Versterven en abstineren
Professioneel verpleegkundig handelen
rondom het levenseinde van de geriatrische patiënt
“Van oude mensen en de dingen die gaan
komen”
(Vrij naar Louis Couperus)
Voorwoord
Het schrijven van een scriptie is over
het algemeen geen gemakkelijke opgave. Door een onderwerp te kiezen dat
op dit moment actueel is en wat mij interesseert heb ik getracht het één
en ander te vergemakkelijken. Ik hoop dat het voor lezers van deze scriptie
een interessant verhaal is geworden.
Deze scriptie geeft weer hoe ik als verpleegkundige
en als persoon, voor wat betreft het scriptieonderwerp in mijn beroep sta.
De HBO-V heeft hier mede aan bijgedragen.
Deze scriptie had ik niet kunnen schrijven
zonder de hulp van: mijn vriendin Renate, scriptie-begeleider Wil van Mol,
geriatrisch-verpleegkundige en collega Klaartje van Montfort, mijn
behulpzame collega’s op de PAAZ en de verpleegkundigen die de enquête
hebben ingevuld.
Hoofdstuk 1: Begripsbepaling
1.1. Inleiding
1.2. De geriatrische patiënt
1.3. Sterven, stervensfase, levenseinde
en de dood
1.4. Versterven en abstineren
1.5. Maatschappelijke denkbeelden en de
media
1.6. Ethische aspecten rondom versterven
en abstineren
1.7. Wettelijke bepalingen en de beroepscode
1.8. Juridische aspecten en de wil van
de patiënt
Hoofdstuk 2: Versterven en abstineren
in de praktijk
2.1. Inleiding
2.2. De organisatie van de geriatrische
afdeling
2.3. Versterven en abstineren op een geriatrische
afdeling
2.4. Het afdelingsbeleid en protocollen
2.5. De besluitvorming rondom versterven
en abstineren
2.6. De rol van de verschillende disciplines
Hoofdstuk 3: De mening van de verpleegkundigen
3.1. Inleiding
3.2. Opzet van het onderzoen
3.3. Uitwerking van de enquête
3.4. Inleidende vragen
3.5. De stellingen
3.6. Casusbespreking
Hoofdstuk 4: Onduidelijkheden in de verpleegkundige
zorg rondom het levenseinde
4.1. Inleiding
4.2. Professioneel verpleegkundig handelen
4.3. Onduidelijkheden in de zorg aan de
patiënt
4.4. De maatschappelijke discussie
4.5. Verpleegkundige vraagstukken
4.6. Het contact met de patiënt en
zijn familie
4.7. De samenwerking met de arts en andere
disciplines
Conclusie
Samenvatting
Nawoord
Inleiding
Deze scriptie heb ik geschreven in het
kader van de deeltijd opleiding HBO-Verpleegkunde.
Het vormt een onderdeel van het theoretisch
examen. Uit de scriptie moet blijken dat de student het door hem of haar
gekozen onderwerp begrijpt, juist interpreteert en adequaat bekritiseert.
Het onderwerp dient een aantoonbare relatie te hebben met de uitoefening
van het verpleegkundig beroep.
Ik heb gekozen voor het onderwerp: “Versterven
en Abstineren: professioneel verpleegkundig handelen rondom het levenseinde
van de geriatrische patiënt”. In mijn werk als verpleegkundige verzorg
ik regelmatig geriatrische patiënten waarbij een abstinerend beleid
is afgesproken of waarin de situatie ontstaat dat de patiënt niet
meer wil eten of drinken. De zorg voor deze patiënten is complex en
vraagt van de verpleegkundige veel inzicht, gevoel en tact. Beslissingen
rondom het levenseinde van een patiënt blijken in de praktijk met
allerlei onduidelijkheden omgeven. In veel gevallen heb ik gemerkt dat
hierdoor de kwaliteit van de verpleegkundige zorg aan de patiënt
en zijn familie in het geding komt. Dit gegeven riep zoveel vragen bij
me op dat ik me ben gaan verdiepen in de begrippen versterven en abstineren
en de hierbij behorende theorie.
De centrale vraag van deze scriptie luidt
als volgt:
In hoeverre staan onduidelijkheden, rondom
de verpleegkundige zorg aan geriatrische patiënten waarbij de begrippen
versterven en abstineren van toepassing zijn, professioneel verpleegkundig
handelen in de weg?
Ik wil inzichtelijk maken welke onduidelijkheden
er bestaan bij verpleegkundigen en in hoeverre deze hun professioneel handelen
belemmeren. Door hun mening en of kennis te vergelijken met wat er in de
theorie staat beschreven over beslissingen rondom het levenseinde van geriatrische
patiënten verwacht ik bovenstaande vraagstelling te kunnen beantwoorden.
De opbouw en indeling van deze scriptie
verloopt van algemeen naar specifiek. Het eerste hoofdstuk bestaat uit
een begripsbepaling. Deze begripsbepaling is nodig om de begrippen versterven
en abstineren duidelijk te krijgen. In het tweede hoofdstuk beschrijf ik
de praktijk op een geriatrische afdeling rondom de begrippen versterven
en abstineren. De besluitvorming, het beleid en het gebruik van protocollen
komen aan bod. Het derde hoofdstuk is een weergave van de enquête
die ik heb gehouden onder twintig (geriatrisch-) verpleegkundigen. De opzet
van deze enquête, met als onderdeel een casusbespreking en de antwoorden
op de gestelde vragen worden besproken. De volledige uitwerking van de
antwoorden staat vermeld in bijlage I. Het vierde hoofdstuk gaat over de
gesignaleerde onduidelijkheden in de verpleegkundige zorg rondom
versterven en abstineren. Welke vraagstukken houden de verpleegkundige
bezig, hoe staat deze in het contact met de patiënt en zijn familie
en wat is professioneel verpleegkundig handelen. In de conclusie verwoord
ik mijn mening over de begrippen versterven en abstineren en de uitkomst
van de enquêtes.. Tenslotte volgt een samenvatting.
Deze scriptie schrijf ik voor verpleegkundigen,
verzorgenden en andere disciplines, werkzaam op een geriatrische afdeling
in het algemeen ziekenhuis, die regelmatig in aanraking komen met geriatrische
patiënten in hun laatste levensfase.
De literatuurlijst bestaat uit boeken,
(kranten)artikelen, protocollen, verslagen en meningen die recentelijk
zijn verschenen. Vooral de artikelen uit verpleegkundige tijdschriften
en de verslagen van verschillende symposia vond ik interessant, omdat deze
de verpleegkundige zorg specifiek beschrijven. De verschillende protocollen
en beleidsmaatregelen rondom versterven en abstineren waren voor mij verhelderend,
omdat ze informatie bieden over de recente ontwikkelingen met betrekking
tot het scriptieonderwerp.
In deze scriptie verwijs ik door middel
van voetnoten naar bovenstaande literatuur. Andere verwijzingen zijn verwerkt
in - of staan tussen haakjes achter de betreffende tekst. De (geriatrische-)
patiënt en de verpleegkundigen heb ik steeds in de mannelijke vorm
weergegeven.
Hoofdstuk 1: Een begripsbepaling
1.1. Inleiding
Om te komen tot het beantwoorden van de
centrale vraag is het van belang dat duidelijk wordt wat versterven en
abstineren daadwerkelijk inhoudt. Alleen de betekenis van deze twee begrippen
verschaft te weinig inzicht. Beslissingen rondom het levenseinde zijn complex
en bestaan uit vele aspecten. Het zijn beslissingen die te maken hebben
met inzichten over sterven en de dood, maatschappelijke factoren en denkpatronen,
ethische aspecten, wettelijke bepalingen, de verpleegkundige beroepscode
en de juridische aspecten waarmee de patiënt en de professionele hulpverleners
in aanraking komen. Al deze aspecten komen in dit hoofdstuk aan bod en
vormen een begripsbepaling rondom versterven en abstineren.
1.2. De geriatrische patiënt
Het begrip geriatrie wordt gebruikt voor
allerlei activiteiten op het gebied van ouderenzorg.
Een Geriatrische Afdeling Algemeen Ziekenhuis
(GAAZ) is specifiek ingericht voor de zorg aan ouderen. Centraal staat
een holistische benadering met speciale aandacht voor de belastbaarheid
en de zelfredzaamheid van de patiënt met gerichte belangstelling voor
diens sociale milieu. Om te kunnen spreken van een geriatrische patiënt
moet worden voldaan aan een aantal kenmerken. Deze kenmerken zijn:
·leeftijd (hoog) bejaard vanaf
65 jaar;
·multipele pathologie (een veelvoud
van ziekmakende aandoeningen);
·storingen of tekortkomingen in
de ADL en neiging tot blijvende hulpbehoevendheid;
·een labiel lichamelijk, geestelijk
en sociaal evenwicht;
·een lager tempo in dagelijkse
bezigheden.
Niet elke oudere kan worden aangeduid als
“geriatrische patiënt” Pas als er duidelijke veranderingen zijn in
fundamentele levensverrichtingen en deze in verband kunnen worden gebracht
met verouderingsprocessen en gezondheidsstoornissen ten gevolge van de
ouderdom spreekt men over geriatrie.
1.3. Sterven, stervensfase, levenseinde
en de dood
Bij begrippen als versterven en abstineren
staan vragen omtrent de dood centraal In deze paragraaf heb ik geprobeerd
de woorden sterven, stervensfase, levenseinde en de dood als begrippen
nader te omschrijven en in onderlinge verhouding te zien.
Het begrip stervensfase wordt wel omschreven
als de periode die begint op het moment dat het sterven als werkelijkheid
binnen het gezichtsveld van de patiënt gaat komen.
Het is moeilijk om een begrip als stervensfase
te definiëren. Veel geriatrische patiënten, in het bijzonder
psychogeriatrische patiënten, hebben zulke ernstige communicatiestoornissen,
dat familie en hulpverlening niet weten of het sterven nog wel binnen hun
gezichtsveld komt. Zelfs in de wetgeving rondom euthanasie staat geen duidelijke
omschrijving van het begrip stervensfase. Toch is een duidelijke omschrijving
van het begrip stervensfase belangrijk omdat bij verschil van mening hierover
al onduidelijkheid kan ontstaan.
