Wat is dementie
Onderdeel van www.ziekenverzorgende.nl
Alles over zorg


Lees ook de weblog van  
ziekenverzorgende.nl op 
www.manindezorg.nl
 Wat is dementie? 
Dementie is geen ziekte maar een klinisch syndroom of een geheel van symptomen dat door verschillende ziekten kan veroorzaakt worden.  
Dementie is steeds het gevolg van een hersenaandoening en komt meer voor naarmate men ouder wordt. Dementie is echter nooit het gevolg van oud worden op zich, ook bij jongere mensen (onder 65 jaar) komt dementie voor. Trouwens, zeker 75% van de hoogbejaarden wordt gelukkig niet dement.  
   
In de eerste helft van de twintigste eeuw werd de benaming dementia praecox soms gebruikt om bepaalde geestesziekten aan te duiden die geen enkel verband hebben met wat thans dementie genoemd wordt. Bij het lezen van publikaties uit deze periode kan dit tot misverstanden leiden.  
   
De Internationale Classificatie van Ziekten van de Wereldgezondheidsorganisatie (ICD), omschrijft dementie als volgt:  
" Dementie is een syndroom tengevolge van een hersenaandoening, meestal chronisch of progressief van aard, waarbij er een verstoring is van multiple corticale hersenfuncties, zoals geheugen, denken, oriëntatie, begripsvermogen, rekenen, taal en beoordelingsvermogen. Er is geen verminderde bewustzijnstoestand. Verlies van deze verstandelijke functies gaat meestal gepaard met, of in minder mate voorafgegaan door, een deterioratie van emotionele controle, sociaal gedrag en motivatie."  
   
Het aantal demente personen in België wordt geschat op ongeveer 110.000. In het jaar 2010 verwacht men, indien geen preventieve of curatieve behandeling gevonden wordt, een toename tot 138.000.  
   
De prevalentie geeft het totaal aantal personen in een bepaalde populatie aan die op een bepaald moment aan een aandoening lijden. Het prevalentiecijfer is de indicator voor de algemene impact van een ziekte voor de maatschappij en helpt een schatting te maken van de te investeren middelen. De prevalentie van dementie neemt exponentieel toe met de leeftijd, met andere woorden de kans voor een persoon om dementie te ontwikkelen, neemt toe met de leeftijd.  
   
De incidentie geeft het aantal nieuwe gevallen aan per 1000 inwoners, per jaar. Economisch gezien laat de incidentie toe een voorspelling te maken van hoeveel middelen er zullen moeten worden vrijgemaakt, om diagnose en eventuele behandeling van de nieuwe gevallen te financieren. Ook de incidentie stijgt naarmate de leeftijd toeneemt, zij het in veel minder sterke mate dan de prevalentie.  
   
De meest voorkomende vorm van dementie is de ziekte van Alzheimer, die de oorzaak zou zijn van 50 à 60% van dementering bij ouderen. Wellicht is de ziekte van Alzheimer, en de hersenatrofie die haar kenmerkt, het eindresultaat van uiteenlopende, nog onbekende oorzaken. In sommige gevallen is de ziekte genetisch bepaald.  
   
Met een aandeel van 20% komt vasculaire dementie op de tweede plaats. Bij vasculaire dementie treedt een degeneratie van het hersenweefsel op, als gevolg van een slechte bloedtoevoer naar de hersenen.  
Tenslotte zijn er nog een reeks andere aandoeningen die dementie kunnen veroorzaken. Hierover vind je meer informatie bij vormen van dementie.  
   
Het verloop van dementie wordt meestal gekenmerkt door een geleidelijk begin en een progressieve achteruitgang. De patiënt gaat geleidelijk, met tussenpozen of snel achteruit. Na verloop van tijd treden steeds meer symptomen op en wordt de toestand van demente persoon steeds slechter. Dit geldt voor de meeste vormen van dementie, zoals de ziekte van Alzheimer. Maar een dementiesyndroom kan ook stationair zijn, bijvoorbeeld bij patiënten met een ernstig verstandelijke stoornis en gedragsstoornissen ten gevolge van een hersentrauma.  
   
