Lees
ook de weblog van
ziekenverzorgende.nl
op
www.manindezorg.nl |
Scriptie bewonersgericht
werken
Inhoudsopgave:
Voorwoord
Inleiding
Hoofdstuk 1: Mijn uitgangspunten
Hoofdstuk 1.1: Mijn mensvisie
Hoofdstuk 1.2: Mijn visie op verplegen
Hoofdstuk 1.3: Belang bewonersgericht
werken vanuit mijn visie
Hoofdstuk 2.1: Wat houdt bewonersgericht
werken in
Hoofdstuk 2.1.1 Uitleg bewonersgericht
werken vanuit het kwetsbaarheidsmodel
Hoofdstuk 2.1.2 Het in de praktijk brengen
van bewonersgericht werken vanuit het kwetsbaarheidsmodel
Hoofdstuk 2.2: Wat zijn de voordelen van
bewonersgericht werken
Hoofdstuk 2.3: Wat zijn de nadelen van
bewonersgericht werken
Hoofdstuk 2.4: Richtlijnen voor de praktijk
Hoofdstuk 3: De praktijk
Hoofdstuk 3.1: Praktijkonderzoek
Hoofdstuk 3.2: Interview
Vraag 1: Wat versta je onder bewonersgericht
werken?
Vraag 2: Wat versta je onder taakgericht
werken?
Vraag 3: Vind je dat er een duidelijk
verschil op de afdeling is tussen het taakgericht werken en bewonersgericht
werken?
Vraag 4: Wat vind je moeilijk aan bewonersgericht
werken?
Vraag 5: Hoe sta je er zelf tegenover?
Vraag 6: Vind je dat er duidelijke richtlijnen
zijn t.a.v. bewonersgericht werken?
Vraag 7: Bij het maken van begeleidingsplannen
is de wens van de bewoner uitgangspunt. Hoe ver ga je mee?
Vraag 8: Vind je dat er op de afdeling
goed bewonersgericht gewerkt wordt?
Wat kan anders/beter?
Hoofdstuk 3.3: Samenvatting
Hoofdstuk 4: Conclusie en aanbevelingen
Hoofdstuk 4.1: Conclusie
Hoofdstuk 4.2: Aanbevelingen op korte
termijn
Hoofdstuk 4.3: Aanbevelingen op lange
termijn
Hoofdstuk 5: Samenvatting
Hoofdstuk 5.1: Terugblik doelstelling
Hoofdstuk 5.2: Eigen leerervaring
Voorwoord
Ik schrijf deze scriptie ter afronding
van de opleiding verpleegkunde niveau 4 aan het Graafschap College te Doetinchem.
Ik doe mijn differentiatie in de psychiatrie
op afdeling Klein Enzerinck.
Klein Enzerinck is een vorm van woonzorg
voor ouderen, het bestaat uit 3 huizen; ‘t Hoekske, Klein Nuova en
Klein
Enzerinck waar in totaal 20 mensen wonen.
Het onderwerp dat centraal staat in deze
scriptie is “bewonersgericht werken”.
In de inleiding beschrijf ik de reden
waarom ik voor dit onderwerp gekozen heb.
Ik wil iedereen bedanken die mij heeft
gesteund en geholpen tijdens het maken van deze scriptie.
Inleiding
Tijdens mijn stages kwam ik vaak in aanraking
met oudere patiënten. Ik deed vaak van alles voor deze patiënten,
nam veel
over, omdat ik vaak dacht, dat kunnen
ze niet meer, dat is te vermoeiend of omdat ze het gewend waren dat alles
overgenomen
werd en het voor iedereen de normaalste
zaak van de wereld leek te zijn. Deze mensen waren vaak erg gehospitaliseerd
en er
kwam erg weinig uit deze mensen.
Tot ik op mijn huidige stage adres kwam.
Daar waren ze net bezig met het omschakelen van taakgericht werken naar
bewonersgericht werken. Iets wat een hele
impact bleek te zijn, niet alleen voor de bewoners, ook voor de verpleging.
In een
keer moesten mensen leren van alles zelf
doen, om de zelfstandigheid te bevorderen, om minder afhankelijk van de
verpleging
te worden. Er werden ook begeleidingsplannen
gemaakt, waarin de wensen van de bewoners naar voren kwamen en daar
werd wat mee gedaan.
Dit leek mij een bijzonder interessant
onderwerp voor mijn scriptie.
Daarom ben ik mij hierin gaan verdiepen
en kwam ik tot de volgende probleemstelling:
In mijn stage op Klein Enzerinck is men
bezig met het omschakelen van taakgericht werken naar bewonersgericht
werken.
Vervolgens heb ik mijn doelstelling geformuleerd:
wat wil ik bereiken, wat is naar mijn mening zinvol in relatie tot mijn
probleemstelling.
