Het Lied van de straat.


Klinkt in de verte het lied van de straat,
Dat zich zoo gaarne beluisteren laat,
Dan komt er dadelijk weer,
Zoo een gezellige sfeer.
Iets leeft er in wat je niet kunt weerstaan
Juist door zijn simpelheid trekt het je aan,
't Heeft geen pretentie en elk die het hoort
Wordt door zijn charme bekoord.

Refrein.
Langs de pleinen en grachten,
Klinkt het lied van de straat,
Dat in ieders gedachten,
Een herinnering laat.
Langs pleinen en grachten
Klinkt het lied van de straat,
Je kent het op slag en met een lach,
Zing je het elken dag.
Zoo gaat het terstond,
Van mond tot mond, de wereld rond.

Als in het steege, zoo oud en gedrukt,
Piet aan zijn mondorgel tonen ontrukt,
Als dan een walsliedje deint,
Is 't of de zon er weer schijnt.
't Lijkt of de steeg er weer jonger op wordt
En tante Neel met haar heldere schort,
Hangt uit het raam en ze wiegelt tevrÍe,
Zacht op het walsrythme mee.

Grootvaders stoel is met bloemen versierd,
Want hij is tachtig, zijn feest wordt gevierd,
Lachend zegt hij tot zijn Aag:
"'k Voel me nog piepjong vandaag".
Dra heerscht er vreugde, dat hoeft geen betoog,
En op het kamertje achter, drie hoog,
Zingen de buurtjes in terts Harmonie,
De Pierement Symphonie.