Vissersliedje.


Op de witgekuifde baren
Deint het scheepken zachtkens voort
En de golven, onder 't varen,
Bruisend spelend rond het boord:
Visser, werp je netten uit,
Want de zee bergt rijke buit.
Alle vissen, groot en klein,
Willen graag gevangen zijn.

En de bries blaast bol de zeilen,
Voert het scheepken ver van 't strand.
En de visser onderwijlen,
Hoort hem fluiten door het want:
Visser, werp je netten uit,
Ginds aan 't strand daar wacht je 'n bruid.
Alle vissen groot en klein,
Willen graag gevangen zijn.

Maar de visser alle dagen,
Denkt aan 't buurtje blond en blank,
En hij mijmert: "Zou 'k het wagen,
Zou 'k haar vragen vrij en frank?"
Visser, haal je netten in,
Want het meisje zit er in,
Alle meisjes, groot en klein,
Willen graag gevangen zijn.