De
Wet op de Beroepsbeoefening in de Individuele Gezondheidszorg
De
geschiedenis van de Wet BIG
Hoe
ziet de Wet BIG eruit
De
meest in het oog springende bepalingen van de Wet BIG:
De
titelbescherming en registratie
De
registratie van verpleegkundigen
De
registratie van afstuderende verpleegkundigen
De
periodieke registratie
De
regeling van de specialismen
De
voorbehouden handelingen
Artikel
39 en de wet BIG
Wanneer
ben je deskundig
Waarom
is er functionele zelfstandigheid
De
aparte regeling voor ambulanceverpleegkundigen
Stappenplan
voorbehouden handelingen
Tuchtrecht
en de wet BIG
De
meest gestelde vragen over de wet BIG
Tuchtrecht
voor verpleegkundigen
Wanneer
ben je als verpleegkundige onderworpen aan het tuchtrecht
Wie
kan er klacht indienen
Hoe
kan worden je worden geklaagd
Hoe
is de procedure
Hoe
ziet het vooronderzoek eruit
Hoe
word de klacht behandeldt:
Wat
gebeurd er op de zitting
Hoe
is de samenstelling tuchtcollege
Welke
tuchtmaatregelen zijn er
In
hoger beroep:
Beroepscode
voor verplegng en verzorging
De wet BIG
Wet
op de Beroepsbeoefening in de Individuele Gezondheidszorg
(wet BIG)
Op 9 november 1993 is de Wet de op de
Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (de Wet BIG) door de Eerste
Kamer aangenomen. De wet heeft tot doel de kwaliteit van de beroepsuitoefening
te bevorderen en de patiënt te beschermen tegen ondeskundig handelen
door beroepsbeoefenaren. De wet is gericht op de individuele gezondheidszorg,
dat wil zeggen de zorg die rechtstreeks gericht is op de gezondheid van
een persoon.
Geschiedenis
De Wet BIG heeft een lange geschiedenis.
In 1986 is er voor de eerste keer over de wet gesproken in het parlement.
De Wet BIG vervangt twaalf wetten, waarvan de oudste, de Wet op de Uitoefening
van de Geneeskunst (WUG), stamt uit 1865.
De WUG verbood bijvoorbeeld het medisch
handelen door anderen dan de artsen. De verpleegkundige die een insuline-injectie
gaf, oefende hiermee onbevoegd de geneeskunst uit. Ook de doktersassistente
die de bloeddruk opnam, oefende onbevoegd de geneeskunst uit.
Het leefde in brede kring dat de wetgeving
sterk verouderd was en ook niet meer te handhaven. In de praktijk werd
er alleen maar opgetreden indien er duidelijke schade aan de patiënt
was toegebracht.
Hoe ziet
de Wet BIG eruit
De Wet BIG is een zogenaamde raam- of
kaderwet. Dit houdt in dat veel artikelen nog moeten worden ingevuld. Dit
gebeurt via een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), een versnelde vorm
van wetgeving waarbij de maatregel niet eerst door de Tweede en de Eerste
Kamer hoeft te worden behandeld.
Voor het adviseren van de minister over
de uitvoering van de Wet BIG, is een Raad op de Beroepen in de Individuele
Gezondheidszorg (Raad BIG) ingesteld. Deze raad adviseert de minister over
de zaken die nog moeten worden ingevuld, en over eventuele wijziging van
artikelen in de wet. De wet bepaalt dat de Raad BIG, voordat zij advies
uitbrengt, de representatieve organisaties van beroepsbeoefenaren, representatieve
organisaties van opleidingsinstellingen en organisaties die de belangen
van de patiënten behartigen om advies moet vragen. Met andere woorden:
als het bijvoorbeeld gaat over de regeling van voorbehouden handelingen,
moet de Raad BIG ook advies aan ABVAKABO FNV vragen. Ook als de Raad BIG
een advies moet uitbrengen over een wettelijke regeling van bijvoorbeeld
opleidingen voor verzorgenden, moet de Raad BIG advies aan ABVAKABO FNV
vragen.
De Wet BIG regelt de zorgverlening door
beroepsbeoefenaren. Het verbod op de uitoefening van de geneeskunst is
nu gewijzigd waardoor nu in principe iedereen geneeskundige handelingen
mag uitvoeren. De wet omschrijft wel een aantal voorbehouden handelingen,
die indien deze ondeskundig worden uitgevoerd, schade aan de patiënt
kunnen toebrengen. Deze voorbehouden handelingen mogen alleen door de door
de wet benoemde bevoegde beroepsbeoefenaren worden uitgevoerd. .
De
meest in het oog springende bepalingen in de Wet BIG gaan over:
*Titelbescherming en registratie
*Regeling van specialismen
*Voorbehouden handelingen
*Tuchtrecht
*Opleidingstitelbescherming
*Strafbepalingen (zie Tuchtrecht)
Titelbescherming
en registratie
De Wet BIG omschrijft een systeem van
registratie en titelbescherming (artikel 3). De beroepen die in de Wet
BIG worden genoemd zijn:
arts
tandarts
apotheker
klinisch psycholoog
psychotherapeut
fysiotherapeut
verloskundige
verpleegkundige
Titelbescherming houdt in dat je uitsluitend
arts mag noemen als je als arts in het register ingeschreven staat. De
beroepsbeoefenaar moet zelf het verzoek tot registratie indienen. Aan de
registratie worden onder meer opleidingseisen gesteld. De registers worden
ingesteld en beheerd door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(VWS). Deze registers zijn openbaar.
Voor elk in artikel 3 genoemd beroep is
het deskundigheidsgebied omschreven in de Wet BIG. Daarnaast zijn deze
beroepsbeoefenaren aan het tuchtrecht onderhevig.
Registratie
van verpleegkundigen
De kosten voor de registratie van verpleegkundigen
bedraagt ¦ 130,-- en moet door de beroepsbeoefenaar zelf worden
betaald. ABVAKABO FNV heeft tijdens de verschillende cao-onderhandelingen
bedongen dat deze kosten door de werkgevers betaald worden. Immers, de
werkgevers profiteren ook van de kwaliteit die door de verpleegkundigen
wordt geleverd. In de CAO's Ziekenhuiswezen, Thuiszorg, Verzorgingshuizen,
Academische ziekenhuizen en dagverblijven en tehuizen zijn regelingen afgesproken.
Voor deze eerste registratie komen alle
verpleegkundigen in aanmerking die in het bezit zijn van het diploma A-,
B- en Z-verpleegkundige, MBOV en HBOV. Er wordt één register
voor alle verpleegkundigen ingesteld. In het register zal geen onderscheid
worden gemaakt tussen bijvoorbeeld HBOV of Z-verpleegkundigen. Indien u
als verpleegkundige in bezit bent van meerdere verpleegkundige diploma's,
kunt u zelf bepalen van welk diploma u gebruik maakt om de registratie
aan te vragen. In het register wordt u geregistreerd als verpleegkundige.
Iedereen die vóór 1 december 1995 een dergelijk diploma bezit,
kan zich zonder meer laten registreren. Voor deze beroepsbeoefenaren geldt
het zogenaamde overgangsrecht. Iedere verpleegkundige die géén
gebruik maakt van dit overgangsrecht en zich in de toekomst wel wil laten
registreren moet aan de nieuwe opleidingseisen voldoen.
