De vier Heemskinderen

.
Wat voor vijand durft ons naken,
Vier gebroeders op een peerd!
Ieder moet het vechten staken,
Als wij spelen met ons zweerd.
Wij en achten gene slagen.
Gene scheuten in de strijd,
Want ons harnas kan 't al dragen,
Daar een ander zich vermijdt.

Wij en zijn van honderd mannen.
Wel bewapend, niet bevreesd;
Als wij maar de toom ontspannen.
Dan weerd zich ons peerd het meest
Het kan lopen, het kan springen,
het kan vliegen door het zand;
Gene mens en kan het dwingen.
Want 't heeft altijd d'overhand.

Sa, Ros Beijaerd. toont Uw krachten,
En spaart Uwe benen niet,
Toont dat ieder hem moet wachten
Die Uw sterke leden ziet.
Slaat van achter, slaat van voren.
Recht U op, 't is ons bevel.
Als wij steken met de sporen,
Toont dat gij voor ons zijt snel.

O.a. te vinden in: "Jong Nederland zingt zijn Volksliederen"

Zie ook Het ros Beijaerd