Wet flexibiliteit en zekerheid
Arbeidsovereenkomsten voor
bepaalde tijd
Beëindiging arbeidsovereenkomst
via RDA
Ontbindingsprocedure bij
de kantonrechter
Wijziging Werkloosheidswet
Flexwerkers, oproepkrachten,
freelancers, e.d.
Inhoud arbeidsovereenkomst
Aansprakelijkheid inlener
voor ingeleende arbeidskrachten
Bronvermelding
1. Arbeidsovereenkomsten
voor bepaalde tijd
a. Voortzetting arbeidsovereenkomst voor
bepaalde tijd
Onder de vóór 1 januari
1999 geldende regelgeving eindigde een voor bepaalde tijd verlengde arbeidsovereenkomst
niet van rechtswege aan het einde van de periode van verlenging, tenzij
bij CAO anders was bepaald. Wilde men onder de oude wetgeving een einde
maken aan een verlengde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, dan diende
deze te worden opgezegd. Opzegging kon eerst rechtsgeldig plaatsvinden
nadat een ontslagvergunning van de Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening
(“RDA”) was verkregen.
Sedert 1 januari 1999 eindigen voor bepaalde
tijd verlengde arbeidsovereenkomsten na ommekomst van de periode van verlenging
van rechtswege. Opzegging is derhalve niet langer nodig. Daarbij gelden
evenwel de volgende beperkingen:
Indien voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten
elkaar met tussenpozen van minder dan drie maanden opvolgen, geldt de laatste
overeenkomst als een arbeids-overeenkomst voor onbepaalde tijd zodra:
a. de periode waarin deze arbeidsovereenkomsten
elkaar hebben opgevolgd langer is dan 36 maanden, of
b. het in totaal meer dan drie arbeidsovereenkomsten
voor bepaalde tijd betreft.
Daarentegen wordt een arbeidsovereenkomst
voor niet langer dan drie maanden die onmiddellijk volgt op een arbeidsovereenkomst
aangegaan voor een periode van 36 maanden of langer niet geacht voor onbepaalde
tijd te zijn aangegaan.
Het spreekt voor zich dat werkgevers onder
de nieuwe wetgeving aanmerkelijk meer speelruimte krijgen om arbeidsovereenkomsten
voor bepaalde tijd na ommekomst van de bepaalde tijd te verlengen voor
opnieuw een bepaalde tijd, zonder dat een dergelijke verlenging tot ontslagbescherming
zal leiden.
Op arbeidsovereenkomsten die zijn voortgezet
voor 1 januari 1999 blijven de oude bepalingen gedurende die voortzetting
van toepassing. Werknemers die 31 december 1999 ontslagbescherming genoten,
behouden die ontslagbescherming ook ná inwerkingtreding van de Flexwet
totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze (rechtsgeldige opzegging
of rechterlijke ontbinding) is geëindigd.
Hoewel de nieuwe regeling voordelen voor
werkgever creëert, schuilt er in de nieuwe regeling ook een zeker
gevaar nu voornoemde regeling van overeenkomstige toepassing is op elkaar
opvolgende arbeidsovereenkomsten tussen een werknemer en verschillende
werkgevers, die ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht
moeten worden elkaars opvolgers te zijn.
Nu uitzendovereenkomsten sedert 1 januari
1999 expliciet onder de definitie voor de arbeidsovereenkomsten vallen,
moet voor ogen worden gehouden dat een uitzendperiode voorafgaande aan
indiensttreding van belang kan zijn voor de vaststelling van het aantal
voor
bepaalde tijd aangegane overeenkomsten
wanneer de verrichte arbeid als uitzendkracht gelijk is aan de daarop als
werknemer te verrichte werkzaamheden.
b. Tussentijdse opzegging arbeidsovereenkomst
voor bepaalde tijd
Een tussentijdse opzegging van een arbeidsovereenkomst
voor bepaalde tijd is sedert 1 januari 1999 alleen nog mogelijk indien
de mogelijkheid daartoe schriftelijk is overeengekomen. (Bij een dergelijk
opzegging zijn de opzeggingsverboden onverkort van kracht).
c. Reden opzegging
Sedert 1 januari 1999 dient degene die
de arbeidsovereenkomst opzegt de andere partij op diens verzoek schriftelijk
opgave van de reden van opzegging te geven. Ook indien de opzegging plaatsvindt
tijdens de proeftijd.
2. Beëindiging arbeidsovereenkomst
via RDA
a. Opzegtermijnen
De regeling met betrekking tot de opzegtermijnen
is aanmerkelijk vereenvoudigd. Sedert 1 januari 1999 gelden voor de werkgever
de volgende wettelijke opzegtermijnen .