In de theorie wordt het begrip stervensfase
ook wel omschreven als: een periode van geleidelijke vermindering van lichamelijke,
psychische en sociale functies; een periode waarin contactmogelijkheden
kunnen afnemen. Deze omschrijving vind ik het meest volledig omdat hierin
het contact met de patiënt centraal staat.
Sterven is te definiëren als de laatste
fase van het leven. Sterven is een proces dat vooraf gaat aan het levenseinde,
waarbij levenstekenen van het lichaam onomkeerbaar afnemen en aan het einde
de dood intreedt. Tijdens het stervensproces zullen voor de artsen en de
verpleegkundigen de afnemende levenstekenen zoals: verminderd bewustzijn,
bloeddrukdaling, onregelmatige polsslag en oppervlakkige - onregelmatige
ademhaling, belangrijke observatiepunten zijn. Als er geen sprake is van
een acute dood zal de patiënt, langzaam wegzakken en niet of nauwelijks
meer aanspreekbaar zijn.
De dood of het levenseinde is te definiëren
als de afwezigheid van het leven. De dood mag alleen worden geconstateerd
door een arts. Deze zal aan de hand van het afwezig zijn van ademhaling,
hartslag en hersenactiviteit bepalen of een patiënt is overleden.
1.4. De begrippen versterven en abstineren
Om te komen tot een volledige begripsbepaling
moeten, naast de in de voorgaande paragrafen besproken termen, ook de begrippen
versterven en abstineren duidelijk worden omschreven. Versterven en abstineren
zijn termen die gebruikt worden door artsen en hulpverleners als het gaat
om beslissingen rondom het levenseinde van de patiënt. Bij geriatrische
patiënten worden deze beslissingen relatief vaak genomen. Vooral een
term als versterven wordt in de media in verband gebracht met hoog bejaarde
mensen die niet meer willen eten of drinken. Er wordt ook een vergelijking
gemaakt met euthanasie en zelfs met moord. Hiermee is de term versterven
onvolledig gedefinieerd.
Versterven is te omschrijven als: “Bewust
of onbewust het stervensproces aangaan door niet meer te eten en (minder)
te drinken” of “Het op geleide van de afnemende behoefte aan eten
en drinken achterwege laten van (kunstmatige) toediening van vocht en voeding
teneinde het onafwendbare sterven te respecteren en zo draaglijk mogelijk
te maken”.
Voedselweigering is al eeuwen oud. In het
Oude Rome en in Griekenland was ‘hongeren’ een bekend verschijnsel bij
vooraanstaande oude mannen, die gezien hun leeftijd niet meer in staat
waren hun functie naar behoren uit te oefenen. Door voedselweigering kozen
zij voor een “waardige dood”. In de 11e tot de 14e eeuw was er in Frankrijk
een religieuze groepering, de Katharen genoemd. Zij vonden het normaal
dat ernstig zieke mensen niet meer aten en weinig dronken. Dit bespoedigde
het stervensproces en zou de zieke verlossen van een pijnlijke dood.
Bij onthouding van vocht en voedsel gaat
het lichaam zijn eigen voorraden aanspreken en ontstaat er dehydratie of
uitdroging. Uit onderzoeken blijkt dat:
·Uitdroging in de terminale fase
een symptoomarm toestandbeeld is, waarbij de patiënt, door een daling
van het bewustzijn, een verminderde pijnbeleving en een verminderde kans
op kortademigheid en braken, veelal een rustig sterfbed geeft;
·Dorst en honger ten gevolge van
uitdroging en het niet meer tot zich nemen van voedsel in de beginfase
van een terminaal stadium soms voorkomen, maar dat deze “symptomen” vrijwel
altijd met eenvoudige lokale maatregelen, zoals een goede mondverzorging,
zijn te verhelpen.
Precieze cijfers over het voorkomen van
‘versterven’ zijn niet bekend. In verpleeghuizen, waar ongeveer 56000 mensen
verblijven, circuleren cijfers van 40 tot 90 procent. Dit betekent
dat deze manier van sterven vaak voorkomt.
Abstineren is een duidelijk omschreven
begrip. Letterlijk betekent het onthouding. Het wordt in de theorie
omschreven als: ”Het staken van zinloos medisch of levensverlengend handelen”
Bij de geriatrische patiënt, zoals in paragraaf 1.2. beschreven, is
vaak een veelvoud van ziekten tegelijk aanwezig. Hierdoor is een curatieve
behandeling in sommige gevallen onmogelijk en rijst de vraag of doorbehandelen
nog zinvol is. Bij een abstinerend beleid wordt pijnbestrijding, of een
andere (be)handeling ten gunste van de kwaliteit van het leven (palliatie),
niet gestaakt. Voor een besluit om te stoppen of niet te starten met levensverlengend
handelen kunnen drie argumenten gelden:
·De handeling wordt door de patiënt
geweigerd;
·De handeling is medisch gezien
niet effectief;
·De handeling is niet zinvol.
Er worden verschillende termen gebruikt
voor genoemde soort beslissingen, zoals ‘abstineren’, ‘stoppen van actieve
behandeling’, ‘non-treatment –beslissingen’, ‘gelimiteerde therapie’ en
zelfs ‘passieve euthanasie’. Deze termen betekenen niet allemaal hetzelfde
en dat geeft verwarring. De term “abstineren” als op de vorige pagina gedefinieerd
beschrijft naar mijn mening het meest helder het karakter van de beslissing.
1.5. Maatschappelijke aspecten en de media
De situaties waarin mensen aan het einde
van hun leven terecht kunnen komen, zijn geregeld onderwerp van een maatschappelijke
discussie. Vragen of, hoe en wanneer mensen mogen sterven worden herhaaldelijk
gesteld. De opvattingen hierover lopen sterk uiteen. Een aantal ontwikkelingen
in de huidige maatschappij zijn hierbij van belang.
Binnen onze maatschappij neemt de oudere
mens geen belangrijke rol meer in. Was het vroeger nog zo dat ouderdom
wijsheid betekende; tegenwoordig worden oudere mensen meer als lastig,
vervelend en zelfs nutteloos gezien. In de jaren tachtig is de vergrijzing
van de samenleving als een maatschappelijk vraagstuk onderkend.De maatschappij
zal steeds meer rekening moeten gaan houden met de snel groter wordende
groep ouderen. Vooral voor de gezondheidszorg is dit nu al een probleem.
Verzorgings en verpleeghuizen zitten overvol en specialistische medische
en verpleegkundig zorg (geriatrie) is in toenemende mate vereist.
Naast de vergrijzing is het zo dat de
huidige maatschappij gericht is op het leven. Vroeger was het vanzelfsprekend
dat veel mensen op relatief jonge leeftijd stierven. Het leven hoorde bij
de dood en de dood bij het leven. Tegenwoordig proberen we, mede
door de steeds voortschrijdende medische wetenschap, de dood zover mogelijk
voor ons uit te schuiven. Bijna alles in onze huidige maatschappij is er
op gericht de kwaliteit van leven zo hoog en zo lang mogelijk vast te houden.
Begin 1997 wordt er in de media
geschreven over het versterven van een Alzheimerpatiënt in een verpleeghuis
in Groningen. Allerlei ervaringsdeskundigen, publicisten en journalisten
geven hun mening over versterven en over het levenseinde van ouderen in
het algemeen. Versterven wordt in veel van deze artikels in negatieve zin
uitgelegd. Ook het stopzetten van een curatieve behandeling bij oudere
patiënten wordt hiermee in verband gebracht. Deze maatschappelijke
discussie over het al dan niet humaan zijn van versterven en abstineren
wekt veel verwarring bij ouderen, familie, hulpverleners en bij vele andere
mensen. Onderwerpen als versterven en abstineren en beslissingen bij het
levenseinde in het algemeen zijn complexe en gevoelige thema’s die vanuit
verschillende gezichtsvelden bekeken kunnen worden. Een aantal publicisten
vergelijkt het begrip versterven met euthanasie en met moord. Deze vaak
negatieve publiciteit heeft mij verwonderd, omdat mijn ervaringen met versterven
en abstineren juist positief zijn. Gevoelsmatig ervaar ik het als een waardige
dood als een patiënt besluit niet meer te willen eten of te
stoppen met een behandeling. Er zijn meerdere mensen die dit zo voelen,
blijkt uit een aantal krantenartikels. Toch heeft de aandacht in de media
ook positieve kanten. Het gevolg is dat er, naar aanleiding van vragen
in de Tweede Kamer, getracht is een aantal duidelijke richtlijnen op te
stellen. In paragraaf 1.7. en 2.3. wordt naar deze richtlijnen verwezen.
1.6. Ethische aspecten rondom versterven
en abstineren
Ethiek en ethische vraagstukken zijn bij
beslissingen rondom het levenseinde zeker aan de orde. De moraal van de
hulpverlener staat constant onder druk.Het nemen van beslissingen stelt
de hulpverlener voor morele dilemma’s. Wanneer een patiënt uit zijn
gedrag duidelijk laat blijken dat hij niet meer wil eten en drinken of
niet meer wil leven en een verpleegkundige wil deze wens respecteren, dan
staat hij voor een dilemma. De moeilijke beslissingen waarvoor verpleegkundigen
in hun werk komen te staan, spelen in het gewone directe contact met deze
patiënten. Het zijn situaties waarin er twijfels zijn over de wil
van de verpleegde. Het principe, dat mensen liefst voor zichzelf
moeten beslissen wat ze doen gaat vaak niet zonder meer op bij mensen die
worden verpleegd.
Vaak staat de kwaliteit van leven voorop.
De vraag is of een patiënt die niet meer wil eten en drinken of de
behandeling weigert, wel of niet voor kwaliteit van leven kiest? Toch respecteert
de verpleegkundige een belangrijk ethisch aspect: het recht op zelfbeschikking
van de patiënt.Dit recht is in de huidige cultuur een diep doorgedrongen
ideaal. Het is een algemeen aanvaard uitgangspunt geworden, een vanzelfsprekende
morele waarde.
