De parade.


De troepen rukken uit
Met 't opgewekt geluid
Der stafmuziek vooraan.
In drommen loopt men mee,
Gelukkig en tevrêe,
Eens vrolijk uit te gaan.
Zo op naar 't Malieveld,
Daar keurig opgesteld,
Inspectie, défilé.
Doch 't volk, dat rondom wacht,
Kijkt wel naar al die pracht,
Maar loopt tocht liever mee.

Refrein:
Hoezee, Hoezee!
Zulk lopen is pleizieren,
Verzet,
En pret,
Om echt eens leuk te zijn,
Kop op, rug recht,
Zo voel je 't door je spieren.
Leef op, leef uit,
Geen zorgen groot of klein.
Een broertje met zijn zusje,
Een vrijer met zijn Trien.
Een Vader en een Moeder
Nog nooit zo'n pret gezien,
Een opoe met haar oudje,
Een nichtje met haar neef,
Geeneen, die nu nog achterbleef.

De Koningin verjaart,
Daar mee gaat steeds gepaard
Vacantie, alles vrij.
't Gebeurt niet elke dag,
Maar nu 't dan eens mag,
Zijn allen vrolijk, blij.
Kantoorheer, schooljuffrouw,
't Is alles aan de sjouw,
Parade trekt hen aan.
Een stakker, die thuis blijft,
Of met een ander kijft,
Om nu niet mee te gaan.

Refrein.