Herkomst van het hiv
Men heeft door de jaren
heen veel gespeculeerd over de herkomst van het virus. Op basis van bloedmonsters
en serologisch onderzoek wordt aangenomen dat hiv al reeds in de jaren
vijftig in Centraal Afrika voorkwam en zich sporadisch over de wereld verspreidde.
In het midden van de jaren 70 heeft er een verspreiding plaatsgevonden
aan de Oost en Westkust van Amerika en nog enige jaren later in Europa.
De tachtiger jaren laten een mondiale verspreiding zien, waarbij de groei
in de Westerse landen enigszins achterblijft bij de geschatte verwachtingen.
In Afrika zet de groei echter onverminderd voort en een explosieve vermeerdering
van het aantal geïnfecteerden ontstaat in nieuwe gebieden zoals Zuidoost
Azië en Zuid-Amerika. Deze groei is ook in Oost Europa te zien.
Een nieuw virus ontstaat
niet vanzelf maar is onderdeel van een evolutieproces. In het geval van
een virus is dat een ingewikkeld proces omdat niet alleen naar de ontwikkeling
van het virus gekeken moet worden maar ook naar die van de gastheer.
Als de gastheer voldoende
weerstand tegen het virus heeft is het virus geen lang leven beschoren.
Virussen kunnen alleen in de gastheercellen evolueren die er weinig of
geen last van hebben of die het virus niet effectief kunnen bestrijden.
Siv
Tevens werd er een virus
gevonden dat al snel SIV (Simian Immunodeficiency Virus, Simian duidt op
het voorkomen bij apen) werd genoemd.
Men besloot daarop in het
wild levende Afrikaanse apen op het siv te onderzoeken. In enkele soorten,
waaronder de groene meerkat, werd het siv aangetroffen. Deze dieren hadden
echter geen ziekteverschijnselen. Onderzoek wees uit dat hiv en siv ongeveer
voor de helft identiek is. Dat is weliswaar een aanwijzing voor verwantschap
maar het is niet met zekerheid te zeggen dat hiv in de loop van de evolutie
uit siv is ontstaan. Het lag daarom voor de hand om te kijken of er een
tussenvorm bestaat.
Hiv 1 en hiv 2
In 1985 werd in het Westelijk
deel van Afrika een andere variant op het hiv ontdekt, hiv 2 genaamd. Het
oorspronkelijke virus (het eerst ontdekte virus) heet nu hiv 1, het tweede
logischerwijs hiv 2. Het hiv 2 is minder agressief dan het hiv 1, het beloop
is goedaardiger en langzamer. Mensen die geïnfecteerd zijn met hiv
2 hebben gemiddeld een langere levensverwachting dan de mensen die met
hiv 1 geïnfecteerd zijn.
In bloedmonsters uit delen
van Centraal Afrika werden antistoffen aangetroffen die zowel op viruseiwitten
van hiv als siv reageerden De overeenkomst met antistoffen tegen siv bleek
groter te zijn dan die tegen hiv. Dit virus, dat hiv 2 is genoemd, is dus
een tussenvorm die duidelijk verschilt van hiv en meer overeenkomsten vertoont
net siv. Het hiv dat aids in Europa en de Verenigde Staten veroorzaakt
heet hiv 1. Vooralsnog is de meerderheid van de mensen in Centraal Afrika
besmet met hiv 2.
Reproductie van het hiv
Binding eiwit
Hiv kan niet elke willekeurige
cel infecteren. Het hiv moet zich op een of andere manier aan een cel kunnen
binden. Bij die binding speelt het eiwit GP120, dat het grootste gedeelte
van de buitenkant van het hiv bekleed, een grote rol. Op de membraan die
de mogelijke gastheercel omgeeft moet een aangrijpingspunt (=receptor)
zijn die de binding mogelijk maakt. Zo'n receptor komt voor op bepaalde
witte bloedcellen, de T4 cellen. Wanneer het GP120 zich bindt aan deze
receptor ontstaat een deuk in het membraan, waarna het virus als het ware
door de celmembraan heen zakt.