Ik ben gekomen tot de volgende doelstelling:
Onderzoeken in hoeverre de verpleging
bewonersgericht werkt, zit iedereen op dezelfde lijn, en eventueel voorstellen
ter verbetering doen.
Om mijn doelstelling te kunnen behalen
ga ik in literatuur op zoek naar wat bewonersgericht werken precies inhoudt,
ik ga
interviews houden met het personeel
om te onderzoeken hoe iedereen het bewonersgericht werken ervaart, waar
knelpunten
zitten en te kijken wat voor verbetering
vatbaar is t.a.v. bewonersgericht werken.
De scriptie ziet er als volgt uit:
In hoofdstuk 1 zal ik beschrijven wat
mijn uitgangspunten zijn, ik beschrijf hoe ik tegen mensen aankijk, wat
mijn visie op
verplegen is en waarom ik bewonersgericht
werken belangrijk vind vanuit mijn visie.
In hoofdstuk 2 zal ik de theorie van bewonersgericht
werken uitleggen, van waaruit men op mijn afdeling werkt. Tevens geef ik
hierin de voordelen en nadelen van bewonersgericht
werken aan en ik geef richtlijnen om naar mijn idee goed bewonersgericht
te kunnen werken.
In hoofdstuk 3 doe ik een onderzoek of
datgene wat in de theorie beschreven staat in de praktijk ook wordt toegepast
en ik
interview de verpleging over bewonersgericht
werken.
In hoofdstuk 4 trek ik mijn conclusies
uit wat ik in de praktijk ben tegen gekomen en zal ik eventueel aanbevelingen
doen ter
verbetering van bewonersgericht werken.
In hoofdstuk 5 kijk ik terug naar mijn
doelstelling, heb ik mijn doelstelling behaald? En ik kijk wat ik geleerd
heb d.m.v. deze
scriptie.
Hoofdstuk 1: Mijn uitgangspunten
Hoofdstuk 1.1: Mijn mensvisie
Binnen een mensvisie worden uitspraken
gedaan over het menszijn of het menselijk functioneren. Een mensvisie is
vrijwel altijd
hypothetisch, dat wil zeggen dat de veronderstelde
menselijke gedragskenmerken moeilijk te toetsen of bewijzen zijn. Twee
benaderingen van het menszijn hebben veel
invloed gehad op de verpleegkundige beroepsontwikkeling, namelijk het dualisme
en het holisme. Tot de jaren 70 werd vooral
uitgegaan van het dualisme.
Het dualisme kenmerkt zich door een scheiding
van lichaam en geest. Het gevolg van dit denken was dat een zorgvrager
werd
verpleegd voor een gebroken been, maar
dat er geen of nauwelijks aandacht was voor de eventuele psychische gevolgen
hiervan.
Als reactie hierop kwam het holistisch
denken op. Dit gaat ervan uit dat een mens functioneert als eenheid van
lichaam en geest,
als een totaliteit. Geestelijk ziek zijn
kan lichamelijke gevolgen hebben en lichamelijke klachten kunnen geestelijke
gevolgen
hebben. Ook is er een wisselwerking tussen
de sociale omgeving en lichaam en geest.
Daarna kwamen nog een aantal mensvisies
opzetten:
De antroposofische mensvisie, dat gaat
uit van een wisselwerking tussen lichaam, geest, sociale omgeving en de
stoffelijke
omgeving (stand van sterren, milieu).
De dynamische mensvisie (alternatieve
geneeswijze), hierbij wordt gekeken naar: de ontwikkeling van de mens gaat
steeds
door, alles heeft een zin, waarom gebeurt
iets?
De christelijke mensvisie gaat uit van
de volgende punten: de mens is zondig, god bepaalt, verantwoorden, hiernamaals
is
belangrijk.
Mij spreekt de holistische mensvisie het
meest aan. Ik denk dat lichaam en geest nauw verbonden zijn met elkaar.
Als je
lichamelijk niet in orde bent heeft dat
invloed op je geestelijke welzijn en andersom. Ook van invloed op je geestelijke
en
lichamelijke welzijn is je sociale omgeving.
Ik denk dat deze drie factoren erg belangrijk zijn in je functioneren als
mens.
Ik denk dat mensen in wezen goed van karakter
zijn, maar als mensen gedrag vertonen dat maatschappelijk niet goed gekeurd
wordt, zou ik wel de oorzaak hiervan willen
weten. Ik geloof dat sommige mensen bewust dingen doen die een ander pijn
doet,
maar sommige mensen overzien niet wat
ze met hun gedrag aanrichten. Ze doen dingen uit zelfbescherming, of om
overstimulatie tegen te gaan.