Autonomie of zelfbeschikking is niet alleen
te zien als een daad; het zelf beschikken, maar ook als een eigenschap
van mensen. Voor zover het duidelijk is dat een patiënt goed in staat
is tot het nemen van beslissingen, zal de verpleegkundige zijn of haar
autonomie respecteren
Maar wat nu als dezelfde patiënt
door een dementieël syndroom als wilsonbekwaam wordt gezien? Ook deze
mensen kunnen door hun gedrag laten blijken dat ze niet meer willen eten,
drinken of niet meer willen leven.In paragraaf 1.8. wordt het recht op
zelfbeschikking bij deze patiënten, vanuit juridisch oogpunt bekeken.
1.7.Wettelijke bepalingen en de beroepscode
Bij levensbeëindigend handelen wordt
al snel gedacht aan euthanasie. Vanaf 1994 is er een wettelijke regeling
van kracht waarin volgens een bepaalde procedure moet worden gehandeld
in geval van euthanasie en levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk
verzoek. Versterven en abstineren zijn begrippen die alles te maken hebben
met levensbeëindigend handelen. Toch vallen deze niet onder de hierboven
genoemde euthanasiewet. In reactie op vragen in de tweede kamer zegt
Mw. Borst hierover: “ Het handelen bij versterven en/of abstineren betreft
normaal medisch handelen, waarbij professionele hulpverleners hun taak
uitoefenen op grond van hun professionele deskundigheid”.
De basisnorm van professioneel verpleegkundig
handelen in de Wet Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO) is dat
de beroepsbeoefenaar volgens de normen, kennis en ervaring van de verpleegkundige
beroepsgroep handelt.
Het voorschrift om te werken volgens de
professionele verpleegkundige standaard betekent niet, dat de verpleegkundige
voorbij mag gaan aan de wens van de patiënt. De verpleegkundige heeft
in alle situaties toestemming nodig van de patiënt om te mogen handelen.
In bepaalde noodsituaties is het niet altijd mogelijk om toestemming te
vragen aan de patiënt. De verpleegkundige moet zich in deze gevallen
beperken tot die verrichtingen die op dat moment noodzakelijk zijn om ernstige
schade bij de patiënt te beperken. Levensreddend handelen is volgens
de WGBO verplicht. Als onderdeel van een behandeling en in opdracht van
de arts mag een verpleegkundige wel ingrijpende handelingen uitvoeren.
De behandeling is een overeenkomst tussen de arts en de patiënt. De
verpleegkundige moet hierbij wel alert blijven op de toestemming van de
patiënt en dit bespreekbaar maken.
In de Wet Beroepen Individuele Gezondheidszorg
(BIG) wordt als het deskundigheidsgebied van de verpleegkundige gerekend:
“Het verrichten van handelingen op het gebied van observatie, begeleiding,
verpleging en verzorging” en: “Het in opdracht van een arts verrichten
van handelingen in aansluiting op diens diagnose en therapie”. In
opdracht van een arts kan het dus voorkomen dat een verpleegkundige handelingen
uit moet voeren die in het kader van de behandeling noodzakelijk zijn,
maar die niet overeenkomen met de wil van de patiënt (zie par. 3.3.,
Casus 1).
In de Wet Bijzondere Opneming Psychiatrische
Ziekenhuizen (BOPZ) staat vermeld dat als overbrugging van een tijdelijke
noodsituatie, onder dwang, maatregelen mogen worden toegepast, bijvoorbeeld
het toedienen van vocht.
Naast deze wettelijke bepalingen vormen
de verpleegkundige beroepscode en het beroepsprofiel ook een belangrijke
leidraad voor professioneel verpleegkundig handelen. Een beroepscode is
een verzameling voorschriften, richtlijnen en regels van morele aard.
De beroepscode kan een houvast bieden
omdat deze aangeeft wat de verpleegkundigen van elkaar en van andere disciplines
kunnen en mogen verwachten.
Uit de beroepscode blijkt dat de verpleegkundige
in het belang van de patiënt handelingen mag weigeren uit te voeren.
Hij mag ook de arts en andere disciplines aanspreken op de gevoerde behandeling
van een patiënt. De autonomie en de wil van de patiënt staan
in de beroepscode voorop. In bijlage III staan een aantal onderdelen uit
de beroepscode beschreven die van belang zijn voor het scriptieonderwerp.
1.8. Juridische aspecten en de wil
van de patiënt.
In het wetboek van strafrecht staat: “Hij
die een ander op zijn uitdrukkelijk en ernstig verlangen van het leven
berooft, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf
jaren of een geldboete van de vijfde categorie”. Mede door de invoering
van de euthanasie wet is het maatschappelijke oordeel over beslissingen
rondom het levenseinde gewijzigd.
Beslissingen rond het levenseinde kunnen
worden onderverdeeld in vijf categorieën:
1.Het niet aanvangen van een behandeling;
2.Het staken van een behandeling;
3.Behandelingen met als (mogelijk) effect
dat de dood naderbij wordt gebracht (pijnbestrijding);
4.Het actief beëindigen van het leven
van het leven van een patiënt, op diens verzoek (euthanasie en hulp
bij zelfdoding);
5.Het actief beëindigen van het leven
van een patiënt, zonder verzoek diens uitdrukkelijke verzoek.
Gezien het onderwerp van deze scriptie
ga ik niet verder in op categorie 4.
Ad. 1 en 2.
Het staken of niet aanvangen van een behandeling
kan tot gevolg hebben dat het einde van het leven van de patiënt wordt
versneld. De arts kan beslissen tot staken of het niet aanvangen van een
behandeling omdat deze medisch zinloos is, de patiënt hierom vraagt
of omdat de patiënt geen toestemming geeft voor de behandeling. Dit
blijkt ook uit de omschrijving van de term abstineren in par. 1.4.
Ad. 3.
Onder deze categorie valt vooral pijnbestrijding.
Pijnbestrijding kan het levenseinde versnellen. Uitgaande van een goede
diagnose en op het doel afgestemde dosering valt pijnbestrijding ook onder
normaal medisch handelen. Het gegeven dat pijnbestrijding kan leiden tot
het naderbij brengen van de dood heeft dan geen juridische betekenis.
Ad. 5.
In de maatschappelijke discussie vraagt
men zich af of versterven valt onder de categorie: actieve levensbeëindiging
zonder verzoek. Als een uitdrukkelijk verzoek van de patiënt ontbreekt
is er strafrechtelijk gezien sprake van moord. Vaak gaat het in deze gevallen
om wilsonbekwame patiënten of patiënten die niet meer aanspreekbaar
zijn. Als de patiënt zeer ernstig lijdt en er geen andere mogelijkheid
is om zijn lijden weg te nemen, is deze levensbeëindiging, in uitzonderlijke
gevallen, niet strafbaar. Er geldt net als bij euthanasie een meldingsprocedure.
In een aantal juridische procedures betreffende levensbeëindigend
zonder verzoek is de kwalificatie moord losgelaten door het gerechtshof
omdat: “de kwalificatie moord niet in overeenstemming is met het daaraan
in het algemeen verbonden maatschappelijke gevoel”.
De wil van de patiënt, zo blijkt uit
par. 1.7. is van groot belang bij levensbeëindigend handelen. Het
Centraal Medisch Tuchtcollege zegt hierover: “de vermoedelijke wens van
de patiënt is doorslaggevend bij de beslissing om een medisch zinloze
behandeling te staken”.
Bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid
van de patiënt wordt uitgegaan van het principe dat de patiënt
zolang mogelijk wilsbekwaam moet worden geacht en vormt de actuele wil
van de patiënt steeds het uitgangspunt van de besluitvorming.
Gezien de centrale uitgangspositie
van het zelfbeschikkingsrecht in de wetgeving, mag men er niet te snel
van uitgaan, dat een dementerende patiënt niet meer zou beschikken
over het vermogen om dat recht uit te oefenen en dus wilsonbekwaam zou
zijn. Als blijkt dat een persoon niet in staat is zijn wil te bepalen komt
deze bevoegdheid bij een vertegenwoordiger te liggen, zo staat beschreven
in de WGBO en de BOPZ. Bij een veronderstelde toestemming en bij levensbedreigende
situaties is overleg met deze vertegenwoordiger niet noodzakelijk. In alle
andere gevallen vormt een schriftelijke wilsverklaring en de reconstructie
van de wens van de patiënt het uitgangspunt.
Hoofdstuk 2: Versterven en abstineren in
de praktijk
2.1. Inleiding
Na een algemene begripsbepaling in hoofdstuk
1 is het voor de beantwoording van de centrale vraag van belang om
te kijken hoe er op afdelingsniveau wordt gehandeld als het gaat om de
begrippen versterven en abstineren. Allereerst beschrijf ik in het kort
hoe de zorg is georganiseerd op een geriatrische afdeling. Dit is noodzakelijk
omdat deze organisatie zeer specifiek is en verschilt van andere verpleegafdelingen
in een algemeen ziekenhuis. Voor deze beschrijving ben ik uit gegaan van
de situatie op afdeling geriatrie (GAAZ) van Ziekenhuis Walcheren. Daarna
volgt een uitleg over de werkwijze en de verschijningsvorm van de begrippen
versterven en abstineren op een GAAZ. Verder komen de besluitvorming, het
beleid en de verschillende protocollen ten aanzien van de organisatie van
de verpleegkundige zorg aan bod. De rolverdeling is van belang omdat deze
bepalend is voor het afstemmen van het verpleegkundig handelen en de inhoud
van de verpleegkundige zorg.
