Lente kind


Het is een herinnering zo als zovele,
Maar deze ene laat mij niet los.
Wanneer in 't voorjaar de vlinders spelen,
Dan denk ik weer aan die dag in 't bos.

Daar bij een huisje als van Hans en Grietje,
Zag ik een kind zitten heel alleen.
Haar zachte stem zong een lenteliedje,
Voor duizend vlindertjes om haar heen.

En duizend vogels zijn toen gekomen,
En zongen vrolijk haar liedje voort.
Het schalde juichend door alle bomen,
En heel de wereld heeft dat gehoord.

En overal bleef men even luist'ren,
En een moment was 't rumoer verstomd.
Want zelfs de mensheid moet even fluist'ren,
Wanneer voor 't eerst iets van 't voorjaar komt.

Maar ik alleen heb dat kind zien zingen
Daar in het woud op die zonnedag.
Ik zag haar aan en mijn ogen vingen,
Uit blijde ogen een lichte lach.

En dat is al wat mij is gebleven,
Die lichte lach als een snelle groet.
Maar ik heb nooit van mijn hele leven,
De lente weer van dichtbij ontmoet.