Registratie
van afstuderende verpleegkundigen
Alle verpleegkundigen die ná 1
december 1995 het getuigschrift verpleegkundige behalen krijgen via de
opleiding informatie hoe zij zich in het register kunnen laten inschrijven.
Alle verpleegkundigen die ná 1 december 1995 afstuderen krijgen
geen diploma meer maar een getuigschrift. Deze nieuwe terminologie sluit
aan bij de terminologie in de Wet BIG en de Wet op het Hoger Beroepsonderwijs.
De waarde van het getuigschrift is niet minder dan de waarde van een diploma.
Periodieke
registratie
De Wet BIG omschrijft tevens de zogenaamde
periodieke registratie. Dit houdt in dat de inschrijving slechts voor een
bepaalde termijn geldig is. Hoe lang deze termijn is moet nog worden bepaald
door de minister. Ook is nog niet bekend aan welke eisen de beroepsbeoefenaren
moeten voldoen om voor herregistratie in aanmerking te komen. Er wordt
gedacht aan aantoonbare praktijkervaring gedurende een nog vast te stellen
aantal jaren. Met andere woorden, indien een beroepsbeoefenaar een aantal
jaren niet heeft gewerkt komt deze beroepsbeoefenaar niet zonder meer in
aanmerking voor herregistratie.
De Raad BIG heeft de minister geadviseerd
geen verplicht stelsel van periodieke registratie door te voeren. De raad
stelt voor dit facultatief te laten zijn; als de situatie voor een bepaalde
beroepsgroep noopt tot ingrijpen. Naast kwantitatieve eisen zullen dan
ook kwalitatieve eisen aan de werkervaring en op het gebied van bijscholing
een rol moeten spelen.
De
regeling van specialismen
De wet BIG biedt de mogelijkheid om bepaalde
specialismen van de basisberoepen (zoals genoemd in artikel 3 van de wet)
wettelijk te erkennen. Met ander woorden; er kunnen straks verpleegkundige
specialismen wettelijk erkend worden. De wet BIG geeft aan dat het hierbij
gaat om een verpleegkundig specialisme dat is gericht op de individuele
gezondheidszorg (lees directe patiëntenzorg), een bijzondere deskundigheid
is, en in dit geval gaat om een deelgebied van de verpleging en als zodanig
(h)erkend wordt door de eigen beroepsgroep.
e keuze welke verpleegkundige aantekeningen
of vervolgopleidingen straks voor een wettelijke erkenning (wettelijke
regeling) in het kader van de wet BIG in aanmerking komen is al geruime
tijd punt van bespreking tussen ABVAKABO FNV, CFO, NU'91 en het LCVV (Landelijk
Centrum voor Verpleging en Verzorging).
Vorig jaar hebben bovengenoemde organisaties
alle bekende (beroeps)verenigingen voor verpleegkundigen aangeschreven
met een enquête die tot doel had een omschrijving te krijgen van
onder andere hooggekwalificeerde werkzaamheden, verpleegkundige deelgebieden
etc. De voorbereidingsgroep hoopte hiermee een soort kader te krijgen voor
de toets of iets wel of geen verpleegkundig specialisme is in het kader
van art. 14 van de wet BIG. De beantwoording bleek te divers en van te
verschillend niveau om een kader te krijgen.
Dit najaar is aan twee studentes verplegingswetenschappen
gevraagd of zij voor de voorbereidingsgroep kunnen vaststellen wat de definitie
is van het begrip verpleegkundig specialisme conform de wet BIG. Op basis
van de definitie van het begrip moet een indicatie worden gegeven over
de inhoud, duur en kwalificatie van een opleiding tot verpleegkundig specialist.
De volgende deelvragen vormen het uitgangspunt
voor het onderzoek:
*Wat moet op het terrein van de verpleegkundige
beroepsuitoefening worden verstaan onder een bijzondere deskundigheid en
welke criteria dienen hierbij te worden gehanteerd?
*Wat moet worden verstaan onder een deelgebied
van de verpleegkundige beroepsuitoefening en hoe kunnen deelgebieden onderscheiden
worden?
*Wat zijn op het terrein van de verpleegkundige
beroepsuitoefening hooggekwalificeerde werkzaamheden?
Naar verwachting zal het onderzoek de eerste
helft van dit jaar zijn afgerond. Wij zullen u over de voortgang op de
hoogte houden.
Indien de regeling verpleegkundig specialismen
voldoet aan de eisen van de Wet BIG kan de minister van VWS een wettelijke
status aan deze regeling verlenen. Dat houdt in dat de specialisten-titels
wettelijk worden erkend en beschermd. Voor deze specialisten worden registers
ingesteld en beheerd door de beroepsgroep die de regeling aan de minister
heeft voorgelegd. Ook hier kan een systeem van periodieke registratie in
het leven geroepen worden. De regeling van specialismen kan pas ingaan
als de registratie van basisberoepsbeoefenaren voor de eerste maal is afgerond.
Voorbehouden
handelingen
Tot nu toe was de Wet op de Uitoefening
van de Geneeskunst van kracht. Daarin werden bijvoorbeeld de zogenaamde
medische handelingen genoemd, die uitsluitend door artsen verricht mochten
worden, zoals het geven van injecties en ook het meten van de bloeddruk.
In de dagelijkse praktijk oefenden tal van beroepsbeoefenaren onbevoegd
medische handelingen uit. Voor verpleegkundigen was daarom de zogenaamde
verlengde-arm-constructie door de Hoge Raad van toepassing verklaard. Dit
hield in dat zij onder bepaalde voorwaarden wel medische handelingen mochten
verrichten, waarbij de arts eindverantwoordelijk bleef. Een vreemde constructie,
waarvoor de Wet BIG nu een oplossing biedt.
De Wet BIG omschrijft dertien voorbehouden
handelingen. Dit zijn handelingen die als zij ondeskundig worden uitgevoerd
schade aan de patiënt kunnen toebrengen. Deze handelingen zijn:
Heelkundige handelingen: dit zijn handelingen
op het gebied van de geneeskunst waarbij de samenhang van de lichaamsweefsels
wordt verstoord en deze zich niet onmiddellijk herstelt;
verloskundige handelingen; hieronder wordt
ook de pre en postnatale zorg gerekend.;
het verrichten van endoscopieën;
het verrichten van catheterisaties;
het geven van injecties;
het verrichten van puncties
het onder narcose brengen;
gebruikmaken van radioactieve stoffen
en toestellen die ioniserende straling uitzenden;
het verrichten van electieve cardioversie
(het geven van een stroomstoot door het hart om een hartritmestoornis op
te heffen);
het toepassen van defibrillatie (het geven
van een stroomstoot door het hart om een hartritmestoornis op te heffen);
het toepassen van electroconvulsieve therapie
(het geven van een stroomstoot door het hoofd van depressieve patiënten
met het doel de klachten te verminderen);
steenvergruizing voor geneeskundige doeleinden;
het verrichten van handelingen ten aanzien
van menselijke geslachtscellen en embryo's, gericht op het anders dan op
natuurlijke wijze tot stand brengen van een zwangerschap (in vitro fertilisatie
(IVF), de zogenaamde reageerbuisbevruchting).
