minister gaat het bij het toedienen van geneesmiddelen per injectie of via een infuus, pomp, kolf of zak om twee risicovolle handelingen, namelijk het binnendringen van een lichaamsholte met een naald of een catheter (een voorbehouden handeling) en het toedienen van geneesmiddelen (geen voorbehouden handeling).

Het is volgens haar praktisch om een dergelijke meervoudige handeling te benaderen als een voorbehouden handeling. Het is echter de vraag of deze handeling in alle omstandigheden in aanmerking komt voor functioneel zelfstandige uitvoering door verpleegkundigen. De context is immers een factor van betekenis en kan voor de opdrachtgever reden zijn om toezicht uit te oefenen en de mogelijkheid van tussenkomst open te houden.

Waarom functionele zelfstandigheid?
Toepassing van artikel 39 kan bijdragen aan een doelmatige en flexibele organisatie van de zorgverlening, maar zal alleen plaatsvinden als dit een belangrijke meerwaarde heeft voor een goede zorgverlening. De genoemde voorbehouden handelingen worden verricht in het verlengde van de verpleegkundige beroepsbeoefening. De handelingen maken ook deel uit van de initiële verpleegkundige opleiding.
Daarnaast kunnen met deze regeling een aantal praktische problemen worden opgelost in situaties waar niet continu een opdrachtgever beschikbaar is voor de mogelijkheid van toezicht en tussenkomst en dit ook feitelijk niet te organiseren is zonder ingrijpende wijzigingen in organisaties en werkverhoudingen. Bijvoorbeeld in de thuiszorg en in verzorgingshuizen is toezicht en tussenkomst van een arts vaak niet te organiseren.
Bovendien laat de praktijk zien dat verpleegkundigen sinds jaar en dag veelvuldig een aantal in de wet genoemde voorbehouden handelingen uitvoeren afhankelijk van de situatie waarin ze werkzaam zijn.
Met toepassing van artikel 39 wordt de al decennia bestaande deskundigheid van de verpleegkundige ten aanzien van de uitvoering van voorbehouden handelingen wettelijk vastgelegd.
De minister volgt hierin bijna geheel het advies van ABVAKABO FNV. Bovendien zijn al onze criteria overgenomen.

Aparte regeling voor ambulanceverpleegkundigen
Toepassing van artikel 39 voor bepaalde groepen verpleegkundigen m.b.t. bepaalde voorbehouden handelingen is nog niet goed mogelijk, omdat de beroepsgroep nog geen overeenstemming heeft bereikt over de regeling van verpleegkundig specialismen (zie elders in deze krant). Minister Borst wil echter voor de ambulanceverpleegkundigen een uitzondering maken.

Gezien de aard van hun werk vindt de minister het belangrijk dat er voor hen een regeling voor functionele zelfstandigheid wordt getroffen. Zij is van mening dat een, in een protocol opgenomen algemene opdracht hoe in voorkomende situaties te handelen, gezien kan worden als een opdracht van de arts. Zij is ook van mening dat een 24-uurs consultatiemogelijkheid door de ambulanceverpleegkundige van een ervaren arts op de centrale post ambulancevervoer een must is. Hiermee is de eventuele behoefte aan toezicht en tussenkomst van de ambulanceverpleegkundige geregeld.
Zij stelt de totstandkoming van zo'n regeling echter afhankelijk van de mogelijkheid om de groep ambulanceverpleegkundigen juridisch sluitend af te bakenen. Zij is zich hierop nog aan het beraden.

Stappenplan voorbehouden handelingen: gedeelde verantwoordelijkheid.
De bevoegdheidsregeling voorbehouden handelingen in de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (de wet BIG) vraagt om nadere invulling om in de praktijk een verantwoorde toepassing te waarborgen. Veel instellingen hebben echter problemen met vragen over het nader uitwerken en toepassen van de bevoegdheidsregeling.
Als handreiking heeft de Raad BIG een stappenplan ontwikkeld voor het uitwerken van de bevoegdheidsregeling in hanteerbaar instellingsbeleid. De betrokkenheid van individuele beroepsbeoefenaren bij het verantwoord (doen) verrichten van voorbehouden handelingen is hierbij essentieel. Het verantwoord uitwerken en toepassen van de bevoegdheidsregeling is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van individuele beroepsbeoefenaren en het instellingsmanagement.
Het "Stappenplan voorbehouden handelingen" is opgesteld door de Raad BIG en verspreid door het ministerie van VWS. Het stappenplan is schriftelijk en telefonisch te bestellen bij:
Hageman BV, Postbus 281, 2700 AG Zoetermeer, tel: 079-3611188, fax: 079-3613927, o.v.v. het afleveradres en ISBN 90-5635-0757, prijs:
¦ 35,- per stuk.