- bij dienstverbanden van korter dan 5
jaar: 1 maand
- bij dienstverbanden van 5 tot 10 jaar:
2 maanden
- bij dienstverbanden van 10 tot 15 jaar:
3 maanden
- bij dienstverbanden van 15 jaar of langer:
4 maanden
De maximumduur van de opzegtermijn is voor
de werkgever derhalve in beginsel ingekort tot 4 maanden. Verdere verkorting
van de opzegtermijn is alleen bij CAO mogelijk. De wettelijke opzegtermijn
voor de werknemer is gesteld op één maand.
Werkgever en werknemer kunnen schriftelijk
een langere opzegtermijn overeenkomen. In dat geval mag de opzegtermijn
voor de werknemer niet langer dan 6 maanden zijn en voor de werkgever niet
korter dan het dubbele van die voor de werknemer .
Ingevolge de nieuwe wetgeving dient opzegging
te geschieden tegen het einde van de maand tenzij bij schriftelijke overeenkomst,
reglement of door het gebruik een andere dag daarvoor is aangewezen. Indien
partijen de opzegtermijnen zo kort mogelijk willen houden, zal expliciet
in de arbeidsovereenkomst moeten worden opgenomen dat tegen elke dag kan
worden opgezegd.
b. Verkorting opzegtermijn na verkrijgen
ontslagvergunning
Een arbeidsovereenkomst kan eerst rechtsgeldig
worden opgezegd nadat een ontslag-vergunning is verkregen. Als gevolg hiervan
wordt de opzegtermijn feitelijk verlengd met de duur van de behandeling
van de ontslagaanvraag door de RDA, welke thans gemiddeld zes tot acht
weken bedraagt.
In de nieuwe regeling wordt de termijn
van opzegging met één maand verkort indien de werkgever met
gebruikmaking van een ontslagvergunning opzegt, met dien verstande dat
de resterende opzegtermijn tenminste één maand bedraagt.
c. Verkorte procedure bij bedrijfseconomische
redenen
Voor ontslagaanvragen op grond van bedrijfseconomische
redenen is een verkorte procedure van toepassing indien aan de aanvraag
een verklaring van geen bezwaar van de werknemer is gehecht. De RDA geeft
de werknemer in dat geval wel nog de mogelijkheid om binnen één
week bezwaar te maken. Laat de werknemer deze termijn onbenut verstrijken,
dan zal de ontslagvergunning in beginsel worden afgegeven zonder dat advies
zal worden gevraagd aan de ontslagcommissie.
d. Opzegging tijdens ziekte mogelijk
Vóór 1 januari 1999 was
opzegging gedurende de eerste twee ziekte jaren van een werknemer niet
toegestaan. Per 1 januari 1999 is opzegging tijdens ziekte wel mogelijk
indien de ziekte een aanvang heeft genomen nadat het verzoek om een ontslagaanvraag
door de RDA is ontvangen . Met het vorenstaande “beloont” de wetgever de
werkgever die eerst een ontslagaanvraag indient en pas daarna zijn werknemer
hierover informeert. Op die manier wordt de werknemer een belangrijk instrument
uit handen genomen om de ontslagprocedure te frustreren.
Genoemde regelingen, alsmede de mogelijkheid
van opzegging tijdens ziekte, betekenen een zekere versoepeling van de
ontslagprocedure bij de RDA. Het is echter de vraag of het raadzaam is
voortaan een ontslagprocedure bij de RDA te verkiezen boven ontbinding
door de kantonrechter. Naar verwachting zal een beëindiging van een
arbeidsovereenkomst nog altijd sneller via de kantonrechter kunnen worden
geëffectueerd, tenzij de werknemer op voorhand te kennen geeft dat
hij geen bezwaar zal maken.
e. Vervallen van vergunningsplicht bij
opzegging door werknemer
De vergunningsplicht voor de werknemer
die zijn arbeidsovereenkomst opzegt, is in de nieuwe regeling komen te
vervallen. Het schrappen van de vergunningsplicht betekent dat het voor
een werkgever nagenoeg onmogelijk wordt om zich te verzetten tegen een
opzegging door een werknemer. Wel kan de werkgever voortaan van de werknemer
verlangen dat hij de reden van zijn ontslag opgeeft. In bepaalde gevallen
zal een werkgever een schadevergoeding van een werknemer kunnen vorderen
indien deze zijn opzegbevoegdheid heeft misbruikt.
f. Opzeggingsverboden
De regeling met betrekking tot de opzegverboden
is grotendeels gehandhaafd gebleven, zij het dat de opzegverboden in één
wetsartikel zijn geconcentreerd. Vermeldenswaardig is dat een werkgever
ondermeer niet kan opzeggen:
1) gedurende ziekte (tenzij de arbeidsovereenkomst
tenminste twee jaren heeft geduurd);
2) gedurende zwangerschap;
3) wegens lidmaatschap van een werknemer
van een vakbond;
4) gedurende lidmaatschap van een werknemer
van een arbocommissie;
5) gedurende lidmaatschap van een werknemer
van een (Europese) ondernemingsraad;
6) wegens de omstandigheid dat een werknemer
zijn recht op ouderschapsverlof geldend maakt.
