Zo'n bluffer


Op een mooie Meimaandmorgen
Stapte Jantje er op uit.
Vrij van school en zonder zorgen
Hoopte hij op vette buit.
Met z'n hengel op zijn schouder
En de wormenbak,
Beende hij met grote stappen
Naar het brede watervlak.
Refrein:
Fluitend en joelend,
Tralalala,
Keken de jongens hem na.

Jantje riep: "Ik zal ze vangen
Baarzen van een pond of vier,
Snoeken als lantarenpalen
Van ik met een vette pier."
Weldra reeg hij 't eerste wormpje
Aan de scherpe haak.
En een ogenblikje later
Schoot de kurk weg, wat vermaak
Refrein.

Tussen bies en riet verborgen
Had een grote snoek gehoord,
Hoe ons Jantje pochte en blufte
Hoe hij voerde 't hoogste woord.
"'k Zal dat ventje eens verleren
Om te spotten met een snoek."
En met opgesperde kaken
Stoof hij weg met pier en hoek.
Refrein.

"Help!!!" zo klonk het uit de golven,
Buurman Piet was bij de hand
En hij trok het druipend Jantje
In een oogwenk op de kant.
Buurman bracht hem bij zijn moeder,
"Jantje wou," zo sprak de man,
"Snoeken als lantaarns vangen,
Maar de snoeken vingen Jan."
Refrein.