Tuchtrecht
Alle beroepsbeoefenaren voor wie het stelsel van titelbescherming van toepassing is (artikel 3 van de Wet BIG) en die in het betreffende register staan ingeschreven, vallen onder het tuchtrecht. (zie verder op deze site)
Opleidingstitelbescherming
Behalve de beroepen die in artikel 3 worden genoemd, zijn er nog andere beroepen die voor een wettelijke regeling in het kader van de Wet BIG in aanmerking komen. Deze beroepen, de "artikel 34-beroepen", zullen ook via een Amvb worden geregeld, maar hiervoor worden geen registers aangelegd en is ook het tuchtrecht niet van toepassing.
Voor deze beroepen wordt de opleiding wettelijk vastgelegd en het gebied van de deskundigheid omschreven. Daarnaast krijgen deze beroepsbeoefenaren een titel die zij alleen mogen voeren. In tegenstelling tot de beroepen in artikel 3, waarbij je alleen de titel mag voeren als je in het register staat ingeschreven, mogen deze "artikel 34"-beroepen de titel voeren als het diploma van de betreffende opleiding is behaald. Het recht om de titel te voeren geldt dus voor de rest van het leven en is niet onderworpen aan een systeem van periodieke erkenning.
De minister van VWS heeft besloten het 'nieuwe' beroep Verzorgende in de individuele gezondheidszorg (VIG) te regelen op basis van artikel 34. De deskundigheidsomschrijving luidt:

1.het verrichten van handelingen op het gebeid van observatie, begeleiding, verzorging en verpleging in niet complexe behandelings- en verpleegsituaties;
2.het in opdracht van een beroepsbeoefenaar op het gebied van de individuele gezondheidszorg verrichten van handelingen, in aansluiting op diens diagnostische en therapeutische werkzaamheden.
De opleidingseisen voor de beroepsgroep zijn omschreven in het nieuwe opleidingsstelsel. Ook de beroepsbeoefenaren met het diploma ziekenverzorging en het diploma MDGO-vp hebben recht op het voeren van de nieuwe titel 'verzorgende in de individuele gezondheidszorg'.

De Wet BIG leeft!!!
In bijna al onze nieuwskranten beroepsinhoud zorgsector schreven wij over de Wet BIG. Meer dan 500 mappen uit onze scriptieservice over de Wet BIG zijn de deur uitgegaan. Verder verstuurden we honderden brochures over dit onderwerp. En dan nog al die telefoontjes en brieven.
De registratie van verpleegkundigen is in december 1995 van start gegaan. En in veel instellingen wordt gesproken over wie er nu wel en niet injecties mogen geven. Daarom neemt het aantal vragen dat wij over de Wet BIG krijgen fors toe.
Deze nieuwskrant is een themanummer over de Wet BIG. Met deze krant hopen wij u goede informatie te geven over de inhoud en de consequenties van de wet. Actuele ontwikkelingen komen aan de orde en u treft de top-10 van de meest gestelde vragen over de Wet BIG aan.
Bijna iedereen in de zorgsector heeft met de Wet BIG te maken. Daarom is het belangrijk te weten wat voor u van belang is.

TOP 10 VAN DE MEEST GESTELDE VRAGEN
Kan mijn werkgever mij overplaatsen of ontslaan als ik weiger om een voorbehouden handeling uit te voeren?
Iedereen die een voorbehouden handeling verricht en niet zelfstandig bevoegd is, moet aan de eisen van de Wet BIG voldoen. Een arts, tandarts of verloskundige is wel zelfstandig bevoegd. In grote lijnen komt het er op neer dat de opdracht door een arts aan een bekwame beroepsbeoefenaar moet worden gegeven en de mogelijkheid op toezicht moet zijn geregeld (zie elders in deze krant). Als de handeling niet in de (vervolg)opleiding is geleerd moet je weigeren. Als de opdracht niet door een arts is gegeven moet je weigeren. Als het toezicht niet is geregeld moet je weigeren. Met andere woorden de werkgever kan geen sancties aan de weigering verbinden als je op deze gronden de handeling weigert uit te voeren.