Voor al deze handelingen wijst de Wet
BIG zelfstandig bevoegden aan. Dit zijn artsen, tandartsen en/of verloskundigen
voor zover de handeling binnen hun deskundigheidsgebied ligt en de beroepsbeoefenaar
bekwaam is. Het spreekt voor zich dat een tandarts natuurlijk niet bevoegd
is voor het verrichten van verloskundige handelingen en de verloskundige
geen blindedarmoperatie mag uitvoeren. De handeling moet in de opleiding
zijn aangeleerd en men moet voldoende kennis en ervaring hebben om de handeling
te kunnen uitvoeren. Zelfstandig bevoegd houdt in dat men zelf de indicatie
mag stellen en de handeling mag uitvoeren.
In hierboven genoemde voorbehouden handelingen
staan handelingen die ook door anderen dan artsen, tandartsen of verloskundigen
worden uitgevoerd. In de Wet BIG staat omschreven hoe er in die gevallen
gehandeld moet worden.
*De handeling moet in opdracht van de
zelfstandig bevoegde beroepsbeoefenaar worden uitgevoerd.
*De opdracht moet worden uitgevoerd overeenkomstig
de aanwijzingen van de opdrachtgever. Deze aanwijzingen hoeven niet te
worden gegeven als het om een betrekkelijk eenvoudige handeling gaat (bijvoorbeeld
een insuline-injectie) of als het om een ervaren beroepsbeoefenaar gaat
die de handeling veelvuldig heeft uitgevoerd. De mogelijkheid tot toezicht
en tussenkomst van de opdrachtgever moet ook geregeld zijn.
*De opdrachtnemer moet zichzelf bekwaam
achten de handeling uit te voeren. Dit houdt in dat de handeling in de
(vervolg)opleiding moet zijn aangeleerd en regelmatig in de praktijk moet
worden uitgevoerd. Indien de opdrachtnemer zichzelf onvoldoende bekwaam
acht, moet de opdracht worden geweigerd.
De Wet BIG kent ook nog functioneel zelfstandige
beroepsbeoefenaren. Deze beroepsbeoefenaren krijgen via een Algemene Maatregel
van Bestuur (AMvB) het recht bepaalde handelingen zelfstandig uit te voeren
nadat de opdracht door een zelfstandig bevoegde is gegeven. Uiteraard moeten
deze beroepsbeoefenaren over de juiste bekwaamheid beschikken om de handeling
te kunnen uitvoeren.
Verpleegkundigen mogen van minister Borst
functioneel zelfstandig injecteren.
Minister Borst van VWS is van mening dat
verpleegkundigen deskundig zijn om een aantal voorbehouden handelingen
`functioneel zelfstandig' uit te voeren. Het gaat hierbij om injecties,
puncties en catheterisaties. De arts moet nog wel opdracht aan een bekwame
verpleegkundige geven.
Artikel 39
Artikel 39 van de wet BIG maakt het mogelijk
dat een beroepsgroep, bijvoorbeeld verpleegkundigen, wettelijk deskundig
worden verklaard om zelfstandig, na opdracht van een bevoegde (= arts en
gedeeltelijk ook tandarts en verloskundige) voorbehouden handelingen uit
te voeren. De beroepsbeoefenaar, de verpleegkundige in dit geval, moet
uiteraard wel bekwaam zijn om de handeling uit te mogen voeren. Onder bekwaam
wordt verstaan dat de handeling is geleerd in een opleiding of een vervolgopleiding
en dat de handeling daarna regelmatig uitgevoerd wordt, opdat de bekwaamheid
behouden kan worden.
Opdrachtgever en opdrachtnemer houden ieder
hun eigen verantwoordelijkheid voor het zorgvuldig uitvoeren van de voorbehouden
handeling. Dit houdt in dat in bepaalde gevallen de opdrachtnemer (de verpleegkundige)
om toezicht of tussenkomst kan verzoeken of de arts kan daar zelf toe besluiten,
ook al is er sprake van een artikel 39 voorbehouden handeling.
Wanneer
deskundig?
Om een voorbehouden handeling functioneel
zelfstandig te mogen uitvoeren, moet een verpleegkundige over de volgende
deskundigheid beschikken:
de context van de voorbehouden handeling
kunnen beoordelen;
adequaat kunnen reageren;
beschikken over een zekere beoordelings-
en beslissingsvrijheid.
Het gaat dus om meer dan het technisch
goed uitvoeren alleen.
Voorbeeld:
Het geven van een subcutane insuline-injectie.
Het betreft hier een relatief eenvoudige handeling die met enige oefening
snel kan worden geleerd. De context waarin de handeling moet worden uitgevoerd
is echter veel bepalender voor de vereiste deskundigheid als het gaat om
kennis en vaardigheden. De vereiste deskundigheid hangt samen met de stabiliteit
van de diabetespatiënt. Een griep of een zeer emotionele gebeurtenis
kunnen deze stabiliteit verstoren. Het in staat zijn om zo'n situatie te
kunnen beoordelen (de context dus) en indien nodig, adequaat kunnen reageren
op deze situatie zijn onderdeel van de bedoelde vereiste deskundigheid.
Deze deskundigheid is niet voor alle beroepsbeoefenaren die voorbehouden
handelingen uitvoeren gelijk.
Een verschil in deskundigheid is bovendien
gelegen in de mate waarin van een beroepsbeoefenaar een oordeel of beslissing
wordt gevraagd. Nogal wat opdrachten worden voorwaardelijk gegeven of zijn
in protocollen opgenomen, waarbij vaak sprake is van marges waarbinnen
degene die de opdracht uitvoert, een keuze moet maken. Enige voorbeelden:
‘op geleide van de pijn dosering morfinepomp verhogen met 10 mg', `zo nodig
4 x daags 25 mg pethadine i.m.', `bij benauwdheid 1 ampul euphylline in
het infuus', `bij regelmatig braken sonde en infuus inbrengen en laagvacuüm
aansluiten', `zonodig bloedsuiker prikken'. Dit veronderstelt dat de opdrachtnemer
over kennis en vaardigheden beschikt om zo'n situatie te kunnen beoordelen
en vervolgens moet bepalen of hij zelf kan handelen of dat hij moet overleggen.
De
voorbehouden handelingen
Om welke voorbehouden handelingen gaat
het nu precies?
De minister heeft bepaald dat verpleegkundigen
de vereiste specifieke deskundigheid bezitten om de volgende voorbehouden
handelingen functioneel zelfstandig uit te voeren:
Injecties:
- subcutaan
- intramusculair
- intraveneus
- het inbrengen van een infuus
Catheterisaties:
- het inbrengen van een blaascatheter
- bij mannen en vrouwen
het inbrengen van een maagsonde
het toedienen van geneesmiddelen via infuus,
pomp, kolf of zak
Puncties:
- venapunctie
- hielprik bij neonaten
Volgens de minister gaat het bij het toedienen
van geneesmiddelen per injectie of via een infuus, pomp, kolf of zak om
twee risicovolle handelingen, namelijk het binnendringen van een lichaamsholte
met een naald of een catheter (een voorbehouden handeling) en het toedienen
van geneesmiddelen (geen voorbehouden handeling).
Het is volgens haar praktisch om een dergelijke
meervoudige handeling te benaderen als een voorbehouden handeling. Het
is echter de vraag of deze handeling in alle omstandigheden in aanmerking
komt voor functioneel zelfstandige uitvoering door verpleegkundigen. De
context is immers een factor van betekenis en kan voor de opdrachtgever
reden zijn om toezicht uit te oefenen en de mogelijkheid van tussenkomst
open te houden.
