Sneeuwklokje.


Wat is dat daar, jou kleine guit,
Kom jij nu al je bedjen uit?
Blijf warmpjes nog wat in den grond,
Want als de booze wind je vond,
Hij beet je dood!

Wij hebben nog ons jasje aan,
Jij komt daar z maar buiten staan,
Je groene mutsje los, jou guit;
Je witte kopje kijkt er uit,
Zoo bleek en bloot!

Ik ben er niets bang voor den boozen wind,
'k Vertel van de lente, mijn lieve kind,
Mijn klokje luidt zachtkens over de grond
En wekt er de bloempjes, die slapen in 't rond,
Ten beddeken uit,
Nu weet je wel, wat mijn vroeg luiden beduidt.