Ben je bekwaam als je een bijscholing hebt gevolgd?
Deze vraag is niet met een duidelijk ja of nee te beantwoorden.
Natuurlijk kun je niet van bekwaamheid spreken als een handeling die nogal wat consequenties
kan hebben, even in de koffiepauze is uitgelegd. Als de bijscholing met behulp van een gedegen
opleidingsplan en een aanzienlijk aantal uren theorie en praktijk gestalte heeft gekregen zou de
vraag met ja beantwoord kunnen worden. Toetsingscriterium is of je na het volgen van die
bijscholing in staat bent om mogelijke consequenties van de handeling te kunnen overzien.

 Ik heb 20 jaar geleden een diploma behaald dat nu niet meer bestaat. Mijn werkgever wil mij nu verplichten een nieuwe opleiding te volgen omdat ik anders niet meer mag blijven werken door de Wet BIG. Klopt dit?
e Wet BIG geeft niet aan welk diploma wel of geen waarde heeft. Een 20 jaar oud diploma is
weinig waard als er al die jaren geen gebruik van is gemaakt en als de vakkennis niet op peil is
gehouden. Het is anders als je al die tijd in de functie hebt gewerkt waarvoor het diploma is
gehaald, je naar alle tevredenheid functioneert en de vakkennis hebt bijgehouden. Als het
gaat om diploma's waarvoor de titelbescherming van toepassing is zal de wet in de toekomst wel
gaan omschrijven of je zonder meer voor herregistratie in aanmerking komt.

Als bejaardenhelpende deel ik al tien jaar medicijnen rond. Opeens mag ik dit niet meer volgens de Wet BIG.
Deze vraag is lastig te beantwoorden. In ieder geval betreft het geen voorbehouden handeling, dus
hoeft er niet aan de extra eisen van de Wet BIG te worden voldaan. Wel moet de vraag worden
beantwoord of dit binnen het deskundigheidsgebied valt van de bejaardenhelpende. Medicijnen uitdelen is meer dan alleen pilletjes ronddelen, maar ook weten wat je geeft en welke werking en eventuele bijwerkingen het medicijn heeft.

Mag ik als leerling-verpleegkundige injecties geven?
Ja, mits het geleerd is in de opleiding, zowel de theorie als de praktijk. Daarnaast moet je altijd aan de extra eisen van de wet voldoen. Zie vraag 1.

Mag ik als ambulanceverpleegkundige een infuus inbrengen bij een patiënt die een auto-ongeluk heeft gehad en een lage bloeddruk heeft.?
Het inbrengen van een infuus is een voorbehouden handeling. In theorie moet de opdracht dus door een arts worden gegeven. Deze is echter niet op de plaats van het onheil aanwezig; de
verpleegkundige moet dus zelf oordelen wat te doen. Het is raadzaam in een protocol vast te leggen wanneer er in ieder geval een infuus moet worden ingebracht, bijvoorbeeld bij verkeers-slachtoffers met bloeddrukdaling, buikpijn die mogelijk wijst op inwendige schade of bij een bleke patiënt. Het moet duidelijk zijn dat het gaat om handelen in een (dreigende) noodsituatie. De ambulance-verpleegkundige is opgeleid om hierover te oordelen.

Mijn directeur geeft mij een bekwaamheids-verklaring voor het inbrengen van blaascatheters. Deze handeling komt op de afdeling twee maal per jaar voor. Ik voldoe nu toch wel aan de eisen van de Wet BIG?
Nee! Bekwaamheid wordt verkregen door opleiding. Daarnaast moet bekwaamheid worden bijgehouden. Dit kan door het regelmatig uitvoeren van de handeling in de praktijk. Indien een handeling op de afdeling slechts twee maal per jaar voorkomt kun je niet spreken over het bijhouden van de bekwaamheid.

Ik heb mij laten registreren met mijn diploma A-verpleegkundige. Mag ik nu ook nog gebruik maken van mijn Z-diploma?
Ja. Volgens de eisen van de Wet BIG kan dit zonder meer als de registratie geldig is. De nieuwe werkgever kan echter wel bijscholing eisen voordat je weer als Z-verpleegkundige aan het werk gaat. Deze kans is zeker aanwezig als er bijvoorbeeld 15 jaar geleden voor het laatst in de zorg voor verstandelijk gehandicapten is gewerkt.

Wat moet ik doen als ik voor de tuchtrechter gedaagd word?
Als je lid bent van ABVAKABO FNV contact met ons opnemen. Deze vorm van belangenbehartiging valt binnen het dienstverleningspakket van ABVAKABO FNV. Als je geen lid bent, moet je contact opnemen met een advocaat.

