Van een bruid en bruidegom.


De starretjes keken van boven neer,
Ze wouen een oogje houen;
Ze wandelden zoetjes al heen en weer
En vrijden en zoenden in deugd en eer;
Wel, starretjes, kijk maar van boven neer,
Het duurt er niet lang of we trouwen!

Vier handen, twee stoelen, een tafel, een bed,
Daar kan met het leven bij houen.
De bruigom kan werken, de bruid is net:
Het huishouden is er al opgezet.
Zeg, starretjes, heb je geen schik in de pret?
Het duurt er niet lang of we trouwen!