Het dansend boerinneke.


Daar ging een boerinneke al door de wei,
Tierelier juchhei!
Het regende wat en de klei was glad,
Tierelier de klei was glad!
Ze droeg een mand met eieren aan haar hand
En zong en sprong van plezier!
Tierelier!

Ze zwaaide de mand met een zwaai van haar hand,
Tierelier juchhei!
En struikelde over haar kouseband,
Tierelier, haar kouseband!
En daar zwom ei en ei als een struif in de wei.
Juchhei! Juchhei!
't Boerinneke zat bij haar schat in de klei,
het dansje was uit en het liedje er bij!