Waarom
functionele zelfstandigheid?
Toepassing van artikel 39 kan bijdragen
aan een doelmatige en flexibele organisatie van de zorgverlening, maar
zal alleen plaatsvinden als dit een belangrijke meerwaarde heeft voor een
goede zorgverlening. De genoemde voorbehouden handelingen worden verricht
in het verlengde van de verpleegkundige beroepsbeoefening. De handelingen
maken ook deel uit van de initiële verpleegkundige opleiding.
Daarnaast kunnen met deze regeling een
aantal praktische problemen worden opgelost in situaties waar niet continu
een opdrachtgever beschikbaar is voor de mogelijkheid van toezicht en tussenkomst
en dit ook feitelijk niet te organiseren is zonder ingrijpende wijzigingen
in organisaties en werkverhoudingen. Bijvoorbeeld in de thuiszorg en in
verzorgingshuizen is toezicht en tussenkomst van een arts vaak niet te
organiseren.
Bovendien laat de praktijk zien dat verpleegkundigen
sinds jaar en dag veelvuldig een aantal in de wet genoemde voorbehouden
handelingen uitvoeren afhankelijk van de situatie waarin ze werkzaam zijn.
Met toepassing van artikel 39 wordt de
al decennia bestaande deskundigheid van de verpleegkundige ten aanzien
van de uitvoering van voorbehouden handelingen wettelijk vastgelegd.
De minister volgt hierin bijna geheel
het advies van ABVAKABO FNV. Bovendien zijn al onze criteria overgenomen.
Aparte
regeling voor ambulanceverpleegkundigen
Toepassing van artikel 39 voor bepaalde
groepen verpleegkundigen m.b.t. bepaalde voorbehouden handelingen is nog
niet goed mogelijk, omdat de beroepsgroep nog geen overeenstemming heeft
bereikt over de regeling van verpleegkundig specialismen (zie elders in
deze krant). Minister Borst wil echter voor de ambulanceverpleegkundigen
een uitzondering maken.
Gezien de aard van hun werk vindt de minister
het belangrijk dat er voor hen een regeling voor functionele zelfstandigheid
wordt getroffen. Zij is van mening dat een, in een protocol opgenomen algemene
opdracht hoe in voorkomende situaties te handelen, gezien kan worden als
een opdracht van de arts. Zij is ook van mening dat een 24-uurs consultatiemogelijkheid
door de ambulanceverpleegkundige van een ervaren arts op de centrale post
ambulancevervoer een must is. Hiermee is de eventuele behoefte aan toezicht
en tussenkomst van de ambulanceverpleegkundige geregeld.
Zij stelt de totstandkoming van zo'n regeling
echter afhankelijk van de mogelijkheid om de groep ambulanceverpleegkundigen
juridisch sluitend af te bakenen. Zij is zich hierop nog aan het beraden.
Stappenplan
voorbehouden handelingen: gedeelde verantwoordelijkheid.
De bevoegdheidsregeling voorbehouden handelingen
in de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (de wet BIG)
vraagt om nadere invulling om in de praktijk een verantwoorde toepassing
te waarborgen. Veel instellingen hebben echter problemen met vragen over
het nader uitwerken en toepassen van de bevoegdheidsregeling.
Als handreiking heeft de Raad BIG een
stappenplan ontwikkeld voor het uitwerken van de bevoegdheidsregeling in
hanteerbaar instellingsbeleid. De betrokkenheid van individuele beroepsbeoefenaren
bij het verantwoord (doen) verrichten van voorbehouden handelingen is hierbij
essentieel. Het verantwoord uitwerken en toepassen van de bevoegdheidsregeling
is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van individuele beroepsbeoefenaren
en het instellingsmanagement.
Het "Stappenplan voorbehouden handelingen"
is opgesteld door de Raad BIG en verspreid door het ministerie van VWS.
Het stappenplan is schriftelijk en telefonisch te bestellen bij:
Hageman BV, Postbus 281, 2700 AG Zoetermeer,
tel: 079-3611188, fax: 079-3613927, o.v.v. het afleveradres en ISBN 90-5635-0757,
prijs:
¦ 35,- per stuk.
Tuchtrecht
Alle beroepsbeoefenaren voor wie het stelsel
van titelbescherming van toepassing is (artikel 3 van de Wet BIG) en die
in het betreffende register staan ingeschreven, vallen onder het tuchtrecht.
(zie verder op deze site)
Opleidingstitelbescherming
Behalve de beroepen die in artikel 3 worden
genoemd, zijn er nog andere beroepen die voor een wettelijke regeling in
het kader van de Wet BIG in aanmerking komen. Deze beroepen, de "artikel
34-beroepen", zullen ook via een Amvb worden geregeld, maar hiervoor worden
geen registers aangelegd en is ook het tuchtrecht niet van toepassing.
Voor deze beroepen wordt de opleiding
wettelijk vastgelegd en het gebied van de deskundigheid omschreven. Daarnaast
krijgen deze beroepsbeoefenaren een titel die zij alleen mogen voeren.
In tegenstelling tot de beroepen in artikel 3, waarbij je alleen de titel
mag voeren als je in het register staat ingeschreven, mogen deze "artikel
34"-beroepen de titel voeren als het diploma van de betreffende opleiding
is behaald. Het recht om de titel te voeren geldt dus voor de rest van
het leven en is niet onderworpen aan een systeem van periodieke erkenning.
De minister van VWS heeft besloten het
'nieuwe' beroep Verzorgende in de individuele gezondheidszorg (VIG) te
regelen op basis van artikel 34. De deskundigheidsomschrijving luidt:
1.het verrichten van handelingen op het
gebeid van observatie, begeleiding, verzorging en verpleging in niet complexe
behandelings- en verpleegsituaties;
2.het in opdracht van een beroepsbeoefenaar
op het gebied van de individuele gezondheidszorg verrichten van handelingen,
in aansluiting op diens diagnostische en therapeutische werkzaamheden.
De opleidingseisen voor de beroepsgroep
zijn omschreven in het nieuwe opleidingsstelsel. Ook de beroepsbeoefenaren
met het diploma ziekenverzorging en het diploma MDGO-vp hebben recht op
het voeren van de nieuwe titel 'verzorgende in de individuele gezondheidszorg'.
De Wet BIG leeft!!!
In bijna al onze nieuwskranten beroepsinhoud
zorgsector schreven wij over de Wet BIG. Meer dan 500 mappen uit onze scriptieservice
over de Wet BIG zijn de deur uitgegaan. Verder verstuurden we honderden
brochures over dit onderwerp. En dan nog al die telefoontjes en brieven.
De registratie van verpleegkundigen is
in december 1995 van start gegaan. En in veel instellingen wordt gesproken
over wie er nu wel en niet injecties mogen geven. Daarom neemt het aantal
vragen dat wij over de Wet BIG krijgen fors toe.
Deze nieuwskrant is een themanummer over
de Wet BIG. Met deze krant hopen wij u goede informatie te geven over de
inhoud en de consequenties van de wet. Actuele ontwikkelingen komen aan
de orde en u treft de top-10 van de meest gestelde vragen over de Wet BIG
aan.