2.2. De organisatie van de geriatrische
afdeling
Op een GAAZ wordt gewerkt met een multidisciplinair
behandelteam. De behandeling wordt vanuit verschillende werkvelden gestuurd
en éénmaal per week tijdens het multidisciplinair overleg
geëvalueerd en zonodig bijgesteld. Een multidisciplinaire benadering
is nodig om alle aspecten van de klinische geriatrie voldoende te
belichten. Het behandelteam bestaat uit:
·Een geriater;
.(geriatrisch-) Verpleegkundigen;
·Een maatschappelijk werker;
·Een activiteiten- begeleider;
·Een fysiotherapeut;
·Een ergotherapeut;
·Een diëtiste;
·Een neuropsycholoog;
Als gevolg van de multidisciplinaire benadering
kan het zo zijn dat meerdere disciplines, op hun eigen werkveld, bij één
en dezelfde patiënt betrokken zijn. Dit vergt een juiste afstemming
van de verschillende disciplines op elkaar. De verpleegkundigen hebben
een coördinerende taak bij deze afstemming. Zij analyseren en
observeren de zorgvraag door de reacties van de patiënt op zijn omgeving
en op zijn wijze van omgaan met het ouder worden te begrijpen en
te doorgronden. Dit kan leiden tot een verheldering van de zorgvraag.
2.3. Versterven en abstineren op een geriatrische
afdeling
Bij het merendeel van de geriatrische
patiënten die worden opgenomen op een GAAZ is er sprake van meerdere
ziektebeelden tegelijkertijd. Allereerst zal duidelijk moeten worden welke
ziektebeelden de gezondheid van de (geriatrische-) patiënt beïnvloeden.
De eerste dagen van een opname staan dan ook in het teken van diagnostiek,
het observeren van gedrag, klachtenpatroon en zelfstandig functioneren
en duidelijk krijgen hoe de patiënt in zijn dagelijks leven functioneerde.
In deze observatieperiode is het vaak nog onduidelijk welk medisch beleid
er gevoerd zal gaan worden. Als er een diagnose is gesteld en blijkt dat
een gerichte behandeling niet meer mogelijk of zinvol is komen de
begrippen versterven en abstineren in zicht. Het kan ook zo zijn dat de
lichamelijke toestand van een patiënt zo slecht is dat al direct gedacht
wordt om niet te starten met gerichte onderzoeken en of een behandeling.
Versterven is een begrip dat op een GAAZ
niet veel voorkomt. In ieder geval niet op zo’n grote schaal als in een
verpleegtehuis (zie par. 1.4.). Patiënten worden op een GAAZ primair
opgenomen om behandeld te worden. Het curatieve aspect staat voorop. Het
komt voor dat een patiënt vanuit zijn slechte lichamelijke en geestelijke
toestand bewust of onbewust voedsel en drinken weigert. Als een behandeling
medisch gezien zinvol is wordt in zo’n situatie vaak besloten tot het geven
van sondevoeding. Als een patiënt en/of zijn familie aangeeft niet
meer behandeld te willen worden of de behandeling is medisch gezien niet
zinvol meer dan zal er gesproken worden over een abstinerend beleid.
Een abstinerend beleid is in de geriatrische
geneeskunde en verpleegkunde een veelvuldig voorkomend verschijnsel. In
veel gevallen is de lichamelijke toestand van een (geriatrische-) patiënt
zo kritiek dat behandelen een grote belasting betekent voor zo’n patiënt.
Palliatief handelen (zie par. 1.4. en 1.8.), zoals pijnbestrijding, het
geven van zuurstof en het verzorgen van een zo comfortabel mogelijk ziekbed
staan dan voorop.
Omdat de begrippen versterven en abstineren
veel raakvlakken hebben zijn beide begrippen wel regelmatig onderwerp van
gesprek. Als binnen een abstinerend beleid de wil van de patiënt
om niet meer te eten en drinken wordt gerespecteerd is er deels ook sprake
van versterven.
2.4. Afdelingsbeleid en protocollen.
Vanuit het algemene ouderenbeleid ligt
het accent binnen de geriatrie op het verrichten van kwaliteitszorg.Kwaliteitszorg
ten aanzien van ouderen is gericht op het ontwikkelen van zorgconcepten
die zijn toegespitst op de behoeften van de ouderen. Zorginstellingen worden
door de kwaliteitswet aangezet tot het ondernemen van activiteiten gericht
op het verbeteren van de zorg.Deze activiteiten omvatten onder andere het
formuleren van richtlijnen, standaarden en protocollen.
Ten aanzien van de begrippen versterven
en abstineren is er beleidsmatig nog weinig ondernomen in algemene ziekenhuizen
en op geriatrische afdelingen. In de verpleeghuizen is men verder gevorderd
als het gaat om een duidelijk beleid betreffende de zorg rondom het levenseinde.Vooral
een begrip als versterven is daar meer actueel en komt vaker voor dan in
het algemeen ziekenhuis. Dit komt omdat op een GAAZ, zoals gezegd,
het curatieve aspect op de voorgrond staat. In een algemeen ziekenhuis
zijn vaak wel niet-reanimatie protocollen ontwikkelt (zie bijlage II).Vanuit
de euthanasiewet is ook een euthanasieprotocol verplicht. Door de maatschappelijke
discussie rondom de begrippen versterven en abstineren is de vraag naar
een duidelijk beleid groot. Enkele geriatrische afdelingen in algemene
ziekenhuizen hebben een abstinentieprotocol ontwikkeld (zie bijlage II).
Hierin staat precies vermeld hoe de besluitvorming verloopt en wat de verschillende
taken zijn van de verschillende disciplines. Deze abstinentieprotocollen
zijn echter meer uitzondering dan regel. Een protocol voor een begrip als
versterven is volgens mijn informatie nog op geen enkele geriatrische afdeling
in gebruik.
2.5. De besluitvorming rondom versterven
en abstineren.
Uit paragraaf. 2.2. blijkt dat bij de
besluitvorming op een GAAZ meerdere disciplines zijn betrokken. De arts
heeft de eindverantwoordelijkheid als het gaat om het staken van een onnodige
of ongewenste behandeling of het niet uitvoeren van een zinloze handeling.
Hij moet hierbij mede afgaan op de observaties van de verpleegkundigen,
de andere disciplines en de mening van de patiënt zelf. Op het medische
vlak is hij diegene die bepaald of een handeling of een behandeling medisch
zinloos is. Eventueel kan hij de mening vragen van een andere arts of artsen.
Uit het voorgaande hoofdstuk blijkt dat de wil van de patiënt of diens
wettelijke vertegenwoordiger ten alle tijden gerespecteerd moet worden.
De wil en de autonomie van de patiënt staan voorop. Daarnaast is moet
de communicatie tussen arts, verpleegkundige en de familie een belangrijke
rol innemen. In verschillende protocollen vormt de open communicatie de
leidraad om te komen tot de juiste beslissing. In hoofdstuk 3, bij de uitwerking
van de enquête, komt deze communicatie meerdere malen aan bod.
2.6. De rol van de verschillende disciplines
Ook bij beslissingen rond het levenseinde
draagt elke discipline vanuit zijn vakgebied bij aan de behandeling van
de patiënt. De moeilijkheid is dat de beslissing tot het wel of niet
staken van een behandeling of het wel of niet meer toedienen van vocht
en voeding heel gecompliceerd is. Uitgaande van de wil van de patiënt
of diens familie, de observaties van de verpleegkundigen, de meningen van
de andere disciplines en het effect van de behandeling verloopt het nemen
van zo’n beslissing over veel schijven.
De arts heeft de eindverantwoordelijk
ten aanzien van het wel of niet nemen van een medische beslissing.De verpleegkundige
observeert, verzorgt en begeleidt de patiënt en zijn familie en heeft
binnen de communicatie tussen arts en patiënt een coördinerende
rol. In de samenwerking met de andere disciplines moet de verpleegkundige
ook de coördinatie en de continuïteit verzorgen.
Om deze coördinatie en continuïteit
optimaal te laten verlopen is het van belang dat de verpleegkundige aanwezig
is bij de gesprekken die de patiënt met alle professionele hulpverleners
heeft. De maatschappelijk werker kan een belangrijke ondersteuning zijn
bij de begeleiding van de patiënt en zijn familie in het wel of niet
nemen van een beslissing ten aanzien van de behandeling. De neuropyscholoog
kan door middel van een psychologische test duidelijkheid verschaffen over
de mentale toestand van de patiënt. Ook kan zij de verpleegkundigen
begeleiden in het contact met de patiënt en diens familie.
Hoofdstuk 3: De mening van de verpleegkundigen
3.1. Inleiding
De vraagstelling van deze scriptie is
niet alleen met behulp van de theorie te beantwoorden. In de praktijk ben
ik als verpleegkundige zelf tegen onduidelijkheden aangelopen als het ging
om de begrippen versterven en abstineren. Dat wil niet zeggen dat andere
verpleegkundigen deze ervaring ook hebben. Daarom vind ik het belangrijk
hun meningen te inventariseren en met behulp daarvan een deel van de vraagstelling
te beantwoorden.
3.2. Opzet van het onderzoek
Om duidelijk te krijgen of er en in hoeverre
er bij verpleegkundigen onduidelijkheden bestaan rondom de begrippen versterven
en abstineren moet ik de mening van meerdere personen met elkaar kunnen
vergelijken. Ik heb gekozen om de meningen van de verpleegkundigen te verkrijgen
door middel van een enquête.
De enquête heb ik verspreid onder
20 verpleegkundigen en verzorgenden. Deze zijn allen werkzaam op een Geriatrische
Afdeling Algemeen Ziekenhuis (GAAZ) en komen dus in hun werk dagelijks
in contact met geriatrische patiënten. De enquête bestaat
uit zeven meerkeuze vragen, acht open vragen, twee casussen en zes
stellingen. Door een mix van verschillende soorten vraagstellingen
heb ik getracht de enquête zo aantrekkelijk mogelijk te maken voor
de geënquêteerden. Daarnaast heb ik de open vragen zo gesteld
dat de geënquêteerde alle ruimte heeft om zijn eigen mening
te kunnen verwoorden. Het is voor mij belangrijk een zo breed mogelijke
weergave van denkbeelden en opvattingen te krijgen. Vanuit de vraagstelling
van deze scriptie is dat ook noodzakelijk. De vragen heb ik volgens de
in de theorie beschreven methoden geformuleerd.
De geënquêteerde verpleegkundigen
zijn werkzaam op twee verschillende geriatrische afdelingen. De GAAZ van
het Ziekenhuis Walcheren te Vlissingen en de GAAZ van het Tweesteden Ziekenhuis
te Tilburg. Dit heb ik bewust gedaan. Alleen de antwoorden van de verpleegkundigen
van één afdeling zouden volgens mij een te éénzijdig
beeld geven.