Pseudo-dementie  
Problemen met het geheugen of ongewoon gedrag betekent niet noodzakelijk dat men te maken heeft met dementie. Tal van andere oorzaken kunnen dementiesymptomen veroorzaken. Zelfs gehoor- of gezichtsproblemen kunnen bij oudere mensen symptomen van verwardheid veroorzaken. Wanneer iemand slecht hoort of ziet, kan het immers lijken dat dingen fout worden herkend of anders worden gehoord, dat iemand niet of minder reageert tijdens gesprekken of op externe gebeurtenissen, terwijl de persoon niet aan dementie lijdt. Door een aangepaste behandeling kunnen de symptomen van verwardheid verdwijnen en stopt het als abnormaal beoordeelde gedrag.  
Bij ongeveer 10% is er sprake van pseudo-dementie. De stelselmatige achteruitgang van het onmiddellijk geheugen, zonder bijkomende intellectuele problemen die het normale dagelijkse leven lastig maken, kan een gewoon ouderdomsverschijnsel zijn. Men spreekt geregeld van milde cognitieve stoornis (mild cognitive impairment) die echter niet noodzakelijk leidt tot dementie. Gelijkaardige symptomen kunnen ook voorkomen bij depressie.  
   
Klinisch verloop van dementie  
De actuele, algemeen geldende richtlijnen voor de identificatie van psychiatrische stoornissen, de DSM-IV (Diagnostic and Statistical Manual, vierde versie, 1994), beschrijven de criteria voor de graad van dementie.  
   
Milde dementie.  
Hoewel werk of sociale activiteiten in belangrijke mate belemmerd zijn, kan de patiënt nog zelfstandig wonen. De demente kan de dagelijkse routinehandelingen voor de persoonlijke verzorging (wassen, aan- en uitkleden) nog zelf uitvoeren en beschikt nog over een betrekkelijk intact verstandelijk vermogen. Er is begeleiding nodig.  
   
Matige dementie.  
Het wordt steeds moeilijker om dagelijkse handelingen zelfstandig uit te voeren. De cognitieve stoornissen worden steeds erger: de geheugenproblemen worden groter, praten en begrijpen worden erg moeilijk. Bij matige dementie is zelfstandig wonen riskant. Toezicht en verzorging is noodzakelijk.  
   
Ernstige dementie.  
In deze fase kan de demente niet veel meer. Hij/zij praat niet meer, begrijpt nog maar zeer weinig, herkent niemand meer. Bij alles wat de zieke doet, is er nu hulp nodig. Mensen kunnen incontinent worden en allerlei medische klachten krijgen. Daarom wordt deze fase ook wel de zorgbehoevende fase genoemd.  
   
Symptomen van het dementie syndroom volgens DSM-IV  
I. Meerdere cognitieve stoornissen  

A. geheugenverlies (amnesie)  
B. één of meerdere van de volgende cognitieve stoornissen  

1. stoornissen in het taalgebruik (afasie)  
2. stoornissen in het handelen (apraxie)  
3. stoornissen in het herkennen (agnosie)  
4. stoornissen in uitvoerende functies  

II. Achteruitgang van het sociaal en beroepsmatig functioneren  
III. Progressief verloop van de ziekte  
IV. Mogelijke bijkomende symptomen  

A. delirium  
B. wanen  
C. depressie  
D. gedragsstoornissen  

Wat zijn de symptomen van dementie?  
Dementie is een syndroom, ontstaan door een degeneratie van de hersenen en wordt gekenmerkt door verschillende symptomen. Hoewel ieder individu dit ziekteproces, vooral in de beginfase van de ziekte, op een eigen manier doorloopt en de verschillende oorzaken van dementie een invloed hebben op de achteruitgang van de zieke, zijn er toch een aantal symptomen die vrij algemeen voorkomen.  
   