Bijna iedereen in de zorgsector heeft
met de Wet BIG te maken. Daarom is het belangrijk te weten wat voor u van
belang is.
TOP
10 VAN DE MEEST GESTELDE VRAGEN
Kan mijn werkgever mij overplaatsen of
ontslaan als ik weiger om een voorbehouden handeling uit te voeren?
Iedereen die een voorbehouden handeling
verricht en niet zelfstandig bevoegd is, moet aan de eisen van de Wet BIG
voldoen. Een arts, tandarts of verloskundige is wel zelfstandig bevoegd.
In grote lijnen komt het er op neer dat de opdracht door een arts aan een
bekwame beroepsbeoefenaar moet worden gegeven en de mogelijkheid op toezicht
moet zijn geregeld (zie elders in deze krant). Als de handeling niet in
de (vervolg)opleiding is geleerd moet je weigeren. Als de opdracht niet
door een arts is gegeven moet je weigeren. Als het toezicht niet is geregeld
moet je weigeren. Met andere woorden de werkgever kan geen sancties aan
de weigering verbinden als je op deze gronden de handeling weigert uit
te voeren.
Ben je bekwaam als je een bijscholing hebt
gevolgd?
Deze vraag is niet met een duidelijk ja
of nee te beantwoorden.
Natuurlijk kun je niet van bekwaamheid
spreken als een handeling die nogal wat consequenties
kan hebben, even in de koffiepauze is
uitgelegd. Als de bijscholing met behulp van een gedegen
opleidingsplan en een aanzienlijk aantal
uren theorie en praktijk gestalte heeft gekregen zou de
vraag met ja beantwoord kunnen worden.
Toetsingscriterium is of je na het volgen van die
bijscholing in staat bent om mogelijke
consequenties van de handeling te kunnen overzien.
Ik heb 20 jaar geleden een diploma
behaald dat nu niet meer bestaat. Mijn werkgever wil mij nu verplichten
een nieuwe opleiding te volgen omdat ik anders niet meer mag blijven werken
door de Wet BIG. Klopt dit?
e Wet BIG geeft niet aan welk diploma
wel of geen waarde heeft. Een 20 jaar oud diploma is
weinig waard als er al die jaren geen
gebruik van is gemaakt en als de vakkennis niet op peil is
gehouden. Het is anders als je al die
tijd in de functie hebt gewerkt waarvoor het diploma is
gehaald, je naar alle tevredenheid functioneert
en de vakkennis hebt bijgehouden. Als het
gaat om diploma's waarvoor de titelbescherming
van toepassing is zal de wet in de toekomst wel
gaan omschrijven of je zonder meer voor
herregistratie in aanmerking komt.
Als bejaardenhelpende deel ik al tien jaar
medicijnen rond. Opeens mag ik dit niet meer volgens de Wet BIG.
Deze vraag is lastig te beantwoorden.
In ieder geval betreft het geen voorbehouden handeling, dus
hoeft er niet aan de extra eisen van de
Wet BIG te worden voldaan. Wel moet de vraag worden
beantwoord of dit binnen het deskundigheidsgebied
valt van de bejaardenhelpende. Medicijnen uitdelen is meer dan alleen pilletjes
ronddelen, maar ook weten wat je geeft en welke werking en eventuele bijwerkingen
het medicijn heeft.
Mag ik als leerling-verpleegkundige injecties
geven?
Ja, mits het geleerd is in de opleiding,
zowel de theorie als de praktijk. Daarnaast moet je altijd aan de extra
eisen van de wet voldoen. Zie vraag 1.
Mag ik als ambulanceverpleegkundige een
infuus inbrengen bij een patiënt die een auto-ongeluk heeft gehad
en een lage bloeddruk heeft.?
Het inbrengen van een infuus is een voorbehouden
handeling. In theorie moet de opdracht dus door een arts worden gegeven.
Deze is echter niet op de plaats van het onheil aanwezig; de
verpleegkundige moet dus zelf oordelen
wat te doen. Het is raadzaam in een protocol vast te leggen wanneer er
in ieder geval een infuus moet worden ingebracht, bijvoorbeeld bij verkeers-slachtoffers
met bloeddrukdaling, buikpijn die mogelijk wijst op inwendige schade of
bij een bleke patiënt. Het moet duidelijk zijn dat het gaat om handelen
in een (dreigende) noodsituatie. De ambulance-verpleegkundige is opgeleid
om hierover te oordelen.
Mijn directeur geeft mij een bekwaamheids-verklaring
voor het inbrengen van blaascatheters. Deze handeling komt op de afdeling
twee maal per jaar voor. Ik voldoe nu toch wel aan de eisen van de Wet
BIG?
Nee! Bekwaamheid wordt verkregen door
opleiding. Daarnaast moet bekwaamheid worden bijgehouden. Dit kan door
het regelmatig uitvoeren van de handeling in de praktijk. Indien een handeling
op de afdeling slechts twee maal per jaar voorkomt kun je niet spreken
over het bijhouden van de bekwaamheid.
Ik heb mij laten registreren met mijn diploma
A-verpleegkundige. Mag ik nu ook nog gebruik maken van mijn Z-diploma?
Ja. Volgens de eisen van de Wet BIG kan
dit zonder meer als de registratie geldig is. De nieuwe werkgever kan echter
wel bijscholing eisen voordat je weer als Z-verpleegkundige aan het werk
gaat. Deze kans is zeker aanwezig als er bijvoorbeeld 15 jaar geleden voor
het laatst in de zorg voor verstandelijk gehandicapten is gewerkt.
Wat moet ik doen als ik voor de tuchtrechter
gedaagd word?
Als je lid bent van ABVAKABO FNV contact
met ons opnemen. Deze vorm van belangenbehartiging valt binnen het dienstverleningspakket
van ABVAKABO FNV. Als je geen lid bent, moet je contact opnemen met een
advocaat.
Mag ik als wijkverpleegkundige een gezinsverzorgende
vragen om benen te zwachtelen bij een cliënt waar zij ook hulp biedt?
Benen zwachtelen is geen voorbehouden
handeling. Maar je kunt als verpleegkundige een collega niet opzadelen
met de verantwoordelijkheid die bij een wijkverpleegkundige hoort.
Bekwaamheid en deskundigheid zijn bij
benen zwachtelen uitdrukkelijk aan de orde. Ondeskundig handelen kan hier
vergaande gevolgen hebben. Voor je de vraag stelt zou je zelf na kunnen
gaan of de handeling tot het deskundigheidsgebied van de verzorgende behoort.
Een vrij uitgebreide takenlijst staat omschreven in de CAO-Thuiszorg. Daarnaast
kun je aanknopingspunten vinden in het beroepsprofiel verzorgende/helpende.
Tuchtrecht
voor verpleegkundigen
Inleiding
Met de komst van de wet BIG (Beroepen
in de Individuele Gezondheidszorg) is de beroepsbescherming van artsen,
tandartsen, verloskundigen en paramedici vervallen, tevens is het verbod
op uitoefening van de geneeskunst opgeheven. Met uitzondering van de voorbehouden
handelingen mag iedereen handelingen verrichten op het gebied van de individuele
gezondheidszorg, inclusief de geneeskundige handelingen. Een gevolg hiervan
is dat op 1 december 1997 het in de wet BIG vastgelegd tuchtrecht ook voor
verpleegkundigen, fysiotherapeuten, psychotherapeuten en klinisch psychologen
geldt.