3.3. Uitwerking van de enquête
De enquête begint met een aantal
inleidende vragen, daarna volgen de stellingen en de open vragen. In bijlage
I staan alle antwoorden van de verpleegkundigen volledig uitgewerkt. In
de volgende paragraaf geef ik de antwoorden samengevat weer aangevuld
met een indruk van de meningen van de geënquêteerde verpleegkundigen.
Van de twintig verpleegkundigen hebben
er vijftien de enquête ingevuld. Dat is een respons van 75%. Het
merendeel van verpleegkundigen vond de enquête interessant en belangrijk,
zo blijkt uit de antwoorden op vraag 20 (zie bijlage I).
3.4. Inleidende vragen
Alle verpleegkundigen zijn bekend met
de begrippen versterven en abstineren en allen hebben in hun werk als (geriatrisch-)
verpleegkundige, variërend van heel vaak tot een aantal keer, patiënten
verzorgt waarbij de begrippen versterven en abstineren van toepassing waren.
Heeft u in uw werk als verpleegkundige
wel eens patiënten verzorgd waarbij de begrippen versterven en/of
absti-neren van toepassing waren?
| Ja, heel vaak |
Ja, met regelmaat |
Ja, een aantal keer |
Nee, nog nooit |
Weet niet |
| 6 |
7 |
2 |
|
|
De publiciteit rondom de begrippen versterven
en abstineren ervaart een ruime meerderheid als negatief. Dertien van de
geënquêteerde verpleegkundigen denkt dat door de publiciteit
onduidelijkheden zijn ontstaan of worden gecreëerd als het gaat om
de begrippen versterven en abstineren. Uit de antwoorden in paragraaf 3.6
blijkt ook dat een aantal verpleegkundigen hier, in de praktijk, hinder
van ondervinden in contact met de patiënt en zijn familie.
Denkt u dat door deze publiciteit onduidelijkheden
m.b.t. de begrippen versterven en/of abstineren zijn ontstaan of worden
gecreëerd?
3.5. De stellingen
De communicatie tussen artsen en verpleegkundigen
is een belangrijk thema, zo blijkt uit de enquête. Negen verpleegkundigen
vindt dat deze communicatie wordt verstoord doordat artsen en verpleegkundigen
verschillende doelen nastreven.
De communicatie tussen artsen en verpleegkundigen,
over het al dan niet doorgaan van de medische behandeling, verloopt moeizaam
omdat artsen op een andere manier naar de patiënt kijken en verschillende
doelen nastreven
| Mee eens |
Mee oneens |
Geen mening |
| 9 |
5 |
1 |
Het begrip versterven staat bij negen verpleegkundigen
voor een waardig, respectvol en pijnloos levenseinde. Vier verpleegkundigen
zijn het hier niet mee eens (zie bijlag I). Het gebruik van verschillende
termen voor het begrip abstineren blijkt voor de verpleegkundigen onduidelijk.
Voor zes verpleegkundigen betekent palliatie, conservatief behandelen en
niet-reanimeren hetzelfde als abstineren. Uit paragraaf 1.4. blijkt dat
dit niet het geval is. Zeven verpleegkundigen zijn het dan ook niet eens
met deze stelling.
Palliatie, niet-reanimeren, love and tender
care en conservatief behandelen betekenen hetzelfde als abstineren.
| Mee eens |
Mee oneens |
Geen mening |
| 6 |
7 |
2 |
Wat betreft de wetgeving rondom het begrip
versterven zijn de meningen van de verpleegkundigen verdeeld. Zeven van
hen vinden dat er voor versterven een heldere wetgeving moet komen. Zeven
andere vinden van niet (zie bijlage I). Over het instellingsbeleid
ten aanzien van de begrippen versterven en abstineren zijn de antwoorden
éénduidiger. Twaalf verpleegkundigen vinden dat elk ziekenhuis
een eenduidig beleid moet formuleren als het gaat om de verpleegkundige
zorg rondom versterven en abstineren.
Elk ziekenhuis behoort een eenduidig beleid
te formuleren met betrekking tot de verpleegkundige zorg rondom versterven
en abstineren.
| Mee eens |
Mee oneens |
Geen mening |
| 12 |
3 |
|
De laatste stelling gaat over het nemen van
de medische beslissing tot een abstinerend beleid of tot het laten
versterven van de patiënt. Elf verpleegkundigen vinden dat het vermeende
nalaten of vooruitschuiven van deze beslissing in de praktijk tot spanningen
en frustratie leiden bij verpleegkundigen.
Vooral het vermeende nalaten of vooruitschuiven
van de medische beslissingen tot abstineren en/of versterven leidt bij
verpleegkundigen tot spanning en frustratie.
| Mee eens |
Mee oneens |
Geen mening |
| 11 |
3 |
1 |
3.6. Casusbespreking
Een onderdeel van de enquête is
een casus over abstineren en een casus over versterven die, naar
mijn idee, de complexe situatie van beslissingen rondom het levenseinde
goed weergeven. Voor de beeldvorming heb ik deze twee casussen opgenomen
in deze scriptie en geef ik in het kort weer hoe de reacties waren van
de geënquêteerde verpleegkundigen. De bijbehorende vragen en
antwoorden van de verpleegkundigen staan in bijlage I vermeld. Ik
heb onderstaande casussen overgenomen uit de literatuur en deze aangepast
aan het onderwerp en de vraagstelling van deze scriptie.
Casus 1: Abstineren
Mevrouw K.
Mevrouw K werd vanaf de Cardiologische
afdeling overgeplaatst naar de geriatrische afdeling waar ik werk. Mevrouw
K (79 jaar) had een ernstige decompensatio cordis waarvoor ze is behandeld.
De reden voor opname op de GAAZ is dat mevrouw bekend is met een beginnend
dementieel beeld, suikerziekte en slechte lever en nierfuncties. Tijdens
de overdracht vertelde de cardiologisch verpleegkundige mij dat mevrouw
in een zeer slechte toestand verkeerde. Op afdeling cardiologie was door
de arts afgesproken dat mevrouw niet meer gereanimeerd en beademd zou worden.
Mevrouw was niet aanspreekbaar, zij had een verlaagd bewustzijn en duidelijke
perifere doorbloedingsstoornissen. Zij kreeg voeding en medicatie door
een sonde.
De arts-assistent van de afdeling zei
mij in een gesprek dat het niet waarschijnlijk was dat mevrouw nog beter
zou worden. Uit de overdracht van de cardiologische afdeling, de uitspraak
van de arts-assistent en de zichtbare toestand van mevrouw trokken mijn
collega’s en ik de conclusie dat mevrouw in een terminale toestand verkeerde.
Op een gegeven moment bleek de maagsonde
van mevrouw niet goed te zitten, deze moest vervangen worden. Een maagsonde
inbrengen is een belastende handeling voor de patiënt en daar mevrouw
K. niet meer lang te leven zou hebben leek het mij weinig zinvol om dat
bij haar te doen. Ik stelde dat aan de orde in het overleg met de arts,
maar hij wilde dat de sonde toch werd ingebracht. Als argument hiervoor
gaf hij dat er een indicatie was geweest om mevrouw te behandelen op de
cardiologische afdeling en dat de behandeling nu niet zomaar gestopt kon
worden. Uiteindelijk hebben we met drie verpleegkundigen de maagsonde ingebracht.
Mevrouw K. bood verzet, ondanks haar verlaagde bewustzijn.
In de dagen die volgden werd mevrouw maximaal
conservatief behandeld. Ze kreeg injecties, er werd bloed geprikt, er werd
gestart met antibiotica, onderzoeken werden uitgevoerd, enzovoorts. In
gesprekken met de verschillende artsen die bij mevrouw kwamen varieerden
hun uitspraken over het te voeren beleid van een maximaal conservatieve
behandeling tot een ‘love and tender care’-beleid. Tot een eenduidig beleid
is het nooit gekomen, na vier dagen overleed mevrouw.
Korte weergave van de antwoorden
Vijf van de geënquêteerde verpleegkundigen
kan met zekerheid zeggen of in deze casus het begrip versterven of het
begrip abstineren centraal staat. Zes van de verpleegkundigen herkent er
geen van beide begrippen in.
Op de vraag welke gevoelens de casus bij
hen oproept antwoorden er een aantal met woorden als: onthutsing, woede,
machteloosheid en herkenning. Een aantal zou meer informatie willen hebben
over de patiënt om hun gevoelens te kunnen verwoorden. Centraal in
de antwoorden staat het gevoel van de verpleegkundigen machteloos te staan
ten opzichte van de lijdensweg van de patiënt. Negen verpleegkundigen
zou in dezelfde situatie anders hebben gehandeld en het inbrengen van de
sonde ter discussie hebben gesteld bij de arts. Zeven verpleegkundigen
zou de sonde niet hebben ingebracht en deze verantwoordelijkheid bij de
arts hebben gelaten. Aan de hand van de casus blijkt het moeilijk voor
de verpleegkundigen onduidelijkheden aan te geven. Vanuit hun praktijkervaring
zijn vooral de onzekerheid van het te voeren beleid, het moeten uitvoeren
van in hun ogen belastende handelingen zonder effect of toekomstperspectief
voor de patiënt en het niet serieus nemen van de visie van de verpleegkundige,
zaken die onduidelijk zijn en onduidelijkheden creëren. Het verschil
tussen wat je als verpleegkundige weet en wat je voelt speelt voor een
aantal ook een grote rol. De onduidelijkheden hebben veelal effect op de
kwaliteit van de verpleegkundige zorg waardoor het moeilijk wordt de coördinatie
en continuïteit te waarborgen, was één van de opmerkingen.
Dit heb ik zelf ook ervaren in de praktijk.
Casus 2: Versterven
Meneer van D.
Meneer van D. (87 jaar) werd op de geriatrische
afdeling opgenomen met als opname indicatie: slechte voedingstoestand,
ernstige gewichtsafname en verwaarlozing. We kennen meneer al van eerdere
opnames waarin zijn sombere stemming centraal stond. Meneer is bekend met
gemetastaseerd prostaatcarcinoom dat niet meer te behandelen is.
