Zwart en wit.


Een helder wit schortje, een mutsje heel kwiek,
Een keurig zwart kleedje: zo is onze Riek!
'n Rij sneeuwwitte tanden, 'n paar ogen als git:
Een frisse verschijning, dat zwart en dat wit!

Een man als een neger, een zak op zijn rug,
Die kwam in het voorjaar, en klauterde vlug
Op 't dak naast de keuken, waar Rika steeds zit.
Zij schrok van die 'zwarte'! wat werd Rika wit.

Het voorjaar werd zomer. De man van het dak,
Daar gaat ie uit rijden, met 'n glimmend zwart pak!
En weet je, wie naast hem in 't rijtuigje zit?
Wel! Rika, dat "zwartje", maar nu in het wit!

De "zwarte" en 't "witje", zij gaan er vandoor!
Vandaag gaan ze trouwen, heel deftigjes hoor!
Zij schrijven hun namen na 'n feestelijke rit.
Je kunt ze gaan lezen: zij staan "zwart op wit"!