Dus het tuchtrecht gaat iedere verpleegkundige
aan.
De tuchtrechtspraak voor o.a. verpleegkundige
is een instrument, om de kwaliteit van de beroepsbeoefenaar te bevorderen
en te bewaken. Er kunnen maatregelen worden opgelegd aan degenen die onder
de maat presteren. Maar ook, en een niet onbelangrijke onderdeel van het
tuchtrecht, worden door uitspraken van het tuchtcolleges een beroepsethiek
geformuleerd voor de hele beroepsgroep. Op deze manier kan er een invulling
gegeven worden aan tamelijk vage begrippen uit de wet zoals verantwoord
handelen’ en ‘voldoende kwaliteit van zorg’.
Het is een hardnekkig misverstand dat
de wet BIG alleen iets regelt omtrent het uitvoeren van de zogenaamde voorbehouden
handelingen. De wet BIG regelt veel meer, de wet geeft onder meer deskundigheidsgebieden
aan waardoor a. de wet een instrument is om de kwaliteit te waarborgen
en b. dit getoetst wordt door het tuchtrecht wat tevens de gelegenheid
bied aan patiënten en b.v. nabestaanden zich te beklagen.
Het gaat het hier niet alleen om de voorbehouden
handelingen, maar ook om verzorgende en verpleegkundige handelingen en
bejegening. De gangbare verpleegkundige praktijk wordt getoetst waarbij
de beroepscode tevens een steeds belangrijkere rol zal gaan spelen.
Indien de verpleegkundige in de zorg,
in die hoedanigheid hoort te verlenen, tekort schiet, kan de tuchtrechter
maatregelen opleggen.
Wanneer
ben je als verpleegkundige onderworpen aan het tuchtrecht
De wet BIG geeft aan dat je aan tuchtrecht
kan worden onderworpen op basis van twee tuchtnormen die in de wet omschreven
staan:
1. Handelen of nalaten van handelen in
strijd met de zorg die de geregistreerde zorgverlener verleent of als goed
beroepsbeoefenaar behoort te betrachten ten opzichte van de patiënt
en de naaste betrekkingen van de patiënt;
2. Enig ander handelen of nalaten als
geregistreerde zorgverlener in strijd met het belang van een goede uitoefening
van de individuele gezondheidszorg.
In de eerste tuchtnorm staat het tekort
schieten in zorgverlening aan de patiënt en zijn naaste betrekkingen,
centraal. Dit is bijvoorbeeld de partner of de ouders van een minderjarige.
Voorbeelden van de eerste tuchtnorm:
het niet of te laat komen naar een patiënt
het te laat of verkeerd stellen van een
diagnose
het buiten de grenzen van zijn kennen
en kunnen treden
de patiënt onvoldoende informeren
het schenden van de vertrouwensrelatie
het verstrekken van de verkeerde medicijnen
ten onrechte niet doorverwijzen naar een
andere hulpverlener
seksuele intimidatie
De tweede tuchtnorm is aanvullend op de
eerste. Er zijn gedragingen van zorgverleners die weliswaar niet betrekking
hebben op een bepaalde patiënt of diens naaste relaties, maar die
toch van zodanige invloed zijn op de uitoefening van de individuele gezondheidszorg,
dat de zorgverleners daarvoor tuchtrechterlijk aansprakelijk moeten worden
gesteld.
Voorbeelden hiervan zijn:
de relatie tussen zorgverleners en zijn
collega's: bijvoorbeeld weigeren deel te nemen aan
de waarnemingsregeling.
het niet goed beheren van patiëntendossiers
het niet invullen van bijvoorbeeld een
MIP-formulier
De tuchtnormen zijn nogal abstract geformuleerd.
De gangbare verpleegkundige praktijk zal telkens ook een rol spelen in
het oordeel van het tuchtcollege.
Gangbare verpleegkundige praktijk wordt
ondermeer beschreven in:
op schrift gestelde reglementen, standaarden,
codes voor zover deze normen bevatten hoe een beroepsbeoefenaar moet handelen.
algemene maatschappelijke zorgvuldigheidsnormen
(deze zijn te vinden in onder meer de wet geneeskundige behandelingsovereenkomst
en bijvoorbeeld de wet BOPZ).
eerdere uitspraken van tuchtcolleges,
voor zover deze gepubliceerd zijn.
Tot slot speelt de eigen kennis van de
leden-beroepsgenoten van de tuchtcolleges een belangrijke rol. Dit is immers
de toegevoegde waarde van de leden-beroepsgenoten. Zij moeten tevens in
staat zijn de context van het gebeurde te beoordelen waardoor de klacht
is ingediend.
Wie
kan er klacht indienen?
Een klacht kan bij het regionale tuchtcollege
aanhangig worden gemaakt door een schriftelijke klacht van:
de rechtstreeks belanghebbende (de patiënt)
de partner, familieleden van de patiënt
of mentor van de patiënt
degene die een opdracht heeft verstrekt
(bijvoorbeeld de arts)
het bestuur van een instelling waarbij
degene over wie wordt geklaagd, werkzaam of voor het verlenen van de individuele
gezondheidszorg ingeschreven is (de werkgever)
de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur
van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde
belangen aangaat.
Collega verpleegkundigen, waarneer zij
in hun beroep gehinderd worden in hun beroepsuitoefening
Hoe kan worden
geklaagd?
Een klacht moet schriftelijk worden ingediend
bij het regionale tuchtcollege dat de woonplaats van de aangeklaagde beroepsbeoefenaar
tot ambtsgebied heeft.
Voor Groningen zijn dat de provincies
Groningen, Friesland en Drenthe.
Voor Zwolle zijn dat de provincies Overijssel,
Flevoland en Gelderland
Voor Amsterdam zijn dat de provincies
Noord-Holland en Utrecht.
Voor Den Haag zijn dat de provincies Zuid-Holland
en Zeeland.
Voor Eindhoven zijn dat de provincies
Noord-Brabant en Limburg.
Procedure
Het klaagschrift moet aan bepaalde voorwaarden
voldoen en moet binnen 10 jaar na het gebeurde worden ingediend. Zo moet
de klacht zoveel mogelijk worden voorzien van de data en feiten en argumenten
waarop de klacht berust.
De secretaris van het tuchtcollege stuurt
een afschrift van het klaagschrift aan degene waarover wordt geklaagd.
Vooronderzoek
Het indienen van een klacht hoeft niet
altijd te betekenen dat er een zitting komt.
Voorafgaand aan een zitting vindt er een
vooronderzoek plaats. Dit vooronderzoek gebeurt door de secretaris of door
een lid van het tuchtcollege.
Tijdens het vooronderzoek wordt onder
meer beoordeeld of de klacht ontvankelijk is. (is de klacht binnen 10 jaar
na het gebeurde ingediend, staat de beroepsbeoefenaar waarover geklaagd
wordt wel in het BIG-register ingeschreven?). Is een klacht niet-ontvankelijk,
dan wordt deze niet verder behandeld.
Tijdens het vooronderzoek wordt tevens
extra informatie verzameld en worden zonodig getuigen en deskundigen opgeroepen.
Daarnaast worden zowel de klager als de aangeklaagde gehoord.
