Het belang van een goede diagnose
Onderdeel van www.ziekenverzorgende.nl
Alles over zorg


Lees ook de weblog van  
ziekenverzorgende.nl op 
www.manindezorg.nl
Het belang van een goede diagnose 
Bij geheugenproblemen wordt, zeker bij ouderen, nog te vaak geen goede diagnose gesteld. Men gaat er gewoon van uit dat deze duiden op dementie , of dat dementie normaal is bij ouderen. Dit is helemaal niet correct.  
Een volledig medisch onderzoek geeft informatie over de juiste oorzaak van de verstandelijke problemen en geheugenstoornissen, en laat toe vast te stellen of er sprake is van een te genezen aandoening of niet. Als uit het onderzoek blijkt dat het om een te behandelen geheugenprobleem gaat, heeft de betrokkene er alle belang dit zo snel mogelijk te doen.  
   
Indien het om dementie gaat is het belangrijk te weten aan welke vorm van dementie de patiënt lijdt. Een diagnose in een vroeg stadium is van kapitaal belang voor de behandeling en de verzorging van de patiënt. Alhoewel er tot nu toe nog geen therapie bestaat die dementie geneest, kan een aangepaste medische en psychosociale behandeling het lijden van de patiënt (en zijn verzorger) verlichten.  
   
Een diagnose kan recht geven op bepaalde financiële tegemoetkomingen van de overheid, het ziekenfonds e.a. Een vroege diagnose is belangrijk, om in samenspraak met de zieke, hem/haar juridisch te beschermen.  
   
Men kan vanaf de eerste vermoedens naar de behandelende huisarts gaan. Hij kan de patiënt vertellen wat hij/zij moet doen. De huisarts zal eventueel doorverwijzen naar een ziekenhuis in de buurt, gewoonlijk naar de afdeling neurologie. De zieke kan de verschillende testen als ambulant patiënt ondergaan. Soms is het makkelijker de patiënt te hospitaliseren.  
Sinds kort bestaan er ook geheugenklinieken, meestal ondergebracht in gewone ziekenhuizen. Een multidisciplinair team waarin verschillende specialisten samenwerken kan een zeer precieze diagnose stellen en een geschikte behandeling voorbereiden. Korte opnames (2-3 weken tot maximaal 3 maand) zijn mogelijk, evenals observatie en behandeling in daghospitalisatie.  
   
 Een diagnosestelling gebeurt aan de hand van een aantal onderzoeken. Ze biedt duidelijkheid voor de zieke en voor familieleden. Het problematische gedrag en de geheugenproblemen, kunnen toegeschreven worden aan een ziekteproces dat buiten de wilscontrole van de patiënt ligt.  
Een goede diagnose is belangrijk om bepaalde ziekten, die dementiesymptomen veroorzaken maar behandelbaar zijn, te onderkennen en te behandelen. Wanneer het wel degelijk om een onomkeerbaar dementieproces gaat, kan dankzij een vroege diagnose een zo optimaal mogelijke behandeling en begeleiding voorbereid worden voor de zieke en zijn naaste omgeving.  

Hoe wordt de diagnose gesteld? 
Op dit moment beschikt men niet over een eenvoudige bloedtest of radiologisch onderzoek of een andere specifieke medische test om de diagnose te stellen. Toch kan men via een grondig klinisch, neurologisch en neuropsychologisch onderzoek bij een patiënt met intellectuele moeilijkheden en geheugenstoornissen (cognitief verlies), bijvoorbeeld de ziekte van Alzheimer met 90% zekerheid opsporen.  
   
Een arts kan symptomen van dementie enkel interpreteren door andere aandoeningen uit te sluiten, ook wel gedifferentieerde diagnose genoemd. Hierbij wordt er eerst onderzocht of de waargenomen intellectuele en geheugenproblemen niet te wijten zijn aan andere oorzaken, zoals goedaardige ouderdomsvergeetachtigheid, depressie, infectie, hormonale stoornissen, voedingsproblemen, gezicht en/of gehoorstoornissen, giftige stoffen, hersentumor, aandoeningen van hart en bloedvaten, intoxicatie door medicijnen of stoornissen in de stofwisseling, enz. De gedifferentieerde diagnose omvat een medisch onderzoek en verschillende aanvullende testen die volkomen pijnloos   
Onderzoeksmethode 
-anamnese
-medisch onderzoek: -klinisch & neurologisch: bloedonderzoek, urine-analyse, röntgen-onderzoek, elektrocardiogram (ECG), elektro-encefalogram (EEG), CT-scan 
-neuropsychologische testen 
-complementair psychiatrisch en/of neurologisch onderzoek 
   
Anamnese:  
In eerste instantie gaat de arts na of er werkelijk sprake is van een intellectuele achteruitgang. Dit gebeurt via een gesprek met de zieke (anamnese) en zijn onmiddellijke omgeving (hetero anamnese). Het kan de arts helpen om de situatie juist te beoordelen door informatie over de medische voorgeschiedenis, het gebruik van geneesmiddelen, het voedingspatroon, de gedragskenmerken, de moeilijkheden met dagelijkse activiteiten, enz..  
   