Ik vind dan ook dat mensen verantwoordelijk
zijn voor hun gedrag, behalve als ze de consequenties van hun gedrag niet
kunnen overzien, door wat voor een reden
dan ook.
Een mens is naar mijn idee ook nooit uitbehandeld
en nooit te oud om te leren.
Hoofdstuk 1.2: Mijn visie op verplegen
Een visie op verplegen bestaat uit vier
elementen: een mensvisie, een visie op de relatie mens – omgeving, een
visie op
gezondheid en ziekte en een visie op verpleegkundige
interventies.
Mijn mensvisie heb ik in hoofdstuk 1.1
al beschreven, dus ik beschrijf de andere drie elementen hier.
Visie op de relatie van mens tot omgeving:
Ik vind het belangrijk dat er aandacht is voor de sociale omgeving van
mensen, want
dat is een belangrijke factor in het welzijn
van mensen. Ik denk dat je sociale omgeving voor een groot deel bepaald
hoe jij je
voelt, als je veel problemen, ruzies e.d.
hebt met je sociale omgeving geloof ik dat je je niet zo goed voelt als
dat je een goede
band hebt met je sociale omgeving. Daarom
vind ik het ook belangrijk dat familie van bewoners betrokken worden in
het
proces van de bewoner. Zodat de familie
weet wat er aan de hand is met hun familielid, ze weten wat de oorzaak
van gedrag
is, hoe ze hierop moeten reageren. Ze
leren omgaan met de bewoner. Wat ook weer goed is voor de bewoner.
Visie op gezondheid en ziekte: De stelling
van vroeger: gezond is niet ziek, gaat absoluut niet meer op. Dan zou bijvoorbeeld
iemand met reuma in zijn hand als ziek
beschouwd worden, terwijl die persoon een heel gezond bestaan zou kunnen
hebben
ondanks zijn reuma. Ik denk dat je het
niet zo zwart –wit moet zien, je moet constant een evenwicht vinden tussen
gezondheid
en ziekte, soms ben je ziek, soms wat
meer gezond. Probeer daar een goede balans in te vinden.
Visie op verpleegkundige interventies:
Een visie op verpleegkundige interventies is eigenlijk een visie op de
kern van de
uitoefening van het verpleegkundige beroep,
op het functioneren van de verpleegkundige. Wat vind ik belangrijk t.a.v.
het
functioneren als verpleegkundige:
Als professioneel beroepsbeoefenaar vind
ik dat je over bepaalde vaardigheden moet beschikken om je beroep goed
uit te
kunnen oefenen. Zo vind ik dat je als
verpleegkundige planmatig en methodisch moet kunnen werken. Je moet interventies
uitvoeren bij patiënten en wat ik
daarbij belangrijk vind is dat je er altijd op bedacht moet zijn wat voor
een effect zo’n
interventie op een patiënt kan hebben.
Tevens moet je kunnen werken vanuit een bepaalde afdelingsvisie, bijvoorbeeld
Gordon/NANDA. Wat ik ook erg belangrijk
vind is dat je je eigen deskundigheid blijft bevorden, door bijvoorbeeld
bijscholing of met enige regelmaat bijeenkomsten
over bepaalde onderwerpen bij te wonen.
Hoofdstuk 1.3: Belang bewonersgericht werken
vanuit mijn visie
Ik vind dat bewoners op een gelijkwaardige
en respectvolle manier behandeld moeten worden. Het zijn mensen met een
psychiatrisch ziektebeeld, die jij moet
helpen/begeleiden om een leven te leiden die door hun als goed ervaren
wordt. Het zijn
vaak mensen die al langdurig opgenomen
zijn en door de jaren heen vaak zijn vergeten wat ze nog kunnen, doordat
verpleging
teveel van hun overnam. Ik denk dat het
van belang is dat je deze mensen hun eigen verantwoordelijkheid ‘terug
geeft’ en dat
hun restcapaciteiten zo goed mogelijk
ontwikkeld worden. Ook het hebben van een doel waar deze mensen naar toe
kunnen
werken is denk ik belangrijk. Met de invoering
van bewonersgericht werken zijn ook begeleidingsplannen ingevoerd. Bij
deze
plannen is de wens/het doel van de bewoner
uitgangspunt. Als je hiervan uit gaat, zou denk ik een deel van deze groep
weer
terug zou kunnen keren in de maatschappij
en hospitalisatie (verschijnselen die niet door een ziekteproces of door
medicatie, maar door het verblijf in een
instelling zijn ontstaan, o.a. initiatiefloosheid, apathie) kun je zo tegen
gaan.
Hoofdstuk 2: Bewonersgericht werken
Hoofdstuk 2.1: Wat houdt bewonersgericht
werken in
Bewonersgericht werken gebeurt vanuit
een aantal uitgangspunten.