Er is sprake van blijvende en steeds erger wordende stoornissen in het geheugen, het denken en het gedrag. De achteruitgang van het intellectuele vermogen en de moeilijkheden met het geheugen en het gedrag, zijn ernstig genoeg om de dagelijkse taken en/of sociale vaardigheden te verstoren.  
   
Geheugenverlies (amnesie)  
Het vermogen om nieuwe informatie te leren of zich eerder geleerde informatie te herinneren, vermindert geleidelijk. Eerst wordt het korte termijn geheugen aangetast (dingen die kort geleden gebeurd zijn, worden vergeten). Na verloop van tijd verdwijnt ook het lange termijn geheugen (bekende en vanzelfsprekende dingen of personen worden niet meer herkend). Geheugenstoornissen komen voor bij alle vormen van dementie.  
   
Stoornissen in het taalgebruik (afasie)  
De taalproblemen beginnen bij het moeilijk vinden van woorden. Geleidelijk wordt de woordenschat kleiner en vermindert de vlotheid in het spreken. Het woordgebruik wordt onsamenhangend en later verdwijnt de samenhangende spraak volledig. Het wordt ook steeds moeilijker om gesprekken te begrijpen. Uiteindelijk valt het vermogen om gesprekken te voeren volledig weg: de demente spreekt enkel wartaal of vervalt in stilzwijgen. Communiceren kan dan een hele opgave zijn.  
   
Men kan twee moeilijkheden in de communicatie onderscheiden:  
Het begrijpen van anderen.  
Meestal gebruiken we vrij lange, complexe zinnen om iets uit te leggen of te vragen. Dit is voor demente personen erg belastend. Tijdens het gesprek vergeten ze waarover het gaat, ze raken de draad van het gesprek kwijt, ze hebben moeite om te begrijpen wat anderen zeggen. Ze onthouden niet wie wat zei en hebben problemen om aandachtig het gesprek te volgen.  
Zichzelf verstaanbaar maken.  
De demente personen kunnen moeilijk op bepaalde woorden komen. Ze vergeten de benaming van alledaagse voorwerpen. De beschikbare woordenschat wordt steeds kleiner. Soms worden woorden vervangen door andere die erop lijken of er worden gewoon onbestaande woorden gebruikt. Een gedachte in zijn geheel verwoorden wordt ingewikkeld, vaak blijven er niet meer dan een paar woorden van over. Bij een verhaal kunnen hele zinnen in de war lopen. Ook lezen en schrijven lukt na verloop van tijd niet meer.  
   
Stoornissen in het herkennen (agnosie)  
Het wordt steeds moeilijker voor de zieke om personen, voorwerpen, plaatsen of geluiden te herkennen of thuis te brengen. Het niet meer herkennen gaat samen met een verlies van oriëntatie in plaats, tijd en persoon: demente mensen weten vaak niet meer waar ze zijn, hoe laat het is of wie ze zijn. Kledingstukken worden niet meer herkend, voorwerpen worden voor voedsel gehouden, afstanden worden fout ingeschat, zodat er vaak tegen stoelen of deuren wordt aangelopen. Het dag/nachtritme wordt verstoord waardoor nachtelijke onrust en slaapproblemen ontstaan. Plaatsen worden niet meer herkend en men vergeet waar men zich bevindt. Na verloop van tijd worden bekenden, zoals vrienden en familieleden "vreemden" voor de demente. Soms herkent een demente persoon zichzelf niet meer (op een foto of in de spiegel).  
   
Stoornissen in het handelen (apraxie)  
Demente personen worden steeds onhandiger. Na verloop van tijd worden eenvoudige handelingen, dagelijkse routinehandelingen, verkeerd of niet meer uitgevoerd. Bijvoorbeeld aan- en uitkleden, veters binden, een maaltijd bereiden, persoonlijke verzorging e.d.  
   