Medisch onderzoek  
Klinische en neurologische testen.  
De klinische testen sporen eventuele andere oorzaken van de dementieverschijnselen op. Routine laboratoriumtesten van bloed en urine kunnen hormonale problemen, stoornissen in bloedvaten, een tekort aan vitamine B12, afwijkingen in de schildklierwerking of leverfuncties, een gewone infectie of de aanwezigheid van giftige stoffen aantonen. Het gehoor- en gezichtsvermogen worden onderzocht. Hartslag en bloeddruk worden gecontroleerd. Een elektrocardiogram en een echografie kunnen eventuele afwijkingen in hart en bloedvaten aan het licht brengen. Een elektrocardiogram geeft informatie over de hartfrequentie, het hartritme en de toestand van de hartspier. Met een echografie kan men de hoofdslagaders en het hart bekijken en nagaan of er vernauwingen, letsels of bloedklontertjes zijn.  
   
Het neurologisch onderzoek geeft een beeld van de activiteit en anatomie van de hersenen te krijgen. Het elektro-encefalogram meet de elektrische activiteit van de hersenen waardoor men een beeld krijgt van de anatomie en de activiteit van de hersenen. Met behulp van een echografie kan men de inhoud van de schedel via ultrasone trillingen in beeld brengen. Met de CT-scan kan men een eventuele hersentumor, beschadiging van hersendelen, hersenvochtophoping, of een hersenbloeding opsporen. Dit gebeurt aan de hand van een computer en röntgenstralen waardoor men een gedetailleerd beeld van de hersenen krijgt en men de hersenactiviteit kan meten.  
   
Neuropsychologische testen  
Hier poogt men het oriëntatievermogen in tijd en ruimte, het geheugen en het concentratievermogen te beoordelen.  
Een eenvoudige test is de 'Mini-Mental State Examination' (MMSE). Deze test neemt ongeveer 10 minuten in beslag en bestaat uit een reeks vragen die verschillende aspecten van het cognitief vermogen omvatten: geheugen, oriëntatie in tijd en ruimte, taalvaardigheid. Naargelang de test een bepaalde drempelwaarde overschrijdt, wordt er al dan niet overgegaan tot een neuropsychologisch onderzoek dat in het algemeen wordt toevertrouwd aan een specialist. Hij moet de kwaliteit en de ernst van de intellectuele achteruitgang bepalen, door meer diepgaand ondezoek.  
   
Aanvullende neurologische onderzoeken  
Bij een onzekere diagnose door een ongewoon of complex beeld, een snelle achteruitgang, een therapie-resistente depressie, en bij patiënten jonger dan 60 jaar, wordt de patiënt meestal doorverwezen naar de neuroloog, de geriater, de psychiater of de geheugenkliniek, om aanvullende onderzoeken te ondergaan.  
Een uitvoeriger onderzoek kan ongewone aandoeningen aan het licht brengen, en een gespecialiseerde arts kan de resultaten beter evalueren en beoordelen.  

Moet de diagnose worden meegedeeld? 
Het is niet gemakkelijk om een diagnose van een ongeneeslijke ziekte, zoals de ziekte van Alzheimer, aan een patiënt mee te delen.  
   
De meest gebruikelijke argumenten om de patiënt de waarheid te vertellen zijn:  
de plicht eerlijk te zijn tegenover een persoon met dementie;  
de mogelijkheid om vooruit te plannen en schikkingen te treffen voor de toekomst;  
de mogelijkheid om de familiezaken te regelen;  
de mogelijkheid om een andere arts te raadplegen voor een tweede medische opinie.  
   
De meest gebruikelijke argumenten om de waarheid te verzwijgen zijn:  
de onzekerheid die blijft omtrent de klinische diagnose;  
de mogelijke psychische schade die de patiënt kan ondervinden.  
   
Hoe beter men de persoon kent aan wie men het nieuws moet meedelen, hoe groter de kans dat men de juiste beslissingen neemt. Alleen zo kan men gebruik maken van een goede woordkeuze en de uitleg op de persoon afstemmen. Het kan best zijn dat het woord 'Alzheimer' helemaal niet hoeft te vallen. Vooraleer de persoon van de diagnose op de hoogte wordt gebracht, moeten eerst een paar zaken worden nagegaan.  
Hoeveel begrijpt hij/zij nu nog, wil hij/zij de waarheid kennen en is hij/zij bereid ernaar te luisteren? Hoe verwerkt hij/zij emotionele shocks meestal, hoe reageert hij/zij gewoonlijk op nieuws over zijn gezondheid, laat hij/zij zich in moeilijke situaties dikwijls gaan of kan hij/zij die situatie aan, kent hij/zij de ziekte van Alzheimer, zijn er in zijn familie nog andere mensen die aan de ziekte van Alzheimer lijden, ...?  
   
Ervaring heeft aangetoond dat de waarheid vertellen over een Alzheimer-diagnose een minder zwaar probleem vormt dan veel mensen vrezen. Van doorslaggevend belang is de kwaliteit van de relatie tussen de patiënt en de verzorger, en tussen de patiënt, de verzorger en de arts. De groei van een vertrouwensrelatie vraagt tijd, maar is onontbeerlijk voor gemeenschappelijk overleg.