Het eerste uitgangspunt is dat mensen
die langdurig in de psychiatrie verblijven recht hebben op een begeleidingsvorm
die ook
door de personen die deze begeleiding
geven als prettig ervaren zou worden, wanneer zij zelf opgenomen zouden
zijn.
Het tweede uitgangspunt is dat veel gedrag
ten onrechte wordt opgevat als abnormaal, omdat het in feite wordt veroorzaakt
door betutteling, dwang of overbezorgdheid.
Veel gedrag dat vanuit het referentiekader van de begeleiders abnormaal
lijkt of
wordt beoordeeld als ongemotiveerdheid,
is vanuit het referentiekader van de patiënt normaal of zelfbescherming
tegen
onvermogen.
Het derde uitgangspunt is dat veel patiënten
of bewoners op verblijfs- of woonafdelingen van psychiatrische ziekenhuizen
restcapaciteiten hebben die onvoldoende
worden benut of ontwikkeld. Hierdoor is de kwaliteit van leven gering of
onnodig
beperkt en blijft ten minste een deel
van deze populatie ten onrechte opgenomen. Bovendien wordt hospitalisatie
vaak in de
hand gewerkt doordat vanuit goedbedoelde
zorginspanning teveel taken van de patiënt worden overgenomen.
De doelstelling van bewonersgericht werken
is de volgende: Op basis van restcapaciteiten en de eigen motivatie, interesse
en
de doelstelling van patiënten, kan
door hen een vorm van leven worden bereikt die als bevredigend wordt ervaren.
Hierin heeft
het opleggen van structuur zonder dat
de patiënt hierom gevraagd heeft geen plaats.
Hoofdstuk 2.1.1 Uitleg bewonersgericht
werken vanuit het kwetsbaarheidsmodel
Het kwetsbaarheidsmodel is algemeen geaccepteerd
als uitgangspunt voor de begeleiding van mensen met chronisch
psychotische stoornissen. Samengevat wordt
er binnen dit model vanuit gegaan dat er bij deze stoornissen sprake is
van een
bepaalde mate van blijvende kwetsbaarheid
of verlaagde draagkracht, die aangeboren kan zijn of tijdens de individuele
ontwikkeling is ontstaan. Een verminderde
draagkracht leidt ertoe dat mensen minder draaglast kunnen verwerken en
zich
zullen beschermen tegen teveel draaglast.
Wanneer de draagkracht permanent is aangetast of verlaagd zoals bij psychotische
stoornissen is er sprake van een handicap.
Door het feit dat iemand een handicap heeft, is er als het ware permanent
een
bepaalde hoeveelheid draagkracht bezet
die daarom niet kan worden ingezet om normale dagelijkse stress het hoofd
te bieden.
Dit heeft tot gevolg dat er minder draaglast
kan worden verwerkt dan door gezonde mensen en dat daarom gebeurtenissen
of
taken die door gezonde mensen als weinig
belastend wordt ervaren, door mensen met een handicap al snel als te belastend
kunnen worden ervaren. Wanneer iemand
een aantal malen heeft meegemaakt dat hij of zij minder draaglast aankan,
zal er
gedrag worden ontwikkeld dat tot doel
heeft om het overspoeld raken met stress, ook wel
‘overstimulatie’ genoemd, te voorkomen.
Dit gedrag wordt ook wel coping of zelfbescherming genoemd en wordt uitgevoerd
om de draaglast onder de compensatiegrens
te houden. Dit principe is van toepassing op iedereen die een handicap,
geestelijk
of lichamelijk, heeft.
Het onderscheiden van symptomen
Kwetsbaarheid
De kwetsbaarheid waardoor mensen met een
chronische psychotische stoornis onder belastende omstandigheden psychotisch
worden, is gerelateerd aan stoornissen
in het ‘cognitieve systeem’, oftewel het informatieverwerkende systeem.
Cognitieve
functiestoornissen maken het effectief
uitvoeren van vaardigheden en gedrag vaak tot een probleem. Daarom moet
daar
rekening mee gehouden worden. Een aantal
veelvoorkomende cognitieve functiestoornissen:
- vasthouden van aandacht
Mensen met schizofrenie hebben vaak een
beperkte mentale inspanningsboog. De mogelijkheid om de aandacht actief
en
bewust te richten op een bepaalde activiteit
is beperkt, hetgeen ertoe kan leiden dat maar zeer korte tijd achtereen
aan een
bepaalde taak kan worden gewerkt.
- selectie van relevante informatie
Wanneer het selectiemechanisme gestoord
is kan een aantal verschijnselen optreden. Ten eerste een verhoogde afleidbaarheid,
waardoor geluiden op de achtergrond die
normaal niet of nauwelijks worden opgemerkt, de aandacht trekken of harder
doordringen en daardoor een reactie uitlokken
die niet past bij het onderwerp waarover wordt gesproken of de taak die
wordt
uitgevoerd.
