Jan mijneman


Jan, mijne man, wou ruiter worden,
Jan, mijne man die had geen paard.
Toen nam hij de kat
En trok 'm aan z'n staart
Toen had Jan, mijne man een paard.

Jan, mijne man, wou ruiter worden,
Jan, mijne man, die had geen zweep.
Toen nam hij zijn broek
En trok daarvan een reep
Toen had Jan, mijne man, een zweep

Jan, mijne man, wou ruiter worden,
Jan ,mijne man, die had geen zaal
Toen nam hij een ei
En brak daarvan de schaal
Toen had Jan, mijne man, een zaal

Jan, mijne man, wou ruiter worden,
Janneman had geen degen;
toen nam Jan, mijn man, een koek -
die stak Jan al door zijn broek:
Janneman had een degen;
Jan, mijn man, rij wat an,
dat je een ruiter worden kan.