Konijntjes


Er woonden acht konijntjes
In het midden van het bos.
Twee groten en zes kleintjes,
Die leefden daar zo fijntjes,
Maar vreesden voor de vos.
Maar vreesden voor de vos.

Zij lagen nog te dromen,
Toen sloop de vos al rond.
Ze hoorden hem niet komen,
Een heeft hij meegenomen,
Die at hij op terstond.
Die at hij op terstond.

Een jager zag 't van verre,
Die nam zijn buks en schoot.
Nu was 't gedaan met Reintje,
Hoezee riep elk konijntje.
De boze vos is dood.
De boze vos is dood.