Het liedje van den schoenlapper.


Ik zit al met mijn driebeen
Voor dag en dauw,
De spanriem om mijn kniebeen,
En werk voor kind en vrouw.
En 't klinkt al door mijn kamerke,
Klip! klop! klop!
Ik tik al met mijn hamerke,
De spijkers op hun kop.
Klop!

'k Lap schoenen plompe en fijne,
Zolang het kan,
'k Maak schoenen, grote en kleine
Voor boer en edelman.
En 't klinkt al door mijn kamerke,
Klip! klop! klop!
Ik tik al met mijn hamerke,
De spijkers op hun kop.
Klop!

Aan d'ene geef ik later
Een nieuw fatsoen,
Smijt d'ander weg in 't water;
Daar is niets meer aan te doen.
En 't klinkt al door mijn kamerke,
Klip! klop! klop!
Ik tik al met mijn hamerke,
De spijkers op hun kop.
Klop!