Een karretje op de zandweg reed / Twee voerlui


Een karretje op een zangweg reed;
de maan scheen helder, de weg was breed,
Het paardje liep met lusten.
'k Wed, dat het zelf zijn weg wel vindt;
De voerman lei te rusten.
Ik wensch je wel thuis, me-vrind, me-vrind!
Ik wensch je wel thuis, me-vrind!

Een karretje reed langs berg en dal;
De nacht was donker, de weg was smal,
Het paard liep als met vleugels.
De sneeuwjacht zweept zijn oogen blind;
de voermand houdt de teugels.
Ik wensch je wel thuis, me-vrind, me-vrind!
Ik wensch je wel thuis, me-vrind!

Een karretje keert behouden weer;
Het ander heeft er geen voerman meer;
Waar mag hij zijn gebleven?
'Wed, dat je'em op den zandweg vindt,
Of moog'lijk wel daarneven.
Hij komt niet weer thuis, die vrind!
Hij komt niet weer thuis, die vrind!

(o.a. te vinden in: Kun je nog zingen, zing dan mee)