Wanneer hiv een cel binnendringt
komt het erfelijke materiaal van het hiv (RNA = RiboNucleic Acid) vrij
en wordt het opgenomen in het erfelijk materiaal van de gastheer (DNA =
DeoxyriboNucleic Acid.) Van de gastheercel wordt het productieapparaat
gebruikt om viruseiwitten en kopieën van het virale erfelijke materiaal
te maken. Deze kopieën worden samengevoegd tot nieuwe virussen. Virussen
met erfelijk materiaal in de vorm van RNA, die na de infectie van een gastheer
een kopie maken van hun eigen erfelijk materiaal, noemt men retrovirussen.
Hiervoor beschikken deze retrovirussen over een enzym dat reverse transcriptase
heet.
Virusproductie
Wat er verder gebeurt verschilt
per keer. Het is mogelijk dat de virusproductie meteen op gang komt en
zo groot is dat de gastheercel eraan ten gronde gaat. Soms sterft de gastheercel
niet, het hiv deelt niet snel, maar verliest de gastheercel wel een deel
van zijn functie.
Het is mogelijk dat een
kopie van het hiv in het DNA van de gastheercel wordt ingebouwd, zo’n kopie
heet dan het provirus. Het provirus kan in het DNA van de gastheercel blijven
zitten, zonder dat er iets gebeurt. Als het provirus aanwezig is, kan het,
zolang de gastheercel leeft, altijd geactiveerd worden. Gaat de cel over
tot virusproductie, dan wordt het provirus-DNA gebruikt als matrijs voor
RNA synthese, gevolgd door translatie van eiwitten, assamblage tot viruspartikels
met behulp van het enzym protease. Nieuwe hiv-partikels verlaten via afsnoering
de gastheercel, dit proces heet Budding. De nieuwe hiv-partikels worden
verspreid door de bloedstromen en zijn weer in staat om nieuwe cellen te
infecteren.
Stadia van de hiv-reproductie:
1: Hiv koppelt zich aan
de CD4-cel, via de CD4 receptor (daar past het hiv precies op.)
2: Hiv treedt de cel in.
3: Hiv is een virus waarbij
het erfelijk materiaal is vastgelegd op zogenaamde RNA. Om zich te kunnen
vermenigvuldigen wordt het RNA in DNA omgezet. Hiervoor gebruikt het een
enzym (chemisch stofje): transcriptase.
4: Hiv-DNA treedt de celkern
in en koppelt zich aan het DNA van de CD4-cel. hiv-DNA geeft de cel de
instructie kopieën te maken van het originele hiv-virus.
5: Nieuwe virussen vervolmaken
zich middels eiwitsynthese met gebruikmaking van een enzym: protease.
6: Hiv gaat de CD4-cel uit,
klaar om weer andere cellen te infecteren.
Nucleoside transcriptaseremmers:
deze plaatsen zichzelf in het hiv-RNA waardoor het zich niet verder kan
ontwikkelen.
Non-nucleoside transcriptaseremmers:
deze stoppen de vermenigvuldiging van hiv door zich aan transcriptase te
binden; transcriptase werkt niet meer.
Proteaseremmers: deze stoppen
de vermenigvuldiging in het laatste stadium: het hiv kan zich door de proteaseremmers
niet vervolmaken.
Afweersysteem
Klinische symptomen die
we zien bij hiv geïnfecteerden zijn karakteristiek voor een
T-cel deficiëntie; infectie
met intracellulaire organismen, virussen, schimmels en
protozoën. Hierbij hoort ook het voorkomen van neoplasieën, zoals
Non-Hodgkin lymfoom en Kaposi-sarcoom. De T-helper cel heeft verschillende
namen: CD-4 cel, CD4
+ lymfocyt of de T4 helpercel, uiteindelijk hebben we het over dezelfde
witte bloedcel.
In dit stuk gebruiken we
de naam T4-cel. Wat is de functie van een T4-cel?
T4-cellen
Bij de afweer van het menselijk
lichaam spelen de witte bloedcellen, de leukocyten genaamd, een belangrijke
rol. Een subpopulatie van de leukocyten zijn de lymfocyten met veelal verschillende
functies. T4 cellen zijn lymfocyten die een “helper” functie hebben: zij
geven het startsignaal voor het ontstaan van een afweerreactie. Het hiv
grijpt vooral aan op T4-cellen waardoor er geen “helper” functie voor het
afweersysteem bestaat.