In al deze gevallen zal de beëindiging
van de arbeidsovereenkomst via een ontbindings-procedure bij de kantonrechter
geëffectueerd dienen te worden. In dat geval is het aan de werkgever
om aannemelijk te maken dat er geen verband bestaat tussen het ontbindings-verzoek
en een opzeggingsverbod.
Op voormelde regelingen bestaan twee uitzonderingen.
De opzegverboden zijn niet van toepassing indien de werknemer schriftelijk
in de opzegging toestemt, alsmede indien de opzegging geschiedt wegens
beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of een onderdeel
daarvan, waarin de werknemer uitsluitend of in hoofdzaak werkzaam is.
Ingeval van overtreding van het opzegverbod
kan de werknemer binnen twee maanden de nietigheid van de opzegging inroepen
door kennisgeving aan de werkgever.
3. Ontbindingsprocedure
bij de kantonrechter
Sedert 1 januari 1999 mag de kantonrechter
een verzoek tot ontbinding slechts inwilligen indien hij er zich van heeft
vergewist of het ontbindingsverzoek verband houdt met het bestaan van een
opzegverbod voor de betrokken werknemer. Als zodanig wordt de kantonrechter
voortaan verplicht bij zijn beoordeling rekening te houden met de opzegverboden.
Indien het ontbindingsverzoek een arbeidsongeschikte
werknemer betreft, dient bij het verzoek een door het Landelijk Instituut
Sociale Verzekeringen (Lisv) getoetst reïntegratieplan te worden overgelegd,
bij gebreke waarvan de werkgever niet ontvankelijk wordt verklaard. Omdat
de toetsing van het reïntegratieplan door de uitvoeringsinstelling
enige tijd zal vergen, zal dit vereiste in de praktijk tot verregaande
vertraging van de ontslagprocedure van een zieke leiden. Verdere vertraging
valt te verwachten, wanneer de werknemer in kwestie niet bereid is mee
te werken aan zijn reïntegratie. Het verdient derhalve aanbeveling
om het reïntegratieplan in een zo vroeg mogelijk stadium op te stellen
en ter toetsing aan de Lisv voor te leggen.
4. Wijziging Werkloosheidswet
Een vergoeding die aan een werknemer wordt
toegekend in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst
werd vóór 1 januari 1999 niet verrekend met een na het ontslag
toegekende WW-uitkering.
In de nieuwe regeling wordt in die gevallen
waarin de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd (al dan niet ten gevolge
van ontbinding door de kantonrechter) zonder inachtneming van de volledige
opzegtermijn, de ontslagvergoeding aangemerkt als loon over de opzegtermijn
die de werkgever normaal gesproken in acht zou hebben moeten nemen. Het
recht op een WW-uitkering ontstaat eerst na het verstrijken van deze fictieve
opzegtermijn. Afhankelijk van de wijze waarop de arbeidsovereenkomst wordt
beëindigd, vangt de fictieve opzegtermijn aan op de dag van opzegging,
de datum van de ontbindingsbeschikking of op de datum waarop de beëindingsovereenkomst
wordt gesloten.
5. Flexwerkers, oproepkrachten,
freelancers, e.d.
a. Wettelijke vermoedens bestaan arbeidsovereenkomst
en omvang arbeidsduur
In de rijk geschakeerde praktijk van de
arbeidsmarkt komen afspraken en situaties met betrekking tot arbeidsrelaties
voor waarvan niet of niet onmiddellijk valt vast te stellen hoe zij juridisch
moeten worden geduid. Om die reden heeft de wetgever het noodzakelijk geacht
een tweetal rechtsvermoedens te introduceren, die de rechtzekerheid in
de arbeidsrelaties ten goede zullen komen. De rechtsvermoedens hebben betrekking
op de aard van de arbeidsrelatie en de omvang van de arbeidsduur.