Ten tweede een chaotisch denkproces, waardoor
plotseling op een ander onderwerp wordt overgegaan, of met een andere
taak wordt begonnen, zonder dat hiervoor
enige aanleiding lijkt te bestaan. Dit kan leiden tot terugtrekgedrag dat
kan worden
gezien als een strategie waarmee wordt
geprobeerd de stroom van prikkels te reduceren en controleren.
- capaciteit
Er is een grens aan de hoeveelheid informatie
die het cognitieve systeem kan verwerken. Wordt de capaciteit overschreden
door overstimulatie met informatie, dan
leidt dit tot fouten in de verwerking. Wanneer er stoornissen zijn in de
verwerkingscapaciteit kunnen processen
die normaal vrijwel automatisch verlopen, dan gestoord zijn zodat er steeds
opnieuw
gedacht moet worden. Bij het bespreken
van een bepaald onderwerp of het uitvoeren van een bepaalde taak kan dit
leiden tot
onzekerheid, lang nadenken, traag spreken,
maar ook het vermijden van en zich terugtrekken uit situaties waarin geen
rekening
wordt gehouden met de beperkte grenzen
van de verwerkingscapaciteit.
- flexibiliteit
Aandacht kan flexibel verplaatst worden
van de ene informatiebron naar de andere. Wanneer de selectiviteit gestoord
is, is er
meestal sprake van een verminderd vermogen
om aandacht van de ene informatiebron naar de andere te verplaatsen. Er
wordt
bijvoorbeeld doorgegaan over een thema
dat niet meer aan de orde is. Ook perserveren (eindeloos herhalen van een
woord
of een zin) kan worden gezien als een
onvermogen om van de ene informatiebron naar de andere om te schakelen.
- perceptie
Met betrekking tot de waarneming zijn
bij mensen met schizofrenie vooral stoornissen gevonden bij de auditieve
en visuele
perceptie. Met betrekking tot de auditieve
perceptie bestaat er soms moeite om een geluidsbron te lokaliseren en om
intonatie
en emotie van uitgesproken zinnen te beoordelen.
Ook bij de visuele waarneming van een emotie kunnen problemen optreden
waardoor verbale en non-verbale informatie
tegenstrijdig kan overkomen. Dit kan leiden tot een verkeerde inschatting
van
sociale situaties, waardoor misverstanden,
achterdocht, onzekerheid en angst kunnen ontstaan. Als gevolg daarvan wordt
de
betreffende situatie soms vermeden.
- taal
Er komen regelmatig stoornissen voor in
het begrijpen van taal. Er kunnen vooral problemen bestaan bij het betrekken
van de
context waarbinnen een uitspraak wordt
gedaan, bij de interpretatie van de betekenis. Deze stoornis kan leiden
tot problemen
bij het inschatten van sociale situaties,
tot misverstanden en het kan achterdocht tot gevolg hebben.
- geheugen
Er kunnen problemen bestaan in het organiseren
en aanbrengen van structuur van te onthouden informatie. Ook het genereren
of terughalen van informatie uit het geheugen
is vaak een probleem. Dit betekent dat informatie meestal wel in het geheugen
wordt opgeslagen, maar dat deze moeilijk
of niet kan worden teruggehaald. Dit heeft tot gevolg dat de inhoud van
gesprekken
en afspraken die daarin gemaakt zijn,
vaak niet kunnen worden herinnerd wanneer ze niet direct in bijvoorbeeld
een agenda
wordt genoteerd.
- denken
Denken vanuit een bepaald thema, het abstractie-
en voorstellingsvermogen, blijkt voor mensen met schizofrenie vaak een
probleem te zijn. Hierdoor ontstaan problemen
bij het hanteren van verschillende zienswijzen en bij het uitwisselen van
meningen. Ook problemen bij het ordenen
van informatie volgens een bepaald principe kunnen worden opgevat als
denkstoornissen. Bovendien hebben veel
patiënten regelmatig last van ‘gedachtenstops’, perioden waarin het
denken helemaal
lijkt te zijn verdwenen en waarin de patiënt
het gevoel heeft dat zijn hoofd leeg is.
Conclusie en richtlijnen
Bij chronisch psychotische stoornissen
komen veel stoornissen in het informatie verwerkende systeem voor. Een
deel van deze
stoornissen heeft een permanent karakter,
zodat bij veel patiënten sprake is van een handicap. Deze handicap
beperkt de
draagkracht, zodat minder draaglast kan
worden verwerkt en er eerder sprake is van overstimulatie dan bij mensen
die deze
handicap niet hebben. Veel gedrag van
mensen met cognitieve functiestoornissen kan worden opgevat als een poging
om
overstimulatie te voorkomen.