Mag ik als wijkverpleegkundige een gezinsverzorgende vragen om benen te zwachtelen bij een cliënt waar zij ook hulp biedt?
Benen zwachtelen is geen voorbehouden handeling. Maar je kunt als verpleegkundige een collega niet opzadelen met de verantwoordelijkheid die bij een wijkverpleegkundige hoort.
Bekwaamheid en deskundigheid zijn bij benen zwachtelen uitdrukkelijk aan de orde. Ondeskundig handelen kan hier vergaande gevolgen hebben. Voor je de vraag stelt zou je zelf na kunnen gaan of de handeling tot het deskundigheidsgebied van de verzorgende behoort. Een vrij uitgebreide takenlijst staat omschreven in de CAO-Thuiszorg. Daarnaast kun je aanknopingspunten vinden in het beroepsprofiel verzorgende/helpende.

Tuchtrecht voor verpleegkundigen
Inleiding
Met de komst van de wet BIG (Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg) is de beroepsbescherming van artsen, tandartsen, verloskundigen en paramedici vervallen, tevens is het verbod op uitoefening van de geneeskunst opgeheven. Met uitzondering van de voorbehouden handelingen mag iedereen handelingen verrichten op het gebied van de individuele gezondheidszorg, inclusief de geneeskundige handelingen. Een gevolg hiervan is dat op 1 december 1997 het in de wet BIG vastgelegd tuchtrecht ook voor verpleegkundigen, fysiotherapeuten, psychotherapeuten en klinisch psychologen geldt.

Dus het tuchtrecht gaat iedere verpleegkundige aan.
De tuchtrechtspraak voor o.a. verpleegkundige is een instrument, om de kwaliteit van de beroepsbeoefenaar te bevorderen en te bewaken. Er kunnen maatregelen worden opgelegd aan degenen die onder de maat presteren. Maar ook, en een niet onbelangrijke onderdeel van het tuchtrecht, worden door uitspraken van het tuchtcolleges een beroepsethiek geformuleerd voor de hele beroepsgroep. Op deze manier kan er een invulling gegeven worden aan tamelijk vage begrippen uit de wet zoals verantwoord handelen’ en ‘voldoende kwaliteit van zorg’.
Het is een hardnekkig misverstand dat de wet BIG alleen iets regelt omtrent het uitvoeren van de zogenaamde voorbehouden handelingen. De wet BIG regelt veel meer, de wet geeft onder meer deskundigheidsgebieden aan waardoor a. de wet een instrument is om de kwaliteit te waarborgen en b. dit getoetst wordt door het tuchtrecht wat tevens de gelegenheid bied aan patiënten en b.v. nabestaanden zich te beklagen.
Het gaat het hier niet alleen om de voorbehouden handelingen, maar ook om verzorgende en verpleegkundige handelingen en bejegening. De gangbare verpleegkundige praktijk wordt getoetst waarbij de beroepscode tevens een steeds belangrijkere rol zal gaan spelen.
Indien de verpleegkundige in de zorg, in die hoedanigheid hoort te verlenen, tekort schiet, kan de tuchtrechter maatregelen opleggen.

Wanneer ben je als verpleegkundige onderworpen aan het tuchtrecht
De wet BIG geeft aan dat je aan tuchtrecht kan worden onderworpen op basis van twee tuchtnormen die in de wet omschreven staan:
1. Handelen of nalaten van handelen in strijd met de zorg die de geregistreerde zorgverlener verleent of als goed beroepsbeoefenaar behoort te betrachten ten opzichte van de patiënt en de naaste betrekkingen van de patiënt;
2. Enig ander handelen of nalaten als geregistreerde zorgverlener in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg.

In de eerste tuchtnorm staat het tekort schieten in zorgverlening aan de patiënt en zijn naaste betrekkingen, centraal. Dit is bijvoorbeeld de partner of de ouders van een minderjarige.

Voorbeelden van de eerste tuchtnorm:
het niet of te laat komen naar een patiënt
het te laat of verkeerd stellen van een diagnose
het buiten de grenzen van zijn kennen en kunnen treden
de patiënt onvoldoende informeren
het schenden van de vertrouwensrelatie
het verstrekken van de verkeerde medicijnen
ten onrechte niet doorverwijzen naar een andere hulpverlener
seksuele intimidatie
De tweede tuchtnorm is aanvullend op de eerste. Er zijn gedragingen van zorgverleners die weliswaar niet betrekking hebben op een bepaalde patiënt of diens naaste relaties, maar die toch van zodanige invloed zijn op de uitoefening van de individuele gezondheidszorg, dat de zorgverleners daarvoor tuchtrechterlijk aansprakelijk moeten worden gesteld.

