Koorknaap


Een kleine blonde koorknaap
Ontsteld en aangedaan
Kwam uit de mis des morgens
Tehuis bij moeder aan

Ach moeder sprak hij wenend
Met sidderend gebaar
Nooit dien ik pater Peters
de mis meer aan ít altaar

Maar kindlief sprak de moeder
Zeg mij wat vreest ge dan
Die goeie pater peters
Is zulk ín heilig man

Men zegt dat somtijds engelen
Met blinkerd wit gewaad
Rondom de pater zweven
Terwijl hij aan ít altaar staat

Maar hoor wat ik vanmorgen
Met eigen ogen zag
Ik zag een schoon klein kindje
Dat op het altaar lag

En pater peters lachte
ít schone kindje toe
En ook het kindje lachte
zo lief zo blij toe moe

Toen nam hij het in zín handen
En boog zich langzaam neer
Hij bracht het aan zijn lippen
En ik zag het kind niet meer

Ik ben zo bang geworden
O moeder nu ik weet
Dat die goeie pater Peters
Die kleine kinderen eet

Zijn moeder stond bewogen
En drukte het kind aan het hart
Och kindlief sprak de moeder
Verbang die bange smart

Dat kind was Kindje Jezus
De kleine Lieve Heer
Hij daalde alleen uit liefde
In pater Peters harten neer

Dit komt uit een oud vergeeld boekje zonder jaartal
uitgever Rombouts Roosendaal.
Vertegenw. P.J. W. Jongeneel markt 41 Gouda.
Geschat begin jaren 1910 - 1920