Tijdens het opnamegesprek zie ik een vermoeide,
magere en zieke man. Praten is nauwelijks mogelijk omdat meneer hier te
zwak voor is. Zijn dochters doen het woord en proberen zo goed mogelijk
te vertellen wat er de afgelopen weken is gebeurd. Meneer is steeds minder
gaan eten en drinken en heeft meerdere keren aangegeven dat het leven voor
hem geen betekenis meer heeft. Als het aan de dochters had gelegen was
meneer al veel eerder naar het ziekenhuis gegaan voor opname, maar meneer
heeft dit steeds tegen weten te houden.
De geriater onderzoekt meneer en constateert
ernstige en levensbedreigende afwijkingen in het bloed. Met medicatie,
infusie, sondevoeding en meerdere belastende onderzoeken is er hoop op
herstel. In overleg met de dochters wordt besloten tot dit beleid. Als
blijkt dat meneer niet wil meewerken en zijn maagsonde en infuusnaald eruit
haalt verzoek ik de geriater nogmaals met de dochters en met meneer te
praten. Mijn collega’s en ik zijn het niet eens met gevoerde beleid. Na
enkele gesprekken met meneer en zijn dochters blijkt dat meneer het liefst
naar huis zou willen om daar te sterven. Naar wij later hebben vernomen
heeft meneer thuis niets meer gegeten en nauwelijks gedronken en is hij
twee weken later overleden. Met hulp van de huisarts, thuiszorg, familie
en vrienden is meneer langzaam weggezakt en heeft hij nauwelijks pijn gehad.
Korte weergave van de antwoorden
In deze casus vinden de verpleegkundigen
vooral dat beide begrippen centraal staan. Drie van de verpleegkundigen
ziet het begrip versterven in deze casus en drie het begrip abstineren.
Op de vraag welke argumenten de verpleegkundige zou aanvoeren in gesprek
met de arts is vooral de wil en de wens van de patiënt een veel gebruikt
argument.
Daarnaast vindt een aantal verpleegkundigen
de kwaliteit van leven een belangrijk gegeven. Verder wordt er gewezen
op de multidisciplinaire samenwerking, communicatie tussen de disciplines
en op het effect van de behandeling. Als de patiënt bekend zou zijn
met een dementieël syndroom maakt dat voor het merendeel van de verpleegkundigen
wel degelijk verschil wat betreft de besluitvorming. Zes verpleegkundigen
denken dat het besluit ook bij een wilsonbekwame patiënt op dezelfde
wijze zou zijn genomen. Zeven verpleegkundigen geven aan dat zij
denken dat in dit geval de patiënt niet naar huis zou zijn gegaan
omdat hij niet in staat is tot het nemen van een beslissing. De besluitvorming
zou in dit geval moeten verlopen via de familie en aan de hand van de wil,
het gedrag of een wilsverklaring van de patiënt van toen hij nog wel
wilsbekwaam was. Op de vraag wat volgens de geënquêteerde
verpleegkundigen de verpleegkundige taken zijn rondom de begrippen versterven
en abstineren komen vooral de begeleiding van de patiënt en zijn familie,
goed rapporteren en observeren en zorgdragen voor een goede communicatie
met arts en andere disciplines naar voren. Specifieke taken voor de verpleegkundige
rondom de zorg bij versterven en abstineren worden weinig genoemd. Bij
versterven is het wel aanbieden van vocht en voeding maar dit niet opdringen
een veel gegeven antwoord. Bij abstineren blijkt vooral overleg met de
arts over het te voeren beleid belangrijk voor de geënquêteerde
verpleegkundigen.
Hoofdstuk 4: Onduidelijkheden in de verpleegkundige
zorg rondom het levenseinde
4.1. Inleiding
In dit hoofdstuk komen de onduidelijkheden
rondom de verpleegkundige zorg bij de begrippen versterven en abstineren
aan bod. Vanuit de theorie, de antwoorden uit de enquête en mijn
praktijkervaring geef ik in de volgende paragrafen weer welke onduidelijkheden
de verpleegkundige zorg belemmeren. Allereerst beschrijf ik wat professioneel
verpleegkundig handelen inhoudt, als het gaat om de begrippen versterven
en abstineren. Het beschrijven van een ideale situatie van verpleegkundig
handelen rondom de begrippen versterven en abstineren is noodzakelijk om
onduidelijkheden en belemmerende factoren gericht weer te kunnen geven.
In paragraaf 4.3. staan de door mij gesignaleerde factoren die deze onduidelijkheden
veroorzaken puntsgewijs genoemd. De volgende paragrafen gaan dieper
in op een aantal factoren die onduidelijkheden rondom de begrippen versterven
en abstineren veroorzaken of versterken. Het merendeel van deze factoren
en onduidelijkheden hebben invloed op elkaar. Alle factoren zullen dus
direct of indirect aan bod komen. Dit hoofdstuk geeft, samen met
hoofdstuk 3, het antwoord op de vraagstelling van deze scriptie.
4.2. Professioneel verpleegkundig handelen
Vanuit de antwoorden van de geënquêteerde
verpleegkundigen, de theorie en mijn praktijk-ervaring beschrijf ik in
deze paragraaf aan welke voorwaarden verpleegkundige handelen in situaties
rond de zorgvraag van de (geriatrische-) patiënt in zijn laatste levensfase
minimaal moet voldoen. Onderstaande voorwaarden zijn niet specifiek voor
het verpleegkundig handelen ten aanzien van de begrippen versterven en
abstineren. Het merendeel hebben de verpleegkundigen zelf aangegeven als
antwoord op vragen in de enquête (zie bijlage I) en een aantal voorwaarden
zijn afgeleid van het verpleegkundig handelen bij euthanasie en palliatieve
zorg. Uit de volgende paragrafen zal blijken of en in hoeverre er, ten
aanzien van de begrippen versterven en abstineren, wordt voldaan aan deze
algemene voorwaarden.
Voorwaarden voor het verpleegkundig handelen:
-De verpleegkundige dient voorwaarden
te scheppen zodat patiënten en/of hun familie weloverwogen beslissingen
kunnen nemen. De patiënt en zijn familie moet kunnen beslissen op
basis van relevante informatie betreffende hun ziekte en vooruitzichten.
In overleg tussen artsen en verpleegkundigen moet duidelijk zijn wie welke
informatie geeft, op welke manier en in wiens aanwezigheid;
-De verpleegkundige moet op de hoogte
zijn van de maatschappelijke, ethische, juridische en medische aspecten
rondom de begrippen versterven en abstineren;
·Verpleegkundigen dienen op de
hoogte zijn van de wettelijke bepalingen die een leidraad vormen voor het
verpleegkundig handelen, zoals de WGBO, de BIG en de BOPZ;
·De verpleegkundige moet zorgdragen
voor een juiste verslaglegging van de verpleegkundige observaties, zodat
in overleg met de arts de belangen van de patiënt optimaal kunnen
worden vertegenwoordigd;
·De verpleegkundige respecteert
altijd de wil en de autonomie van de patiënt. Ook bij de wilsonbekwame
patiënt dient dit het geval te zijn;
·In gesprek met de patiënt
en zijn familie dient de verpleegkundige mogelijkheden te creëren
voor een open en vertrouwelijk gesprek. De verpleegkundige draagt zorg
voor de juiste coördinatie en continuïteit in het kader van de
begeleiding van de patiënt en zijn familie. Gesprekken moeten in overleg
worden georganiseerd, zodat voortdurend rechtstreekse communicatie mogelijk
is, onderling en richting artsen en andere hulpverleners;
·Binnen de organisatie van de GAAZ
dienen de begrippen versterven en abstineren en de daarbij behorende taken
voor de verschillende disciplines duidelijk te zijn omschreven;
·Beslissingen ten aanzien van het
wel of niet staken van een behandeling of de beslissing tot het niet meer
aanbieden van vocht en voeding dient altijd in overleg met alle betrokkenen
te geschieden.
4.3. Onduidelijkheden in de zorg aan de
patiënt
Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat
er onduidelijkheden bestaan en kunnen ontstaan als het gaat om de verpleegkundige
zorg rondom de begrippen versterven en abstineren. Het zijn onduidelijkheden
die door allerlei factoren worden veroorzaakt of beïnvloed. Deze onduidelijkheden
kunnen niet los van elkaar worden gezien, omdat ze elkaar ook beïnvloeden.
De volgende factoren zijn bepalend bij
het ontstaan van eventuele onduidelijkheden:
·De maatschappelijke discussie
en de media creëren een negatief beeld als het gaat om de verpleegkundige
zorg rondom de begrippen versterven en abstineren. Uit de enquête
en mijn eigen praktijkervaring blijkt dat de communicatie met de patiënt
en zijn familie hierdoor wordt verstoord;
·Omdat de begrippen versterven
en abstineren vallen onder professioneel medisch en verpleegkundig handelen
ontbreekt er een eenduidige regelgeving zoals bijvoorbeeld de euthanasiewet;
·Wetten ten aan zien van de verpleegkundige
zorg, zoals de WGBO, de BIG, de BOPZ en de verpleegkundige beroepscodes
blijken vaak niet als leidraad gebruikt te kunnen worden. Verpleegkundigen
handelen in veel gevallen in strijd met de bepalingen zoals deze zijn beschreven.
Opkomen voor de belangen van de patiënt blijkt in de praktijk moeilijk
te verwezenlijken, als het gaat om de begrippen versterven en abstineren;
·Op instellingsniveau ontbreekt
vaak een eenduidig beleid. Het handelen van de verpleegkundigen is veelal
afhankelijk van de individuele inzichten van elke verpleegkundige apart.
Omdat elke verpleegkundige niet hetzelfde denkt en voelt zal het handelen
onderling verschillen;
·Voor verpleegkundigen blijkt het
niet altijd duidelijk te zijn wat de begrippen versterven en abstineren
inhouden. In de praktijk worden allerlei begrippen door elkaar gebruikt.
Dit is verwarrend voor de patiënt, zijn familie en de verpleegkundigen
zelf.