N.B. Deze gegevens zijn gebaseerd op onderzoek
bij mensen met schizofrenie. De populatie binnen de verblijfspsychiatrie
bestaat voor het grootste gedeelte uit
mensen met deze diagnose. Echter, ook bij manisch depressieve psychosen
en chronische
depressiviteit is vaak sprake van beperkte
verwerkingcapaciteit en problemen in de verwerking van informatie.
Richtlijnen
1.Geef ruimte om de ander zelf het tempo
te laten bepalen en stel regelmatig voor om te pauzeren.
2.Vraag steeds één ding
tegelijk, of werk steeds aan één taak tegelijk.
3.Vermijd zoveel mogelijk storende factoren
van buiten.
4.Maak gebruik van geheugensteuntjes zoals
agenda’s, notitieboekjes, en richtlijnen op bijvoorbeeld een kaart op de
muur.
5.Doe dingen voor wanneer iemand de uitleg
niet lijkt te begrijpen.
6.Gebruik zo weinig mogelijk beeldspraak.
7.Stel gerichte of gesloten vragen (bijvoorbeeld
vragen die met ‘ja’ of ‘nee’ te beantwoorden zijn) wanneer het gesprek
niet goed lukt.
8.Ga er niet vanuit dat de ander een emotie
ziet of aanvoelt, maar benoem de emotie.
Stress
Bij psychotische stoornissen bestaat er
vaak een duidelijke relatie tussen ingrijpende levensgebeurtenissen en
het ontstaan van
een psychose. Naast deze ingrijpende levensgebeurtenissen
blijken ook zogenaamde ‘dagelijkse ongemakken’ relatief kleine
stressoren die inbreuk maken op de dagelijkse
regelmaat, omdat ze irritatie opwekken, frustreren of pijnlijk zijn,
psychopathologie kunnen veroorzaken. Deze
dagelijkse ongemakken komen binnen de verblijfspsychiatrie zeer veel voor.
Enkele voorbeelden: gebrek aan privacy,
financiële problemen, zorgen over de toekomst en bijwerkingen van
medicatie.
Specifiek van belang is de relatie tussen
expressed emotions (EE) en psychische decompensatie (controle over jezelf
kwijtraken).
EE is de mate waarin communicatie wordt
gekenmerkt door emotioneel gekleurde opmerkingen. Een communicatiepatroon
waarin veel kritiek, vijandigheid en overbezorgdheid
voorkomt, wordt een ‘hoog EE-klimaat’ genoemd.
Uit onderzoek is gebleken dat een hoog
EE-klimaat in direct verband staat met psychische decompensatie. In het
algemeen is
terugtrekgedrag een veel voorkomende methode
waarmee patiënten zich aan stress proberen te ontrekken.
Conclusie en richtlijnen
Psychotische patiënten hebben een
grote kans op psychische decompensatie wanneer zij in een hoog EE-klimaat
verblijven.
Het is van groot belang dat wordt gestreefd
naar een laag EE-klimaat: een afdelingsklimaat waarin kritiek en overbezorgdheid
geen onderdeel vormen van de attitude,
maar slechts incidenteel voorkomen. Het reduceren van een hoog EE-klimaat
is
gerelateerd aan het zoveel mogelijk gelijk
schakelen van het referentiekader van begeleiders en patiënten. Chronisch
psychotische patiënten zijn volwassen
mensen met volwassen wensen en verlangens. Uitgangspunt is het gegeven
dat ‘de
ziekte’ een gedeelte is van de persoon
die daarnaast ook andere eigenschappen heeft. Door ‘de ziekte’ als centraal
kenmerk
van de persoon te zien, worden kritiek,
overbezorgdheid en betutteling in de hand gewerkt, omdat ziek gedrag ver
af staat van
‘gezonde’ referentiekaders. Door alle
kenmerken van de persoon, exclusief ‘de ziekte’ maar inclusief alle restcapaciteiten
centraal te stellen, wordt het mogelijk
om gelijkwaardigheid gestalte te geven en een hoog EE-klimaat te voorkomen
of te
reduceren. De volgende richtlijnen zijn
hieruit af te leiden:
1.Beschouw patiënten als volwaardige
mensen-met-een-psychose, en niet als bijvoorbeeld schizofrenen.
2.Ga ervan uit dat naast het zieke deel
altijd sprake is van een gezond deel.
3.Vraag patiënten naar hun motivatie
en verlangens, voordat gereageerd wordt op gedrag dat niet realistisch
lijkt.
4.Accepteer de doelen van de patiënt,
mits de doelen geen gevaar voor de patiënt zelf en de omgeving vormen
en mits de omgeving hier geen last van heeft, en geef hulp bij het opstellen
van een stappenplan om deze te bereiken.
