De ziekte van Parkinson
en dementie
De ziekte van Parkinson wordt gekenmerkt
door stoornissen in het bewegen waarvan het beven van vingers en handen
wellicht het meest bekend zijn. De ziekte heette in eerste instantie ‘paralysis
agitans’ maar is later vernoemd naar haar ontdekker, de arts James Parkinson.
Het begin van de ziekte ligt doorgaans tussen de 50 en 65 jaar. Er zijn
enkele gevallen bekend met een jongere beginleeftijd.
Het is een zeldzame aandoening; ongeveer
0,1% van de bevolking wordt erdoor getroffen. De kans om de ziekte te krijgen
neemt toe met het ouder worden en van de mensen ouder dan 65 jaar lijdt
ongeveer 1% aan de ziekte. De gemiddelde ziekteduur bedraagt acht jaar
maar kan variëren van één tot dertig jaar.
Pathologie
Onderzoek heeft laten zien dat de stoornissen
in het bewegen ontstaan door celverlies in bepaalde diepergelegen delen
van de hersenen. Deze hersendelen zijn onder andere belangrijk bij het
in gang zetten van bewegingen. Ook heeft men in die hersengebieden zogenaamde
Lewy-lichaampjes gevonden. Dit zijn abnormale inkapselingen van eiwitbevattend
materiaal in hersencellen. Deze lichaampjes zijn niet op een foto te zien
maar kunnen alleen worden gevonden bij onderzoek van het hersenweefsel
na het overlijden. Waardoor het celverlies en de Lewylichaampjes ontstaan,
is nog niet bekend. Wel staat vast dat de ziekte slechts in enkele gevallen
erfelijk is.
Veranderingen in het bewegen Vingers en
handen die vooral in rust hevig beven, zijn wellicht het meest opvallende
kenmerk. Maar er zijn ook andere bewegingsstoornissen. Zo worden bewegingen
trager, waardoor opstaan uit een stoel bijvoorbeeld meer moeite kost. Ook
ontstaat er zogenaamde bewegingsarmoede (hypokinesie). Dit kan zich uiten
in een starre, vlakke gezichtsuitdrukking, een monotone stem en een stijve
lichaamshouding. Bij het lopen worden de pasjes kleiner en schuifelend
en gaat het boven-lichaam voorover hellen. Het schrijven wordt moeilijker
omdat de letters kleiner worden. Omdat het stemvolume afneemt en woorden
minder duidelijk worden uitgesproken,
wordt het moeilijker om de patient te verstaan.
Dopamine
De ziekte van Parkinson is een ziekte
die langzaam vordert en niet is te stoppen. Wel zijn enkele medicijnen
ontdekt die het bewegen (tijdelijk) kunnen verbeteren. Door het celverlies
in de hersenen ontstaat er een tekort aan een bepaalde stof in de hersenen,
dopamine geheten. Deze stof is onder andere belangrijk bij het bewegen.
De gebruikte medicijnen kunnen het tekort aan deze stof tijdelijk op te
vangen. Op termijn echter wordt het gebrek aan dopamine zo groot dat de
medicijnen er niet langer voor kunnen compenseren. Veranderingen in het
denken Naast veranderingen in het bewegen komen depressieve gevoelens voor
en kunnen ook veranderingen in het denken optreden. Als deze veranderingen
zo ernstig zijn dat ze het dagelijks functioneren belemmeren, spreekt men
van dementie. Uit een aantal onderzoeken komt naar voren dat 35 tot 55%
van de mensen die lijden aan de ziekte van Parkinson daarnaast een vorm
van dementie ontwikkelt. De veranderingen in het denken kunnen diverse
vormen aannemen. Bij ongeveer 20% van de Parkinsonpatiënten bestaat
de dementie uit vertraging van het denken en spreken. Geheugenproblemen
hebben betrekking op het zelf ophalen van informatie; het herkennen van
informatie is nog goed. Ook het vermogen tot abstract denken neemt af en
men neemt steeds minder vaak spontaan het initiatief. Bij een kleinere
groep mensen met de ziekte van Parkinson staan andere dementie-verschijnselen
op de voorgrond. Deze dementie lijkt meer op de verschijnselen door de
ziekte van Alzheimer. Er zijn stoornissen in het geheugen, en dan vooral
het inprentings- en leervermogen. Problemen met het uiten en begrijpen
van taal komen voor. Ook het uitvoeren van dagelijkse handelingen wordt
moeilijker, zoals het brood smeren of de schoenveters strikken.
Behandeling
Dementie is een langzaam voortschrijdende
aandoening die niet is terug te draaien. Er zijn nog geen medicijnen bekend
die de geestelijke achteruitgang kunnen stoppen. Vaak ook zal met de toediening
van dopamine gestopt worden omdat dit medicijn verwardheid en hallucinaties
kan doen toenemen. Met het vorderen van de ziekte wordt iemand in toenemende
mate hulpbehoevend. Men raakt de controle over het lichaam kwijt, wat tot
lichamelijke complicaties kan leiden. Uiteindelijk dient men geheel verzorgd
te worden en lukt zelfstandig eten niet meer. Mensen die lijden aan de
ziekte van Parkinson of dementie overlijden vaak ten gevolge van bijkomende
complicaties, zoals longontsteking, urineweginfectie of hart- en vaataandoeningen. |