Ook wanneer tijdens het onderzoek blijkt
dat er onvoldoende onduidelijkheid is kan er een zitting belegd worden.
Als tijdens het vooronderzoek blijkt dat
er ruimte voor overeenstemming bestaat tussen de klager en aangeklaagde,
zal worden geprobeerd tot een 'minnelijke oplossing' te komen. Zo'n oplossing
moet door beide partijen voor akkoord worden getekend. In dat geval zal
het niet tot een rechtszitting komen omdat de klacht wordt ingetrokken.
Na afloop vooronderzoek:
Na afloop van het vooronderzoek kan de
klacht wordt verwezen naar een zitting van het tuchtcollege.
Maar als het vooronderzoek blijkt dat
de klacht kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht is, zal de klacht
niet verder worden behandeld door het tuchtcollege.
Indien de klacht wel wordt verwezen naar
het tuchtcollege mag degene die het vooronderzoek heeft verricht niet deelnemen
aan de zitting van het tuchtcollege.
Behandeling
klacht:
Indien de klacht door het tuchtcollege
wordt behandeld krijgen zowel de klager als de aangeklaagde tenminste drie
weken voor de zitting een uitnodiging voor de zitting. In deze drie weken
krijgen beide partijen de gelegenheid alle processtukken te bekijken. Uitzondering
hierop zijn de stukken die de persoonlijke levenssfeer raken van anderen
dan de klager of de aangeklaagde. Deze stukken mogen alleen door de advocaat
of een daartoe gemachtigde arts worden ingezien.
Tijdens de zitting kunnen getuigen en
deskundigen worden opgeroepen. Deze zijn verplicht te verschijnen.
Zitting:
De zittingen van de tuchtcolleges zijn
in principe openbaar. Hiervan kan worden afgeweken om gewichtige redenen.
Er moet hierbij gedacht worden aan de omschrijving van gewichtige redenen
in het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens. Globaal gaat handelt
het over de bescherming van het privé-leven, het belang van goede
zeden, de belangen van minderjarigen en de omstandigheid dat openbaarheid
de rechtspraak zou schaden.
Bijwonen:
Zowel de klager, als degene waarover wordt
geklaagd, kunnen de rechtszitting bijwonen. Het bijwonen is geen verplichting.
Daarbij kunnen zowel de klager als degene waarover wordt geklaagd zich
laten bijstaan door een jurist. Voor leden van vakbonden kunnen dit vakbondsjuristen
zijn.
Samenstelling tuchtcollege:
Het regionale tuchtcollege is samengesteld
uit 2 juristen (waarvan één de voorzitter is) en 3 leden-beroepsgenoten
(in dit geval verpleegkundigen). Bij eenvoudige zaken kan het college bestaan
uit drie personen: één jurist (de voorzitter) en twee leden-beroepsgenoten.
Uiterlijk twee maanden na de zitting doet
het tuchtcollege uitspraak. ook deze uitspraak is in principe openbaar.
Bij de uitspraak worden alle argumenten belicht die tot deze uitspraak
hebben geleid.
Tuchtmaatregelen
Het tuchtcollege kan de volgende maatregelen
opleggen:
een waarschuwing
een berisping
een geldboete van maximaal tienduizend
gulden
een (voorwaardelijke) schorsing van de
registratie als beroepsbeoefenaar
een combinatie van een geldboete en een
(voorwaardelijke)schorsing
een gedeeltelijke ontzegging van het recht
als geregistreerde het beroep uit te oefenen
doorhaling van de registratie
De waarschuwing is de lichtste maatregel.
Het is een terechtwijzing aan de beroepsbeoefenaar dat zijn gedrag onjuist
is. Het heeft met name een corrigerende en voorlichtende strekking.
Tussen de waarschuwing en de berisping
bestaat een verschil: de berisping heeft een veroordelende strekking. De
beroepsbeoefenaar treft een ernstig verwijt.
Bij de eerste drie opgelegde straffen
mag de beroepsbeoefenaar zijn van zonder beperkingen blijven uitvoeren.
De schorsing kan voor maximaal één
jaar worden opgelegd. Gedurende deze periode mag de verpleegkundige zijn
werkzaamheden als verpleegkundige niet meer uitvoeren als de schorsing
onvoorwaardelijk is opgelegd. Bij een voorwaardelijke schorsing moet de
beroepsbeoefenaar zich aan bepaalde regels houden. Doet hij dit niet, dan
wordt hij alsnog onvoorwaardelijk geschorst.
De gedeeltelijke ontzegging van het recht
als geregistreerde het beroep uit te oefenen houdt in dat aan een bepaalde
beroepsbeoefenaar beperkingen kunnen worden opgelegd. Als voorbeeld: de
verpleegkundige mag bijvoorbeeld geeft injecties meer geven.
De doorhaling van de registratie houdt
in dat je nooit meer als verpleegkundige mag werken. Dit is de zwaarste
maatregel die kan worden opgelegd.
Hoger Beroep:
Binnen zes weken na de uitspraak kan bij
het centrale tuchtcollege hoger beroep worden aangetekend. De klager kan
niet in hoger beroep gaan als hij vindt dat de opgelegde maatregel te licht
is. De aangeklaagde beroepsbeoefenaar en de inspecteur voor de volksgezondheid
hebben altijd het recht om hoger beroep in te stellen, Het centrale tuchtcollege
is gevestigd in Den Haag en bestaat uit 3 juristen en 2 leden-beroepsgenoten.
De procedure is vrijwel dezelfde als de
behandeling bij het regionale tuchtcollege. Uitzondering is de verplichting
tot het vooronderzoek.
Belangrijk is te weten wat nu precies
de rol van de inspecteur van Volksgezondheid is in deze. Per 1 december
1996 is er een Leidraad van toepassing welke van belang is voor een onderzoek
door de inspectie voor de Gezondheidszorg. Deze leidraad bevat regels over
het volgen van de klachten procedure.
De taak van de Inspectie ligt in het toezicht
houden op de naleving van wettelijke voorschriften op het gebied van de
volksgezondheid en het bewaken van de kwaliteit.
Ook via deze manier van klachten is er
een procedure waaraan de Inspecteur zich dient te houden, zo zijn er procedures
t.a.v. indien klacht, onderzoeken van een klacht, verwijzing van een klacht,
informatie verstrekking, tussentijdse beëindiging van een onderzoek
van een klacht, vaststelling, verslaglegging, melding aan Tucht College.
De precieze uitwerking hiervan is na te lezen in de Gezondheidswet, welke
o.a. beschreven staat in Praktijkboek Gezondheidsrecht (art. 30.20)
BEROEPSCODE
VOOR VERPLEGING EN VERZORGING
Woord vooraf.
Deze beroepscode wordt aanbevolen aan
allen die op het terrein van de verpleging en verzorging werkzaam zijn.
De code beoogt de waarden, normen en gedragsregels vast te leggen die van
belang zijn voor de verpleging en verzorging.
De patiënt heeft behoefte aan eenduidig
gedragslijnen van hulpverleners. Van een verschil van normen en waarden
op basis van functie of inkomen kan dan ook geen sprake zijn. In deze beroepscode
komt daarom de solidariteit tussen verplegenden en verzorgenden tot uiting.