Andere problemen hebben te maken met het beoordelen, het abstract denken en het inschatten van situaties. Het wordt moeilijk om zich te concentreren, te rekenen, te plannen en te organiseren, en te begrijpen van wat er om zich heen gebeurt.  

DEPRESSIE  
Het is dikwijls erg moeilijk om dementie en depressie, twee volledig verschillende aandoeningen, van elkaar te onderscheiden. Bij een depressieve bejaarde komen geheugenstoornissen en andere cognitieve stoornissen immers ook voor. Depressie wordt gekenmerkt door lusteloosheid, verlies van eetlust, slaapstoornissen en moeite hebben met concentratie.  
Dementie kan gepaard gaan met depressie. Volgens sommige artsen en wetenschappers is depressie een gevolg van bepaalde dementieverschijnselen, vooral in het begin van de ziekte. Patiënten zijn vaak erg neerslachtig zijn, ze beseffen dat ze dingen vergeten, ze merken dat ze dagelijkse handelingen niet goed meer kunnen uitvoeren, ze voelen dat ze de greep op de werkelijkheid verliezen. Andere artsen zijn van mening dat de aftakeling in de hersenen zelf rechtstreeks verantwoordelijk is voor de depressie.  
   
Het is belangrijk de persoon steeds zelf te vragen of hij/zij zich depressief voelt. Dikwijls zal een depressief persoon niet spontaan zeggen dat hij/zij zich depressief voelt, doch klagen over lichamelijke problemen, zoals: hoofd- of rugpijn, pijn in de ledematen (dikwijls zijn er klachten van vage, moeilijk te omschrijven pijn), spijsverteringsstoornissen, duizeligheid, slapeloosheid, vermoeidheid, nervositeit, angst, verminderd seksueel verlangen.  
   
De geheugenstoornissen die ontstaan in geval van depressie bij de niet-demente persoon, worden ook wel 'pseudo-dementie' of het 'dementie-syndroom van de depressie', genoemd. De laatste benaming verdient de voorkeur.  
Bij depressie is er meestal een duidelijk en relatief snel begin van het geheugenverval, dat bovendien snel erg uitgesproken is. De zieke zelf kan de stoornissen goed en gedetailleerd beschrijven. Een depressieve persoon zal dikwijls antwoorden met 'ik weet het niet', 'ik kan dat niet'. Mits voldoende stimulatie en geduld worden dingen meestal toch correct opgelost of uitgevoerd.  
Bij beginnende dementie, worden geheugenproblemen meestal door de zieke zelf ontkend, maar de omgeving merkt duidelijk dat er iets fout gaat. Als de zieke zelf erkent dat er geheugenproblemen zijn, kan hij/zij ze slechts vaag kan beschrijven. Gevoelens van hopeloosheid, schuldgevoelens, negatieve ingesteldheid zijn bij depressieve personen meestal opvallend, en bij demente patiënten eerder zeldzaam.  
   
Voornaamste symptomen van depressie  
(volgens DSM-IV, een internationaal gebruikt classificatie- en definitiesysteem voor psychische stoornissen)  
-Zich in depressieve stemming, triestig, wanhopig of moedeloos voelen.  
-Een duidelijk verlies van interesse of plezier in activiteiten.  
-Gewichtsverlies (5 % van totaal lichaamsgewicht in 1 maand) of verandering van eetlust.  
-Slaapstoornissen: slapeloosheid of overdreven veel slapen.  
-Het activiteitsniveau is abnormaal hoog of abnormaal verlaagd.  
-Moeheid, energieloosheid.  
-Een schuldgevoel of een gevoel van waardeloosheid hebben.  
-Concentratiestoornissen hebben, besluiteloos zijn.  
-Regelmatig denken aan de dood of zelfmoordgedachten hebben.  
   
Men spreekt van een majeure depressieve episode ('major depressieve episode') als minstens 5 van deze symptomen aanwezig zijn gedurende minstens 2 opeenvolgende weken.  
   