Voorbeelden hiervan zijn:
de relatie tussen zorgverleners en zijn collega's: bijvoorbeeld weigeren deel te nemen aan
de waarnemingsregeling.
het niet goed beheren van patiëntendossiers
het niet invullen van bijvoorbeeld een MIP-formulier
De tuchtnormen zijn nogal abstract geformuleerd. De gangbare verpleegkundige praktijk zal telkens ook een rol spelen in het oordeel van het tuchtcollege.

Gangbare verpleegkundige praktijk wordt ondermeer beschreven in:
op schrift gestelde reglementen, standaarden, codes voor zover deze normen bevatten hoe een beroepsbeoefenaar moet handelen.
algemene maatschappelijke zorgvuldigheidsnormen (deze zijn te vinden in onder meer de wet geneeskundige behandelingsovereenkomst en bijvoorbeeld de wet BOPZ).
eerdere uitspraken van tuchtcolleges, voor zover deze gepubliceerd zijn.
Tot slot speelt de eigen kennis van de leden-beroepsgenoten van de tuchtcolleges een belangrijke rol. Dit is immers de toegevoegde waarde van de leden-beroepsgenoten. Zij moeten tevens in staat zijn de context van het gebeurde te beoordelen waardoor de klacht is ingediend.

Wie kan er klacht indienen?
Een klacht kan bij het regionale tuchtcollege aanhangig worden gemaakt door een schriftelijke klacht van:
de rechtstreeks belanghebbende (de patiënt)
de partner, familieleden van de patiënt of mentor van de patiënt
degene die een opdracht heeft verstrekt (bijvoorbeeld de arts)
het bestuur van een instelling waarbij degene over wie wordt geklaagd, werkzaam of voor het verlenen van de individuele gezondheidszorg ingeschreven is (de werkgever)
de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.
Collega verpleegkundigen, waarneer zij in hun beroep gehinderd worden in hun beroepsuitoefening

Hoe kan worden geklaagd?
Een klacht moet schriftelijk worden ingediend bij het regionale tuchtcollege dat de woonplaats van de aangeklaagde beroepsbeoefenaar tot ambtsgebied heeft.
Voor Groningen zijn dat de provincies Groningen, Friesland en Drenthe.
Voor Zwolle zijn dat de provincies Overijssel, Flevoland en Gelderland
Voor Amsterdam zijn dat de provincies Noord-Holland en Utrecht.
Voor Den Haag zijn dat de provincies Zuid-Holland en Zeeland.
Voor Eindhoven zijn dat de provincies Noord-Brabant en Limburg.
 
Procedure
Het klaagschrift moet aan bepaalde voorwaarden voldoen en moet binnen 10 jaar na het gebeurde worden ingediend. Zo moet de klacht zoveel mogelijk worden voorzien van de data en feiten en argumenten waarop de klacht berust.
De secretaris van het tuchtcollege stuurt een afschrift van het klaagschrift aan degene waarover wordt geklaagd.

Vooronderzoek
Het indienen van een klacht hoeft niet altijd te betekenen dat er een zitting komt.
Voorafgaand aan een zitting vindt er een vooronderzoek plaats. Dit vooronderzoek gebeurt door de secretaris of door een lid van het tuchtcollege.
Tijdens het vooronderzoek wordt onder meer beoordeeld of de klacht ontvankelijk is. (is de klacht binnen 10 jaar na het gebeurde ingediend, staat de beroepsbeoefenaar waarover geklaagd wordt wel in het BIG-register ingeschreven?). Is een klacht niet-ontvankelijk, dan wordt deze niet verder behandeld.
Tijdens het vooronderzoek wordt tevens extra informatie verzameld en worden zonodig getuigen en deskundigen opgeroepen. Daarnaast worden zowel de klager als de aangeklaagde gehoord.
Ook wanneer tijdens het onderzoek blijkt dat er onvoldoende onduidelijkheid is kan er een zitting belegd worden.
Als tijdens het vooronderzoek blijkt dat er ruimte voor overeenstemming bestaat tussen de klager en aangeklaagde, zal worden geprobeerd tot een 'minnelijke oplossing' te komen. Zo'n oplossing moet door beide partijen voor akkoord worden getekend. In dat geval zal het niet tot een rechtszitting komen omdat de klacht wordt ingetrokken.

Na afloop vooronderzoek:
Na afloop van het vooronderzoek kan de klacht wordt verwezen naar een zitting van het tuchtcollege.
Maar als het vooronderzoek blijkt dat de klacht kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht is, zal de klacht niet verder worden behandeld door het tuchtcollege.
Indien de klacht wel wordt verwezen naar het tuchtcollege mag degene die het vooronderzoek heeft verricht niet deelnemen aan de zitting van het tuchtcollege.