Coping
Coping wordt gedefinieerd als de gedragsinspanning
waarmee iemand externe en/of interne gebeurtenissen, die de draagkracht
dreigen te overschreiden, in de hand probeert
te houden.
Probleemgeoriënteerde coping gedrag:
De betrokkene oordeelt dat beïnvloeding van of controle over het probleem
mogelijk is
en het gedrag bestaat uit doelgerichte
acties of strategieën waardoor probleemoplossing tot stand komt.
Emotiegeoriënteerde coping gedrag:
Het probleem wordt als onbeïnvloedbaar opgevat en coping krijgt het
karakter van
zelfbescherming. Meestal is er dan sprake
van angstreducerende maatregelen of maatregelen om overstimulatie tegen
te gaan.
Voorbeelden: terugtrekgedrag, alcohol-
en hasjgebruik en impulsief of agressief gedrag.
Emotiegerichte coping komt veel voor bij
mensen met chronisch psychotische stoornissen. Het aanleren van probleemgerichte
coping is een belangrijk middel om de
kwaliteit van leven te verbeteren en bevordert de zelfcontrole van mensen
over hun eigen
situatie.
Conclusies en richtlijnen
Mensen met chronisch psychotische stoornissen
hebben een uitgebreid repertoire aan probleemgerichte coping-strategieen
nodig om te kunnen omgaan met hun kwetsbaarheid
en de draaglast van het dagelijkse leven. Vaak zijn er onvoldoende
probleemgerichte strategieën aanwezig,
zodat gebruik wordt gemaakt van emotiegerichte coping. Dit heeft vaak nieuwe
bronnen van stress tot gevolg. Bovendien
is veel coping-gedrag dat door patiënten als probleemgericht wordt
ervaren naar het
oordeel van de omgeving vaak emotiegerichte
coping. Dit verschil in oordeel is mede gerelateerd aan het verschil in
referentiekaders. Hieruit kunnen de volgende
richtlijnen worden afgeleid:
1Voorkom kritiek op coping of zelfbescherming.
2 Vraag naar de reden van gedrag dat zinloos
of fout lijkt.
3 Probeer probleemgerichte coping aan
te leren.
Rouw
Patiënten met chronisch psychotische
stoornissen hebben veel verlies geleden in hun leven en reageren hierop
met rouw. Het is
van groot belang om rouw te herkennen
en te respecteren omdat acceptatie naast activatie een belangrijke weg
is naar
reïntegratie. Hieruit zijn de volgende
richtlijnen af te leiden.
1 Controleer of gedrag dat op het eerste
gezicht ongewenst lijkt, te maken heeft met rouw.
2 Voorkom kritiek op rouw.
3 Vraag gericht of verschillende emoties
van rouw aanwezig zijn.
4 Geef patiënten de tijd om te rouwen.
De betekenis van de vier begrippen, kwetsbaarheid,
stress, coping en rouw maakt duidelijk dat veel vormen van gedrag geen
ongemotiveerdheid, opstandigheid of psychopathologie
zijn, maar gerelateerd zijn aan onvermogen, overstimulatie, verwerking
van verlies of zelfbescherming.* Het omgaan
hiermee vraagt om duidelijke methodische richtlijnen. Hieraan vooraf gaat
uitgebreide diagnostiek. Dat lijkt tamelijk
onlogisch binnen de verblijfspsychiatrie, waar immers vaak wordt beweerd
dat
patiënten die er verblijven ‘uitbehandeld’
zijn. Vaak blijkt echter dat wanneer gedrag en functioneren worden afgezet
tegen de
achtergrond van de hier beschreven begrippen,
vele mogelijkheden voor verandering over het hoofd gezien zijn. Met name
de
negatieve symptomen (tussen psychotische
episoden is er vooral sprake van negatieve symptomen, dat betekend dat
bepaalde eigenschappen verloren zijn gegaan)
krijgen door de beschreven concepten vaak een andere betekenis. Veel van
deze symptomen, zoals sociale terugtrekking,
apathie en initiatiefverlies, zijn op te vatten als een strategie om functiestoornissen,
stress en rouw het hoofd te bieden. Wanneer
deze symptomen niet meer worden opgevat als een vorm van psychopathologie,
maar als zelfbescherming, is het aanleren
van een sociaal acceptabele manier van omgaan ermee of het veranderen ervan
in
probleemgerichte coping het doel.
Bij zowel rouw als negatieve symptomen
komen depressieve verschijnselen voor zoals passiviteit en gevoelloosheid.
