Jan van de lamp


Jan van de lamp die kwam ik tegen op het glazen bruggetje
pijp in de mond, borrel in de zak, wou dat het altijd kermis was.
Kermis wou niet duren,
toen ging hij naar de buren,
de buren waren niet thuis,
toen ging hij naar zijn eigen huis.
Zijn eigen huis was gesloten,
toen ging hij naar de poorten.
De poorten waren toe,
toen ging hij naar de bontekoe.
De bontekoe kwam schoppen,
toen ging hij naar de poppen.
De poppen wilden slaan,
toen ging hij naar de gladde baan.
De gladde baan was al te glad,
toen gleed hij op zijn blote gat!