Behandeling klacht:
Indien de klacht door het tuchtcollege wordt behandeld krijgen zowel de klager als de aangeklaagde tenminste drie weken voor de zitting een uitnodiging voor de zitting. In deze drie weken krijgen beide partijen de gelegenheid alle processtukken te bekijken. Uitzondering hierop zijn de stukken die de persoonlijke levenssfeer raken van anderen dan de klager of de aangeklaagde. Deze stukken mogen alleen door de advocaat of een daartoe gemachtigde arts worden ingezien.
Tijdens de zitting kunnen getuigen en deskundigen worden opgeroepen. Deze zijn verplicht te verschijnen.

Zitting:
De zittingen van de tuchtcolleges zijn in principe openbaar. Hiervan kan worden afgeweken om gewichtige redenen. Er moet hierbij gedacht worden aan de omschrijving van gewichtige redenen in het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens. Globaal gaat handelt het over de bescherming van het privé-leven, het belang van goede zeden, de belangen van minderjarigen en de omstandigheid dat openbaarheid de rechtspraak zou schaden.

Bijwonen:
Zowel de klager, als degene waarover wordt geklaagd, kunnen de rechtszitting bijwonen. Het bijwonen is geen verplichting. Daarbij kunnen zowel de klager als degene waarover wordt geklaagd zich laten bijstaan door een jurist. Voor leden van vakbonden kunnen dit vakbondsjuristen zijn.

Samenstelling tuchtcollege:
Het regionale tuchtcollege is samengesteld uit 2 juristen (waarvan één de voorzitter is) en 3 leden-beroepsgenoten (in dit geval verpleegkundigen). Bij eenvoudige zaken kan het college bestaan uit drie personen: één jurist (de voorzitter) en twee leden-beroepsgenoten.
Uiterlijk twee maanden na de zitting doet het tuchtcollege uitspraak. ook deze uitspraak is in principe openbaar. Bij de uitspraak worden alle argumenten belicht die tot deze uitspraak hebben geleid.

Tuchtmaatregelen
Het tuchtcollege kan de volgende maatregelen opleggen:
een waarschuwing
een berisping
een geldboete van maximaal tienduizend gulden
een (voorwaardelijke) schorsing van de registratie als beroepsbeoefenaar
een combinatie van een geldboete en een (voorwaardelijke)schorsing
een gedeeltelijke ontzegging van het recht als geregistreerde het beroep uit te oefenen
doorhaling van de registratie
De waarschuwing is de lichtste maatregel. Het is een terechtwijzing aan de beroepsbeoefenaar dat zijn gedrag onjuist is. Het heeft met name een corrigerende en voorlichtende strekking.
Tussen de waarschuwing en de berisping bestaat een verschil: de berisping heeft een veroordelende strekking. De beroepsbeoefenaar treft een ernstig verwijt.
Bij de eerste drie opgelegde straffen mag de beroepsbeoefenaar zijn van zonder beperkingen blijven uitvoeren.
De schorsing kan voor maximaal één jaar worden opgelegd. Gedurende deze periode mag de verpleegkundige zijn werkzaamheden als verpleegkundige niet meer uitvoeren als de schorsing onvoorwaardelijk is opgelegd. Bij een voorwaardelijke schorsing moet de beroepsbeoefenaar zich aan bepaalde regels houden. Doet hij dit niet, dan wordt hij alsnog onvoorwaardelijk geschorst.
De gedeeltelijke ontzegging van het recht als geregistreerde het beroep uit te oefenen houdt in dat aan een bepaalde beroepsbeoefenaar beperkingen kunnen worden opgelegd. Als voorbeeld: de verpleegkundige mag bijvoorbeeld geeft injecties meer geven.
De doorhaling van de registratie houdt in dat je nooit meer als verpleegkundige mag werken. Dit is de zwaarste maatregel die kan worden opgelegd.

