Fietsen.


Fietsen, fietsen, fietsen, fietsen, fietsen, groot en klein,
Fietsen, fietsen, fietsen, fietsen, fietsen, is zo fijn.
Fietsen, fietsen, fietsen, niet te snel en niet te traag,
Fietsen, fietsen, fietsen, doet een ieder toch zo graag.

Je neemt een hele kleine bocht,
Als je rechts omgaat.
En een hele grote links,
Als je links omslaat.
Rechts van de weg, daar hoor je thuis.
Doe je dat niet, blijf dan maar thuis.
Fietsen, dat is een groot genot,
Als je maar let op elk verbod.

Over paden, door de bossen,
Kronkelwegen fijn en glad.
In de schaduw van het lommer.
Over 't mooie rijwielpad.
Fietsen, trappen, lachen, zingen,
Vele fietsers, jong en oud,
Die genieten van al 't mooie
En omdat men van Holland houdt.

Op een mooi en heerlijk plekje,
Waar de zon niet deren kan.
Wordt gerust na lange tochten,
En dan vangt de pret weer aan.
Fietsen, trappen, lachen, zingen, enz. enz.
Fietsen, fietsen, fietsen, fietsen, fietsen, groot en klein,
Enz. enz.