Moeder zit te driegen.



Moeder zit te driegen,
aan een mantelzoom.
Zusje moet nu wiegen,
broederke slaapt en droomt.
Broederke, broederke, broederke klein,
laat mij, laat mij Uw moederke zijn.

Gaat gij mee naar schole,
dwars door weer en wind.
Kom dan vlug gescholen,
onder mijn mantel kind.
Broederke, broederke, broederke klein,
laat mij, laat mij Uw moederke zijn.