In tegenstelling tot een
cel of bacterie heeft een virus geen eigen energie voorziening en kan het
zelf geen eiwitten maken. Daardoor is het virus gedwongen tot een parasitaire
levenswijze. Dat wil zeggen dat het productieapparaat van de gastheercel
wordt gebruikt om nieuwe virusdeeltjes te maken. Deze productie van nieuwe
virusdeeltjes gaat ten koste van de gastheercellen, in dit geval de T4-
cellen.
Functie verschillende witte
bloedcellen
Er bestaan verschillende
soorten witte bloedcellen die allen een functie hebben bij de afweer van
ons lichaam tegen invloeden/ ziekteverwekkers van buitenaf en binnenuit.
B-cellen
B-cellen hebben eiwitten
(receptoren) aan hun oppervlak, waarmee ze vreemde stoffen van eigen stoffen
kunnen onderscheiden. Zo'n lichaamsvreemde stof (antigeen) kan bijvoorbeeld
een eiwit zijn dat op een bepaalde ziekteverwekker voorkomt. Wanneer een
B-cel zich aan een antigeen bindt, gaat zij zich delen. De cellen die daarbij
ontstaan, maken vervolgens eiwitten (antistoffen) die zich aan het antigeen
van de indringer binden.
De indringer kan daardoor
worden herkend en onschadelijk gemaakt worden door een ander type witte
bloedcel; de macrofagen. Voor elk antigeen wordt een specifiek antistof
gemaakt. De B-cellen beschikken n.l. over een geheugen dat hen in staat
stelt een antigeen waar ze eerder mee te maken hebben gehad, te herkennen.
Ze kunnen dan onmiddellijk met de productie van de benodigde antistof beginnen.
Dat is ook de reden waarom we veel infectieziekten maar één
keer in ons leven krijgen.
T- cellen
T-cellen werken op een iets
andere manier. Deze reageren als een antigeen zich al aan een lichaamscel
heeft gebonden. T4-cellen worden n.l. pas actief als ze behalve de antigeen
ook een lichaamseigen stof aantreffen. Ze zijn niet alleen gericht op het
vernietigen van geïnfecteerde cellen, maar spelen ook een belangrijke
rol bij het regelen van de afweer. Er bestaan verschillende typen T-cellen.
Cytotoxische T-cellen
Cytotoxische T-cellen zijn
in staat om lichaamscellen die een antigeen aan de buitenkant dragen, te
doden. Zij worden in hun werking gestimuleerd door een tweede type T- cel,
de T4-helper cellen. Deze kunnen, als ze een lichaamscel tegenkomen met
een antigeen erop, ook de
B-cellen activeren tot het
vormen van antistoffen. Daarnaast helpen ze de cytotoxische T-cellen.
T4 cellen zetten B-cellen
aan tot productie van antistoffen. Door middel van deze antistoffen kunnen
geïnfecteerde cellen en eventueel vrij in het bloed aanwezige ziekteverwekkers
bestreden worden. Wanneer de T4-cel afneemt zal de stimulering van de B-cellen
afnemen of zelfs verdwijnen. De T4 cellen spelen dus een centrale rol in
het afweersysteem. Het abnormaal functioneren of verdwijnen van de T4 cellen
betekend in feite dat de centrale coördinator van het afweersysteem
wegvalt. Juist dit deel van het afweersysteem is van vitaal belang voor
de bestrijding van virussen, schimmels, parasieten en bepaalde bacteriën.
De infecties die bij hiv kunnen optreden worden dan ook door deze organismen
veroorzaakt.
Interleukine-2
T4 cellen worden door antigenen
ook aangezet tot het afgeven van de stof interleukine-2. Hierdoor worden
andere T-cellen weer geactiveerd, zoals de cytotoxische cellen. Na infectie
met het hiv virus blijken de T4 cellen nog maar een zeer geringe hoeveelheid
interleukine -2 te produceren. Het gevolg daarvan is dat de cellen, die
normaal door de cytotoxische cellen zouden worden aangevallen nu ongemoeid
gelaten worden. Ook de activering van afweer cellen die kankercellen kunnen
aanvallen, de z.g. natural killer cellen en macrofagen is dan onvoldoende.
T-surpressor
Het derde type T-cellen
is de T-surpressor cel, deze remt de activiteit van de T-helper cellen,
om te voorkomen dat deze doorgaan terwijl de infectie allang bestreden
is.