Hoger Beroep:
Binnen zes weken na de uitspraak kan bij het centrale tuchtcollege hoger beroep worden aangetekend. De klager kan niet in hoger beroep gaan als hij vindt dat de opgelegde maatregel te licht is. De aangeklaagde beroepsbeoefenaar en de inspecteur voor de volksgezondheid hebben altijd het recht om hoger beroep in te stellen, Het centrale tuchtcollege is gevestigd in Den Haag en bestaat uit 3 juristen en 2 leden-beroepsgenoten.
De procedure is vrijwel dezelfde als de behandeling bij het regionale tuchtcollege. Uitzondering is de verplichting tot het vooronderzoek.
Belangrijk is te weten wat nu precies de rol van de inspecteur van Volksgezondheid is in deze. Per 1 december 1996 is er een Leidraad van toepassing welke van belang is voor een onderzoek door de inspectie voor de Gezondheidszorg. Deze leidraad bevat regels over het volgen van de klachten procedure.
De taak van de Inspectie ligt in het toezicht houden op de naleving van wettelijke voorschriften op het gebied van de volksgezondheid en het bewaken van de kwaliteit.
Ook via deze manier van klachten is er een procedure waaraan de Inspecteur zich dient te houden, zo zijn er procedures t.a.v. indien klacht, onderzoeken van een klacht, verwijzing van een klacht, informatie verstrekking, tussentijdse beëindiging van een onderzoek van een klacht, vaststelling, verslaglegging, melding aan Tucht College. De precieze uitwerking hiervan is na te lezen in de Gezondheidswet, welke o.a. beschreven staat in Praktijkboek Gezondheidsrecht (art. 30.20)

BEROEPSCODE VOOR VERPLEGING EN VERZORGING
Woord vooraf.
Deze beroepscode wordt aanbevolen aan allen die op het terrein van de verpleging en verzorging werkzaam zijn. De code beoogt de waarden, normen en gedragsregels vast te leggen die van belang zijn voor de verpleging en verzorging.
De patiënt heeft behoefte aan eenduidig gedragslijnen van hulpverleners. Van een verschil van normen en waarden op basis van functie of inkomen kan dan ook geen sprake zijn. In deze beroepscode komt daarom de solidariteit tussen verplegenden en verzorgenden tot uiting. Samen zullen zij elkaar moeten sturen bij de uitvoering van de zorg. Samen zijn zij verantwoordelijk voor een goede kwaliteit van zorg en leggen zij zich vast op de uitgangspunten daartoe. De gelijkwaardigheid van verplegenden en verzorgenden tenslotte, wordt onderstreept door één beroepscode voor alle verplegenden en verzorgenden.
Het terrein waarop verplegenden en verzorgenden actief zijn, is zeer verschillend. Het is daarom nodig, dat verplegenden en verzorgenden deze beroepscode vertalen naar de eigen situatie. Deze beroepscode biedt hen daartoe de mogelijkheid: zij is zo geformuleerd, dat zij ook in specifieke situaties verplegenden en verzorgenden voldoende houvast biedt om goed te handelen.
De International Counsil of Nurses (ICN) heeft in 1953 een code opgesteld die handelt over de verhouding tussen verpleegkundigen en verzorgenden onderling en de relatie tussen de zorgvrager en anderen. De ICN-code is ook gebruikt als basis voor de voorliggende beroepscode.
Beroepsmatig/professioneel zorg verlenen is het herkennen, analyseren, alsmede advies en bijstand verlenen ten aanzien van feitelijke of dreigende gevolgen van handicaps, ontwikkelingsstoornissen en hun behandeling voor de fundamentele levensverrichtingen van het individu. Het beroepsmatig/professioneel zorg verlenen houdt tevens in, het zodanig beïnvloeden van mensen, dat menselijke vermogens worden benut met het oog op het in stand houden en bevorderen van de gezondheid. Beroepsmatig/professioneel zorg verlenen vindt per definitie multidisciplinair plaats. Dit betekent wederzijds respect voor de deskundigheden van collega's en andere beroepsbeoefenaren.
Deze beroepscode is een samenhangend geheel met het verpleegkundig beroepsprofiel en het beroepsprofiel van verzorgende/helpende, zij vullen elkaar aan. In de code is de belofte tot geheimhouding opgenomen welke de verplegende/verzorgende aflegt als het diploma wordt behaald.
Deze beroepscode geeft de mogelijkheid beslissingen te nemen die goed aansluiten op de eigen morele overtuiging van de professionele verplegende/verzorgende. Zodra de verplegende/verzorgende beslissingen neemt die afwijken van de in de code genoemde normen dan kan men hierop worden aangesproken door collega's en moet men zich verantwoorden. In procedures, zoals in het klachtrecht of tuchtrecht, waarin verplegenden/verzorgenden ter verantwoording worden geroepen dient het handelen getoetst te worden aan de intentie van deze beroepscode.
Waar in de tekst de functie van verplegende/verzorgde wordt genoemd, wordt de ziekenverzorgende, verpleegkundige, verpleger/verpleegster kraamverzorgende, gezinsverzorgende, lichamelijk gehandicapten verzorgende en bejaardenverzorgende alsmede de helpende bedoeld. In de code wordt als "verzamelnaam" de term verplegende/verzorgende gebruikt. Ook zij die nog in opleiding zijn dienen zich aan de beroepscode te houden.