Samen zullen zij elkaar moeten sturen bij de uitvoering van de zorg. Samen
zijn zij verantwoordelijk voor een goede kwaliteit van zorg en leggen zij
zich vast op de uitgangspunten daartoe. De gelijkwaardigheid van verplegenden
en verzorgenden tenslotte, wordt onderstreept door één beroepscode
voor alle verplegenden en verzorgenden.
Het terrein waarop verplegenden en verzorgenden
actief zijn, is zeer verschillend. Het is daarom nodig, dat verplegenden
en verzorgenden deze beroepscode vertalen naar de eigen situatie. Deze
beroepscode biedt hen daartoe de mogelijkheid: zij is zo geformuleerd,
dat zij ook in specifieke situaties verplegenden en verzorgenden voldoende
houvast biedt om goed te handelen.
De International Counsil of Nurses (ICN)
heeft in 1953 een code opgesteld die handelt over de verhouding tussen
verpleegkundigen en verzorgenden onderling en de relatie tussen de zorgvrager
en anderen. De ICN-code is ook gebruikt als basis voor de voorliggende
beroepscode.
Beroepsmatig/professioneel zorg verlenen
is het herkennen, analyseren, alsmede advies en bijstand verlenen ten aanzien
van feitelijke of dreigende gevolgen van handicaps, ontwikkelingsstoornissen
en hun behandeling voor de fundamentele levensverrichtingen van het individu.
Het beroepsmatig/professioneel zorg verlenen houdt tevens in, het zodanig
beïnvloeden van mensen, dat menselijke vermogens worden benut met
het oog op het in stand houden en bevorderen van de gezondheid. Beroepsmatig/professioneel
zorg verlenen vindt per definitie multidisciplinair plaats. Dit betekent
wederzijds respect voor de deskundigheden van collega's en andere beroepsbeoefenaren.
Deze beroepscode is een samenhangend geheel
met het verpleegkundig beroepsprofiel en het beroepsprofiel van verzorgende/helpende,
zij vullen elkaar aan. In de code is de belofte tot geheimhouding opgenomen
welke de verplegende/verzorgende aflegt als het diploma wordt behaald.
Deze beroepscode geeft de mogelijkheid
beslissingen te nemen die goed aansluiten op de eigen morele overtuiging
van de professionele verplegende/verzorgende. Zodra de verplegende/verzorgende
beslissingen neemt die afwijken van de in de code genoemde normen dan kan
men hierop worden aangesproken door collega's en moet men zich verantwoorden.
In procedures, zoals in het klachtrecht of tuchtrecht, waarin verplegenden/verzorgenden
ter verantwoording worden geroepen dient het handelen getoetst te worden
aan de intentie van deze beroepscode.
Waar in de tekst de functie van verplegende/verzorgde
wordt genoemd, wordt de ziekenverzorgende, verpleegkundige, verpleger/verpleegster
kraamverzorgende, gezinsverzorgende, lichamelijk gehandicapten verzorgende
en bejaardenverzorgende alsmede de helpende bedoeld. In de code wordt als
"verzamelnaam" de term verplegende/verzorgende gebruikt. Ook zij die nog
in opleiding zijn dienen zich aan de beroepscode te houden.
Waarin de tekst de aanduiding "zij" wordt
gebruikt, wordt ook "hij" bedoeld.
1. Uitgangspunten met betrekking tot de
beroepsuitoefening.
1.1 De verplegende/verzorgende verleent
zorg aan de zorgvrager, ongeacht diens levensbeschouwing, waarden, normen,
en gewoontes. Zij benadert de zorgvrager zonder aanziens des persoons.
1.2 De verplegende/verzorgde is verplicht
geheim te houden al hetgeen haar als geheim is toevertrouwd, of hetgeen
daarbij ter hare kennis is gekomen of waarvan zij het vertrouwelijk karakter
moet begrijpen.
1.3 De verplegende/verzorgde informeert
de zorgvrager (indien onbekwaam diens naaste) over zijn rechten en de in
dit verband te volgen procedures. Daarbij wordt betrokken relevante wetgeving,
maatschappelijke, culturele en beroepsmatige inzichten.
1.4 De verplegende/verzorgende dient te
beschikken over de deskundigheid die nodig is voor een verantwoorde en
adequate beroepsuitoefening en de verplegende/verzorgende heeft hierin
verantwoordelijkheid naar collega's.
1.5 De verplegende/verzorgende ontplooit
initiatieven en ondersteunt activiteiten ter bevordering van de ontwikkeling
van het beroep, met inachtneming van de grenzen aan de beroepsuitoefening.
1.6 De verplegende/verzorgende is verantwoordelijk
voor haar eigen handelen.
2. De verplegende/verzorgende in relatie
tot de zorgvrager.
2.1 De verplegende/verzorgende stelt samen
met de zorgvrager (indien onbekwaam diens naaste) de zorgbehoefte en de
hulpvraag vast. In samenspraak met de zorgvrager zorgt de verplegende/verzorgende
voor het plannen, uitvoeren, vastleggen en evalueren van het zorgplan,
met inachtneming van de grenzen en de mogelijkheden van de verplegende/verzorgende
en de zorgvrager.
2.2 De verplegende/verzorgende onthoudt
zich van machtsmisbruik, intimidatie en ongewenste intimiteiten.
2.3 De verplegende/verzorgende gaat in
de persoonlijke sfeer geen afhankelijkheidsrelatie met de zorgvrager aan.
2.4 De verplegende/verzorgende die op
basis van haar levensovertuiging en/of beroepsopvattingen bezwaar heeft
mee te werken aan bepaalde handelingen ten aanzien van de zorgvrager, draagt
de zorg over aan collega's of derden.
3. De verplegende/verzorgende in relatie
tot collega's en anderen.
3.1 De verplegende/verzorgende kijkt kritisch
naar haarzelf, collega's en andere beroepsbeoefenaren. Als zij bij hen
gedrag bemerkt waarmee zij de zorgvrager schade zouden kunnen toebrengen,
dan neemt zij maatregelen ter bescherming van de zorgvrager.
3.2 De verplegende/verzorgende steunt
collega's die nadelige gevolgen ondervinden doordat zij zich overeenkomstig
hun beroepscode gedragen.
4. De verplegende/verzorgende in relatie
tot de samenleving.
4.1 De verplegende/verzorgende ondersteunt
de activiteiten van de beroepsgroep om voorwaarden te scheppen voor een
goede beroepsuitoefening.
4.2 De verplegende/verzorgende neemt,
bij voorkeur als lid van een vak- of beroepsorganisatie deel aan het tot
stand brengen en het handhaven van rechtvaardige sociaal-economische arbeidsvoorwaarden.
4.3 De verplegende/verzorgende houdt in
haar beroepsuitoefening rekening met recht op zorg voor iedereen, rechtvaardige
verdeling van middelen en bescherming van het leefmilieu.
4.4 De verplegende/verzorgende stelt zich
actief op in het signaleren van gezondheidsbedreigende factoren, bevordert
de opheffing daarvan en draagt bij aan de ontwikkeling van nieuwe inzichten
ter verbetering van de volksgezondheid.
4.5 De verplegende/verzorgende spreekt
de werkgever en de samenleving aan wanneer er geen adequate zorg meer geboden
kan worden.
4.6 De verplegende/verzorgende onthoudt
zich van commerciële activiteiten, welke relatie hebben met de beroepsuitoefening. |