Indien tegen beloning gedurende drie opeenvolgende
maanden wekelijks danwel gedurende tenminste 20 uur per maand arbeid wordt
verricht, wordt vermoed dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Voorts
wordt de bedongen arbeid in enige maand vermoed een omvang te hebben gelijk
aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande
maanden. Het voorgaande kan in de praktijk tot problemen leiden bij het
tewerkstellen van stagiaires, freelancers en andere losse krachten. Om
die reden verdient het aanbeveling afspraken met dergelijke arbeidskrachten
voortaan altijd duidelijk schriftelijk vast te leggen voor aanvang van
de werkzaamheden.
Deze rechtsvermoedens zijn overigens wel
weerlegbaar; de werkgever behoudt dus de mogelijkheid om tegenbewijs te
leveren ten aanzien van het vermoede bestaan van een arbeidsovereenkomst
en/of de vermoede omvang van de arbeidsduur. In de praktijk zal dit bewijs
echter niet eenvoudig te leveren zijn .
b. Minimumaanspraak op loon van oproepkracht
De wetgever acht het binnen de context
van het goed werkgeverschap niet passend dat werknemers worden geconfronteerd
met minimale oproepen, als dat bovendien met onzekerheid over de omvang
van arbeid en werktijden gepaard gaat. Bijvoorbeeld als onduidelijke afspraken
hieraan ten grondslag liggen. Om die reden is in de nieuwe wet bepaald
dat een oproepkracht met wie een arbeidsomvang van minder dan 15 uur per
week is overeengekomen voor iedere periode die gewerkt wordt voor minimaal
3 uur recht heeft op loon, ook indien minder dan drie uur per oproep is
gewerkt. Dit is slechts anders indien de tijdstippen waarop moet worden
gewerkt en/of de omvang ervan eenduidig zijn vastgelegd .
6. Inhoud arbeidsovereenkomst
a. Beperking loondoorbetalingsverplichting
Ook in de nieuwe regeling blijft op de
werkgever een loondoorbetalingsverplichting rusten voor het geval de werknemer
de bedongen arbeid niet heeft verricht en de oorzaak daarvan in redelijkheid
voor rekening van de werkgever behoort te komen. De werkgever blijft in
de toekomst de mogelijkheid behouden bij schriftelijke overeenkomst of
bij reglement dit recht op loon uit te sluiten. In de nieuwe regeling wordt
de mogelijkheid hiertoe evenwel beperkt tot de eerste zes maanden van de
arbeidsovereenkomst. Na het verstrijken van deze termijn kan nog slechts
bij CAO van de loondoorbetalingsverplichting worden afgeweken.
b. Proeftijd
Tot 1 januari 1999 konden werkgever en
werknemer een proeftijd van maximaal twee maanden afspreken, waarbinnen
elk der partijen onmiddellijk en zonder opgaaf van reden de overeenkomst
kan beëindigen. In de nieuwe regeling is de maximumduur van de proeftijd
afhankelijk van de duur en de aard van de overeenkomst. Indien een arbeidsovereenkomst
voor korter dan twee jaar wordt aangegaan kan slechts een proeftijd van
maximaal één maand worden overeengekomen. Hetzelfde geldt
voor arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd waarbij de einddatum niet
op een kalenderdatum is gesteld. Bij alle andere arbeidsovereenkomsten
kan de proeftijd maximaal twee maanden bedragen .
Indien een langere proeftijd is overeengekomen
dan wettelijk is toegestaan, geldt niet de maximaal toegestane proeftijd
maar is het gehele proeftijdbeding nietig. Voorts is van belang dat het
proeftijdbeding slechts geldig is als dit schriftelijk is overeengekomen
.
7. Aansprakelijkheid inlener
voor ingeleende arbeidskrachten
In de nieuwe regeling wordt bepaald dat
inleners van een arbeidskrachten voortaan naast het uitzendbureau hoofdelijk
aansprakelijk zijn voor de schade die deze arbeidskrachten lijden in de
uitoefening van hun werkzaamheden. Voorts is de inlener op grond van de
op 1 juli 1998 in werking getreden Wet Allocatie Arbeidskrachten door Intermediairs
naast het uitzendbureau aansprakelijk voor de ten behoeve van de arbeidskracht
verschuldigde loonbelasting en sociale verzekeringspremies. Onder ingeleende
arbeidskrachten worden niet alleen uitzendkrachten verstaan maar ook arbeidskrachten
die door detacheringsbureaus en andere intermediairs ter beschikking worden
gesteld. De inlener kan dit aansprakelijkheidsrisico afdekken door de betreffende
bedragen over te maken op een daartoe bestemde g-rekening van het uitzendbureau.
De uitzendbranche heeft echter met goedkeuring van het GAK een alternatief
ontwikkeld voor storting op een g-rekening. |