·De communicatie met de arts en
andere disciplines blijkt voor de verpleegkundigen moeilijk. De verpleegkundige
staat minder sterk in deze communicatie omdat zij de patiënt voorop
stellen en niet de behandeling;
·Het tegelijkertijd opkomen voor
de belangen van de patiënt en het toch uit moeten voeren van belastende
handelingen veroorzaakt tegenstrijdige gevoelens bij de verpleegkundigen;
·Vooral bij wilsonbekwame (geriatrische-)
patiënten is het voor de verpleegkundigen onduidelijk hoe het besluit
tot versterven en/of abstineren kan of moet worden genomen en welke rol
de verpleegkundige hier in kan en mag spelen.
4.4. De maatschappelijke discussie
Dat de media als een negatieve factor
geld, rondom de begrippen versterven en abstineren, heb ik al een aantal
keer benoemd. Uit de enquête blijkt dat verpleegkundigen dit in de
prak-tijk ook als dusdanig ervaren. Daarom vind ik het belangrijk om hier
wat dieper op in te gaan.
Veel professionele hulpverleners zijn
milder als het gaat om de gang van zaken rondom versterven en abstineren.
Uit de enquête blijkt ook dat het merendeel van de verpleeg-kundigen
een begrip als versterven vergelijken met een respectvolle en waardige
dood. Uit een rapporten van de NVVA blijkt dat de zorg rondom het levenseinde
in verpleegtehuizen redelijk tot goed kan worden geregeld.Versterven vergelijken
met euthanasie wordt zelfs van de hand gewezen door het Ministerie van
VWS. Toch ervaren de geënquêteerde verpleegkundigen, en ik zelf,
dat in gesprek met de patiënt en zijn familie hun mening over versterven
en/of abstineren wel voor een deel is bepaald door de aandacht in de media.
Familie raakt verward door de veelal negatieve aandacht en in het geval
van een wilson-bekwame demente (geriatrisch-) patiënt en is het wel
deze familie die een belangrijk aandeel heeft in het nemen van de uiteindelijke
beslissing. Voor verpleegkundigen betekent dat gesprekken rondom het levenseinde
worden bemoeilijkt en een nog meer professionele aanpak behoeven. Dit kost
meer energie, ervaring en vereist een zeer goede coördinatie van de
gehele zorg op een geriatrische afdeling.
4.5. Verpleegkundige vraagstukken
Uit de theorie en de enquête blijkt
duidelijk dat omgaan met het levenseinde van de patiënt voor (geriatrisch-)verpleegkundigen
een gevoelige kwestie is. De verpleegsituatie in de geriatrie is veelal
te complex voor een duidelijke analyse van de zorgvraag op korte termijn.
Een levensbedreigende situatie, zoals tekort aan vocht met gevaar voor
uitdroging, vragen om direct ingrijpen van de (geriatrisch-) verpleegkundige.
Om gericht te kunnen handelen in een levensbedreigende situatie dient er
duidelijkheid te zijn over het te voeren beleid.
Uit de enquête blijkt dat
de afwezigheid van zo’n beleid een belangrijke factor kan zijn bij het
ontstaan van onduidelijkheden. De verpleegkundige handelt, bij het ontbreken
van duidelijke afspraken ten aanzien van wel of niet behandelen, vanuit
individueel inzicht. Een verschil van inzicht over wat de begrippen abstineren
en versterven inhouden en welke verpleegkundige zorg hierbij vereist is
kan in zo’n situatie leiden tot het verkeerd inschatten van de zorgvraag.
Om de zorgvraag duidelijk te krijgen zijn coördinatie en continuïteit
van de verpleegkundige zorg een vereiste. Uit de enquête blijkt dat
verpleegkundigen de twee casussen verschillend interpreteren en niet eenduidig
zijn als het gaat over het gebruik van deze begrippen in relatie met de
zorgvraag van de patiënt. Het feit dat de begrippen versterven en
abstineren veel raakvlakken hebben verklaart een deel van het niet goed
interpreteren van deze zorgvraag.
Het gevoel van de verpleegkundigen ten
opzichte van de toestand van de patiënt en het moeten uitvoeren van,
in hun ogen, nutteloze en belastende handelingen is heel moeilijk. Dit
leidt in de meeste situaties tot een moreel dilemma voor de verpleegkundige
(zie par. 1.6.). Verpleegkundigen blijken te worstelen met hun gevoelens
en dat veroorzaakt innerlijke onrust en verwarring. Vanuit de WGBO en de
beroepscode dient de verpleegkundige op te komen voor de belangen van de
patiënt. In de praktijk komt het veelvuldig voor dat verpleegkundigen
niet op kunnen of durven komen voor de patiënt. Ondanks dat ze gevoelsmatig
een handeling niet uit willen voeren of de behandeling niet ondersteunen
komt het voor dat de verpleegkundige wel de arts assisteert. De situatie
in casus 1 van paragraaf 3.6. is hier een voorbeeld van. Het merendeel
van de verpleegkundigen hebben wel eens zo’n situatie meegemaakt. Ondanks
dat de meerderheid zegt dat ze de sonde niet in zouden brengen heb ik zelf,
in de praktijk, anders meegemaakt.
Handelen of niet handelen bij wilsonbekwame
(geriatrische-) patiënten blijkt ook verwarrend en onduidelijk te
zijn voor (geriatrische-) verpleegkundigen. Een groot deel van de geënquêteerde
verpleegkundigen zou een verbaal of non-verbaal verzoek om niet te handelen,
van een wilsonbekwame patiënt, niet honoreren. In verpleeghuizen blijkt
dit aspect veel minder aan de orde te zijn. Het merendeel van de verpleegkundigen
vindt in dit geval het juridische aspect zwaarder wegen dan de wil en de
autonomie van de (geriatrische-) patiënt.
Juist de autonomie en de wil van de patiënt
is een belangrijk aspect is binnen de geriatrische verpleegkunde. Bij een
wilsbekwame patiënt is een beslissing om niet te handelen veel makkelijker,
zo blijkt uit de reacties in de enquête op de twee verschillende
casussen. Dat er juist in deze situaties vaak een beroep wordt gedaan op
de kennis en kunde van de (geriatrisch-) verpleegkundige, blijkt uit de
volgende paragraaf.
4.6. Het contact met de patiënt en
zijn familie
Een verpleegkundige staat in nauw contact
met de patiënt en zijn familie. Vooral als de patiënt in slechte
lichamelijke conditie verkeert is er de gehele dag door verbaal en non-verbaal
contact. Op veel vragen kan een verpleegkundige vaak geen antwoord geven,
omdat deze over medische zaken gaan. Toch wordt er van de verpleegkundige
verwacht dat hij hier adequaat op reageert.
Bij een wilsonbekwame patiënt wil
de familie in sommige gevallen de behandeling doorzetten terwijl de verpleegkundige
uit ervaring weet dat deze behandeling alleen het leven van de patiënt
zal rekken. Het blijkt heel moeilijk te zijn voor een verpleegkundige om
de patiënt en zijn familie van gerichte informatie te voorzien als
het gaat om de behandeling en de consequenties van het wel of niet staken
van deze behandeling. Vanuit ethisch opzicht kun je hier spreken van een
moreel dilemma voor de verpleegkundige. Ondanks het feit dat de patiënt
wilsonbekwaam is wil deze misschien niet dat de behandeling wordt voortgezet,
echter de familie wil dit wel. Hier kan de verpleegkundige niet of nauwelijks
opkomen voor de belangen van de patiënt, omdat de mening van de familie
en de arts, in de praktijk, vaak de doorslag geven. Veel verpleegkundigen
vinden, zo blijkt uit de enquête, dat een wilsonbekwame patiënt
niet in staat is tot het nemen van een juiste beslissing. Toch kan een
verpleegkundige wel degelijk op komen voor de belangen van zo’n patiënt.
De verpleegkundige kan zorgen voor duidelijke informatie aan de familie
en het open houden van een goede communicatie met de arts. Toch ervaren
verpleegkundigen dit als een tekort schieten in hun zorgverlening en zouden
ze gevoelsmatig veel meer willen betekenen voor de patiënt.
4.7. De samenwerking met de arts en andere
disciplines
De arts heeft bij de uiteindelijke beslissing
tot het wel of niet uitvoeren van een behandeling en hierbij behorende
handelingen een belangrijke stem. Verpleegkundigen staan minder sterk in
het contact met de arts, waardoor een behandeling of handeling vaak wel
wordt uitgevoerd.
Verpleegkundigen, zo blijkt uit de enquête,
vinden deze situaties verwarrend en frustrerend en weten niet precies hoe
ze moeten en kunnen handelen.
Een verpleegkundige heeft over het algemeen
een intensief contact met de patiënt en kijkt meer op gevoelsniveau
naar de patiënt en zijn situatie. In de praktijk is het vaak zo dat
een arts meer op het curatieve vlak denkt en kijkt naar de patiënt.
Verpleegkundigen houden zich primair bezig met de gevolgen die de ziekte
en dus ook de behandeling voor de patiënt heeft. Hierdoor zal een
verpleegkundige de belasting van de behandeling in het algemeen eerder
opmerken dan artsen. Uit de theorie en de enquête blijkt dat verpleegkundigen
zich eerder dan artsen afvragen of doorbehandelen nog zinvol is. Vooral
het vermeende nalaten of vooruitschuiven van die beslissing leidt in de
praktijk tot spanningen, verwarring en onduidelijkheden.[74] Ondanks dat
de verpleegkundigen sommige opdrachten, zoals het inbrengen van een sonde,
nutteloos vinden, voeren ze deze vaak wel uit. Het merendeel weet of beseft
niet dat ze in dergelijke situaties een opdracht van een arts mogen weigeren.