Waarin de tekst de aanduiding "zij" wordt gebruikt, wordt ook "hij" bedoeld.
1. Uitgangspunten met betrekking tot de beroepsuitoefening.
1.1 De verplegende/verzorgende verleent zorg aan de zorgvrager, ongeacht diens levensbeschouwing, waarden, normen, en gewoontes. Zij benadert de zorgvrager zonder aanziens des persoons.
1.2 De verplegende/verzorgde is verplicht geheim te houden al hetgeen haar als geheim is toevertrouwd, of hetgeen daarbij ter hare kennis is gekomen of waarvan zij het vertrouwelijk karakter moet begrijpen.
1.3 De verplegende/verzorgde informeert de zorgvrager (indien onbekwaam diens naaste) over zijn rechten en de in dit verband te volgen procedures. Daarbij wordt betrokken relevante wetgeving, maatschappelijke, culturele en beroepsmatige inzichten.
1.4 De verplegende/verzorgende dient te beschikken over de deskundigheid die nodig is voor een verantwoorde en adequate beroepsuitoefening en de verplegende/verzorgende heeft hierin verantwoordelijkheid naar collega's.
1.5 De verplegende/verzorgende ontplooit initiatieven en ondersteunt activiteiten ter bevordering van de ontwikkeling van het beroep, met inachtneming van de grenzen aan de beroepsuitoefening.
1.6 De verplegende/verzorgende is verantwoordelijk voor haar eigen handelen.

2. De verplegende/verzorgende in relatie tot de zorgvrager.
2.1 De verplegende/verzorgende stelt samen met de zorgvrager (indien onbekwaam diens naaste) de zorgbehoefte en de hulpvraag vast. In samenspraak met de zorgvrager zorgt de verplegende/verzorgende voor het plannen, uitvoeren, vastleggen en evalueren van het zorgplan, met inachtneming van de grenzen en de mogelijkheden van de verplegende/verzorgende en de zorgvrager.
2.2 De verplegende/verzorgende onthoudt zich van machtsmisbruik, intimidatie en ongewenste intimiteiten.
2.3 De verplegende/verzorgende gaat in de persoonlijke sfeer geen afhankelijkheidsrelatie met de zorgvrager aan.
2.4 De verplegende/verzorgende die op basis van haar levensovertuiging en/of beroepsopvattingen bezwaar heeft mee te werken aan bepaalde handelingen ten aanzien van de zorgvrager, draagt de zorg over aan collega's of derden.

3. De verplegende/verzorgende in relatie tot collega's en anderen.
3.1 De verplegende/verzorgende kijkt kritisch naar haarzelf, collega's en andere beroepsbeoefenaren. Als zij bij hen gedrag bemerkt waarmee zij de zorgvrager schade zouden kunnen toebrengen, dan neemt zij maatregelen ter bescherming van de zorgvrager.
3.2 De verplegende/verzorgende steunt collega's die nadelige gevolgen ondervinden doordat zij zich overeenkomstig hun beroepscode gedragen.

4. De verplegende/verzorgende in relatie tot de samenleving.
4.1 De verplegende/verzorgende ondersteunt de activiteiten van de beroepsgroep om voorwaarden te scheppen voor een goede beroepsuitoefening.
4.2 De verplegende/verzorgende neemt, bij voorkeur als lid van een vak- of beroepsorganisatie deel aan het tot stand brengen en het handhaven van rechtvaardige sociaal-economische arbeidsvoorwaarden.
4.3 De verplegende/verzorgende houdt in haar beroepsuitoefening rekening met recht op zorg voor iedereen, rechtvaardige verdeling van middelen en bescherming van het leefmilieu.
4.4 De verplegende/verzorgende stelt zich actief op in het signaleren van gezondheidsbedreigende factoren, bevordert de opheffing daarvan en draagt bij aan de ontwikkeling van nieuwe inzichten ter verbetering van de volksgezondheid.
4.5 De verplegende/verzorgende spreekt de werkgever en de samenleving aan wanneer er geen adequate zorg meer geboden kan worden.
4.6 De verplegende/verzorgende onthoudt zich van commerciële activiteiten, welke relatie hebben met de beroepsuitoefening.