Men spreekt van een depressieve stemming of verlies van interesse en plezier als minstens 1 symptoom aanwezig is (gedurende minstens 2 opeenvolgende weken).  

Milde cognitieve stoornis  
Oudere mensen klagen gemiddeld in 25 tot 30 % over geheugenstoornissen. Meestal gaat het echter om normale veroudering van het geheugen.  
   
Normale veroudering  
Er treedt een duidelijke vertraging op in de snelheid van denken en informatieverwerking wanneer men ouder wordt. Dit komt ook tot uiting in het handelen. De communicatievaardigheden en andere taalfuncties blijven intact.  
Het korte-(onmiddellijke-) termijn geheugen is niet aangetast en ook het lange-termijngeheugen blijft bewaard. Dit betekent enerzijds dat informatie van vroeger of informatie van enkele weken terug, normaal kan opgeslagen worden in het geheugen en dat die informatie ook bewaard blijft. Het terug oproepen van de informatie verloopt trager, doch het mechanisme zelf voor het oproepen van informatie is niet aangetast. Anderzijds zitten in het lange-termijngeheugen ook aangeleerde vaardigheden en reflexen opgeslagen, informatie die eigenlijk dagdagelijks gebruikt wordt, maar onbewust opgeroepen wordt. Ook deze vorm van geheugen is niet gestoord.  
Het werkgeheugen (dat o.m. het aanleren van nieuwe informatie mogelijk maakt) functioneert, zij het trager. De hoeveelheid informatie die kan aangeleerd worden is minder groot en er is meer herhaling nodig om aan te leren.  
   
Milde cognitieve stoornis  
Deze term wordt gebruikt voor mensen die niet lijden aan een vorm van dementie, maar die toch een meer dan normale achteruitgang hebben van hun geheugenmogelijkheden, zodanig dat deze een impact hebben op complexe activiteiten in het dagelijkse leven.  
Het betreft hier geheugenstoornissen die meer uitgesproken zijn dan normaal kan verwacht worden bij een bepaalde leeftijd en opleidingsniveau. Men dient aan drie criteria te voldoen: geheugenklachten, effectieve impact van deze geheugenklachten op het uitvoeren van complexe dagelijkse taken en evidentie voor geheugenstoornissen.  
Het is belangrijk dat bij de evaluatie van geheugenstoornissen een vertrouwenspersoon van de patiënt betrokken wordt, die het geheugen, de vaardigheden en de dagdagelijkse activiteiten mee evalueert. Als de patiënt zèlf over geheugenstoornissen spreekt, is het immers mogelijk dat er een onderliggende depressieve stoornis aanwezig.  
   
Personen met een 'milde cognitieve stoornis' hebben een verhoogd risico om dementie te ontwikkelen. De meeste personen met een milde cognitieve stoornis echter blijven stabiel en evolueren niet naar dementie. Het is belangrijk deze personen medisch van nabij te volgen.  
   
Vergelijking met dementie  
Als men de mensen met milde cognitieve stoornis vergelijkt met personen met een milde vorm van dementie, blijken ze een gelijkaardig patroon van geheugenstoornissen te vertonen. Ze hebben moeilijkheden met het aanleren van nieuwe informatie en hebben stoornissen in het opslaan en het terug oproepen van (in het lange-termijngeheugen) opgeslagen informatie. Zelfs als geheugensteuntjes of hints gegeven worden, blijft het moeilijk om zich bepaalde dingen te herinneren. Op andere domeinen functioneren deze personen echter beduidend beter dan demente patiënten. In het dagdagelijkse leven hebben personen met een 'milde cognitieve stoornis' geen duidelijke functionele problemen, enkel als het gaat om complexe taken. Taalvaardigheden, het uitvoeren van allerhande handelingen, de kennis en het kunnen gebruiken van voorwerpen, zijn normaal.  
   
In vergelijking met 'normale' bejaarden daarentegen, hebben deze personen beduidend slechtere scores op geheugentesten.