Een verpleegkundige mag en kan altijd een discussie aangaan met de behandelend
arts over het te voeren beleid. Uit de enquête blijkt dat een aantal
verpleegkundigen dit ook zeker zou doen. Toch weet ik uit ervaring dat
dit in de praktijk moeilijk is. De arts is de specialist en kan in gesprek
allerlei objectieve gegevens aanvoeren om zijn beleid te verdedigen. Een
verpleegkundige heeft alleen de beschikking over meer subjectieve observaties
van het gedrag van de patiënt. Als deze observaties niet juist worden
gerapporteerd of niet eenduidig zijn door verschillende inzichten van individuele
verpleegkundigen kunnen deze gegevens makkelijk worden weerlegd door de
arts. Als het team van verpleegkundigen op één lijn zitten
wat betreft de zorg aan de patiënt maakt dat een gesprek over het
te voeren beleid veel gemakkelijker. Het op één lijn zitten
en een goede coördinatie en continuïteit zijn ook voor de geënquêteerde
verpleegkundigen heel belangrijk. Als dan blijkt dat artsen nog niet bereid
zijn om naar de mening en de visie van de verpleegkundigen te willen luisteren
is dat een erg frustrerende factor in de samenwerking.
Conclusie
Na het schrijven van deze scriptie over
de onduidelijkheden rondom de begrippen versterven en in hoeverre deze
onduidelijkheden professioneel verpleegkundig handelen in de weg staan,
ben ik tot de conclusie gekomen dat er legio factoren zijn die de verpleegkundige
zorg rondom het levenseinde van de geriatrische patiënt belemmeren
of kunnen belemmeren. De begrippen versterven en abstineren liggen gevoelig
en blijken moeilijk onder te brengen in een duidelijk beleid, duidelijke
wetgeving of een duidelijk protocol. Het zijn begrippen die te maken hebben
met stervensbeleiding en de dood. Verpleegkundige zorg aan stervende patiënten
en hun familie is complex en vereist een professionele aanpak. In contact
met de geriatrische patiënt is omgaan met de dood en het levenseinde
heel normaal. Voor een (geriatrisch-) verpleegkundige is het dan ook een
dagelijkse bezigheid. De maatschappelijke discussie rondom de begrippen
versterven en abstineren en het levenseinde in het algemeen, zijn niet
bevorderend. Het roept veel vragen, verwarring en onduidelijkheden op bij
patiënten, familie en professionele hulpverleners.
Gerichte wettelijke bepalingen rondom
de begrippen versterven en abstineren zijn er niet. Deze twee begrippen
vallen binnen de medische deskundigheid van de arts en andere professionele
hulpverleners. De verpleegkundige heeft in haar beroep te maken met een
aantal algemene wetten, zoals de WGBO, de BIG en de BOPZ (zie par. 1.7).
Deze wettelijke bepalingen zijn niet eenduidig als het gaat om professioneel
verpleegkundig handelen rondom het levenseinde van de (geriatrische-) patiënt.
Dit geldt ook voor de verschillende de beroepscodes die zijn opgesteld
om als leidraad te dienen voor de verpleegkundigen. De verpleegkundige
blijkt in de praktijk te worstelen met zijn gevoelens in relatie met betrekking
tot deze wettelijke bepalingen en beroepscodes.
De arts heeft de eindverantwoordelijkheid
als het gaat om de behandeling van de (geriatrische-) patiënt. Het
is in de praktijk niet duidelijk welke rol de verpleegkundige hier in kan
en mag spelen. In het werk op een geriatrische afdeling zijn de rollen
van de verschillende disciplines vaak niet in een beleid verwoord. Dit
is hetzelfde als het gaat over de beslissing tot een abstinerend beleid
of een beleid rondom het begrip versterven. De communicatie tussen de (geriatrisch-)
verpleegkundige en de (geriatrische-) patiënt en zijn familie wordt
door al deze onduidelijkheden bemoeilijkt en verstoord.
Aan de in paragraaf 4.2. verwoorde algemene
voorwaarden en de beroepscode zoals verwoord in paragraaf 2.6 blijkt nauwelijks
te kunnen worden voldaan. Als in de praktijk van de verpleegkundige specifieke
en gerichte zorg wordt verwacht levert dat dus problemen en onduidelijkheden
op. Het merendeel van de geënquêteerde verpleegkundigen ervaart
in de praktijk deze onduidelijkheden, maar kan niet duidelijk verwoorden
wat ze inhouden. Middels deze scriptie heb ik een aantal van deze onduidelijkheden
in kaart kunnen brengen. Doordat de enquête zich richt op een geselecteerde
onderzoeksgroep en vooral bestaat uit open vragen is het trekken van conclusies
beperkt. Duidelijk is dat professioneel verpleegkundig handelen ten aanzien
van de begrippen versterven en abstineren kan worden geoptimaliseerd als
inzichtelijk wordt welke factoren het verpleegkundig handelen belemmeren.
Alle geënquêteerde verpleegkundigen vonden het heel verhelderend
om zich inhoudelijk te verdiepen in de begrippen versterven en abstineren.
Hieruit zou ik kunnen concluderen dat dit in de praktijk onvoldoende gebeurt.
Dit kan ik echter niet met zekerheid zeggen.
Ondanks dat deze scriptie nog veel vragen
op zal roepen vind ik dat de vraagstelling van deze scriptie voldoende
is beantwoord. Verpleegkundigen die werkzaam zijn op een GAAZ kunnen middels
deze scriptie veel informatie verkrijgen over de begrippen versterven en
abstineren. Dit zal bijdragen aan het optimaliseren van het professioneel
verpleegkundig handelen.
Samenvatting
Deze scriptie is opgebouwd vanuit de centrale
vraag in hoeverre onduidelijkheden rondom de begrippen versterven en abstineren
professioneel verpleegkundig handelen in de weg staan. In de praktijk van
het werken op een geriatrische afdeling ben ik zelf tegen een aantal onduidelijkheden
aangelopen en voelde ik me hierdoor belemmerd in mijn professioneel verpleegkundig
handelen.
Het begint met een begripsbepaling van
de begrippen versterven en abstineren. Door de toename van het aantal ouderen
in onze maatschappij is specialistische zorg noodzakelijk. In contact met
de geriatrische patiënt is omgaan met sterven, het levenseinde en
de dood een veelvuldig voorkomend verschijnsel. Versterven wordt omschreven
als: “bewust of onbewust het stervensproces aangaan door niet meer te eten
en te drinken” en abstineren als: “het staken van zinloos medisch of levensverlengend
handelen”. Een maatschappelijke discussie rondom de begrippen versterven
en abstineren is zeer actueel. In de media worden versterven en/of abstineren
regelmatig vergeleken met euthanasie. Kijkend naar de juridische aspecten
rondom deze begrippen blijkt dit niet juist te zijn. Versterven en abstineren
vallen onder professioneel medisch en verpleegkundig handelen. Het zijn
begrippen die vanuit ethisch oogpunt veel vragen oproepen. Verpleegkundigen
staan in direct contact met de patiënt en in situaties waarin twijfels
zijn over de wil van de verpleegde is er snel sprake van morele dilemma’s.
In de beroepscode voor verpleegkundigen en een aantal wettelijke bepalingen,
zoals de WGBO staat de wil van de patiënt voorop. De verpleegkundige
moet opkomen voor de belangen van de patiënt en zijn wil dient altijd
te worden gerespecteerd.
De organisatie van een geriatrische afdeling
(GAAZ) is specifiek omdat gewerkt wordt met een multidisciplinair team.
Om de reacties van de (geriatrische-) patiënt te observeren en zijn
wijze van omgaan met het ouder worden te begrijpen en te doorgronden is
dit noodzakelijk. Ten aanzien van de begrippen versterven en abstineren
is beleidsmatig nog weinig ondernomen op geriatrische afdelingen. Vanuit
het algemene ouderenbeleid wordt dit wel gestimuleerd. De besluitvorming
rondom de begrippen versterven en abstineren is moeilijk en complex, omdat
er meerdere disciplines bij betrokken zijn. De rol van de arts is duidelijk.
Deze heeft de eindverantwoordelijkheid
ten aanzien van het wel of niet nemen van een medische beslissing.
De verpleegkundige observeert, verzorgt
en begeleidt de patiënt en zijn familie. Binnen de communicatie tussen
de arts en de patiënt en andere disciplines neemt de verpleegkundige
een centrale rol in. Versterven komt minder voor dan abstineren. Toch hebben
deze begrippen zoveel raakvlakken dat beide regelmatig onderwerp zijn van
gesprek. In een enquête aan twintig (geriatrisch-) verpleegkundigen
blijkt dat zij ook regelmatig tegen onduidelijkheden aanlopen. Het
moeten uitvoeren van, in hun ogen, belastenden en nutteloze handelingen
bij de geriatrische-patiënt roept veel vragen bij hen op. Het in kaart
brengen van de onduidelijkheden rondom de begrippen versterven en abstineren
vinden ze allen erg belangrijk.
Professioneel verpleegkundig handelen
aan patiënten waarbij de begrippen versterven en abstineren van toepassing
zijn is moeilijk concreet te maken. Vanuit de beroepscode, wettelijke bepalingen
en verpleegkundig handelen bij euthanasie kunnen wel algemene voorwaarden
worden gesteld. In de praktijk blijkt nauwelijks te kunnen worden voldaan
aan deze algemene voorwaarden. De maatschappelijke discussie heeft een
negatieve invloed op het contact met de patiënt en de verpleegkundige
ondervindt hier hinder van. In contact met de arts staat een verpleegkundige
minder sterk omdat deze meer kijkt naar de belangen van de patiënt
dan naar het effect van de behandeling. Verpleegkundigen beseffen vaak
niet dat ze mogen weigeren om in een behandeling te participeren.
Nawoord
Ondanks dat de begrippen versterven en
abstineren en de hierbij behorende verpleegkundige zorg een actueel onderwerp
is, heb ik het schrijven van deze scriptie als moeilijk ervaren. Het onderwerp
bleek gecompliceerd en moeilijk te verwoorden. Toch denk ik dat ik de vraag-stelling
voldoende heb beantwoord.
Ik hoop dat voor (geriatrisch-) verpleegkundigen
deze scriptie inzichtelijk maakt met welke onduidelijkheden ze te maken
kunnen krijgen in de verpleegkundige zorgen aan (geriatrische) patiënten
waarbij de begrippen versterven en abstineren van toepassing zijn. Zelf
heb ik het schrijven van deze scriptie als zodanig ervaren. |