Als 'k Rijk was.


O, jongens als ik rijk was, ik wist wat ik dee.
Een scheepje zou 'k bouwen en ik voer naar de zee.
'k Zou hijsen het vlagje, heel hoog in de mast.
Niet zo hoog, niet zo hoog, maar zo hoog!
Niet zo hoog, niet zo hoog, maar zo hoog!

O, jongens als ik rijk was, ik wist wat ik dee.
'k Nam U al mijn vrindjes, naar stad zeker mee.
'kZou kopen voor ieder een lekkere koek.
Niet zo lang, niet zo lang, maar zo lang!
Niet zo lang, niet zo lang, maar zo lang!

O, jongens als ik rijk was, ik wist wat ik dee.
'k Gaf ieder een gulden, Uw moeder kreeg twee.
Maar zie, och ik heb zelf geen beursje met geld.
Niet zoveel, niet zoveel, maar zoveel!
Niet zoveel, niet zoveel, maar zoveel!