Deze
verschijnselen, vooral de passiviteit
komen ook voor bij hospitalisatiegedrag. Vooral wanneer taken van de patiënt
worden
overgenomen, vanuit de veronderstelling
dat zij deze zelf niet meer kunnen doen wordt de passiviteit in de hand
gewerkt.
Dit kan vervolgens aanleiding geven tot
secundaire ziektewinst: het passief blijven omdat men min of meer bewust
weet dat
daarom taken worden overgenomen door anderen.
Vervolgens is bekend dat medicatie gericht
op het voorkomen of bestrijden van positieve symptomen (verschijnselen
die voor
een psychose niet aanwezig waren, zoals
hallucinaties, wanen en verward denken en spreken) bijwerkingen hebben
zoals
armoede aan mimiek en vertraging, welke
ten onrechte opgevat worden als negatieve symptomen.
* zie bijlage 1 voor een schematisch overzicht
hiervan
Ten slotte bestaat er een gelijkenis tussen
negatieve symptomen en vaardigheidstekorten en sociale angst. Sociale angst
veroorzaakt door negatieve of irrationele
gedachten, gaat vaak samen met een tekort aan sociale vaardigheden. Het
niet maken
van oogcontact, slechte intonatie en expressie
zijn niet alleen voorbeelden van negatieve symptomen, maar ook van sociale
vaardigheidstekorten. Bovendien kan ook
de afwezigheid van andere vaardigheden bijvoorbeeld op het gebied van
zelfverzorging en dagbesteding, onterecht
worden opgevat als negatieve symptomen.
Hieruit zijn de volgende richtlijnen af
te leiden:
1 Diagnostiek is nooit afgerond. Blijf
daarom attent op elke verandering die kan bijdragen aan het verder ontwikkelen
van restcapaciteiten.
2 Een mens is nooit ‘uitbehandeld’ en
nooit te oud om te leren.
Hoofdstuk 2.1.2 Het in de praktijk brengen
van bewonersgericht werken vanuit het kwetsbaarheidsmodel
Het klimaat waarin het realiseren van
de doelstelling plaats vindt is van grote invloed op het succes ervan.
In de psychiatrie
wordt er in het algemeen een onderscheidt
gemaakt tussen een zogenaamd ‘bevelsklimaat’en een
‘onderhandelingsklimaat’. Een bevelsklimaat
past bij het ziektemodel, binnen het ziektemodel wordt ervan uitgegaan
dat het
ontstaan van een ziekte beïnvloedbaar
is en dat de persoon moet genezen of de omgeving dient te genezen. Het
ziektemodel
wordt praktisch vertaald in een bevelsklimaat,
dat wordt gekenmerkt door hiërarchische afdelingsstructuur met veel
afspraken
en regels. Impliciet hieraan is bij een
langdurig verblijf een hoog EE-klimaat. De betrokkene of patiënt wordt
gezien als een
persoon met een tijdelijke stoornis, een
ziek mens die bescherming en verzorging behoeft en die moet worden genezen
van de
symptomatologie. In relatie tussen personeel
en patiënten staat het begrip ‘onvrijheid’ centraal. Er is sprake
van een
afhankelijkheidsrelatie en wederkerigheid.
Een onderhandelingsklimaat past bij het
kwetsbaarheidsmodel. In het kwetsbaarheidsmodel staan handicaps centraal
waarmee
een persoon moet leren leven. Het kwetsbaarheidsmodel
wordt vertaald in een onderhandelingsklimaat. Hierin staan
gelijkwaardigheid en eigen verantwoordelijkheid
centraal, hetgeen betekent dat een vervangende leefomgeving wordt
aangeboden waar men leert participeren
in (de organisatie van) het huishouden en dagactiviteiten. Impliciet hieraan
is een laag
EE-klimaat. De patiënt wordt benaderd
als een blijvend kwetsbaar persoon, wiens handicaps en symptomatologie
door alle
betrokkenen moeten worden geaccepteerd.
Het recht op zelfbeschikking en het streven naar onafhankelijkheid staan
hierbij
steeds centraal. Op psychiatrische verblijfsafdelingen
is het personeel in feite te gast.
Doelstelling van het kwetsbaarheidsmodel:
Het kwetsbaarheidsmodel stelt acceptatie
van kwetsbaarheid voor psychotische episoden, het compenseren van
functiestoornissen en handicaps door het
ontwikkelen van rolgedrag en de ontwikkeling van een zo zelfstandig mogelijk
leven
binnen een bepaald, eventueel aangepaste
vorm van huisvesting als doel.
Diagnostiek:
Binnen het kwetsbaarheidsmodel gaat het
vooral om de diagnostiek van functiestoornissen, coping-strategieen en
de
onderhoudende en beloopbepalende factoren
van de symptomen. Bovendien is de diagnostiek vooral gericht op
restcapaciteiten waarmee zelfstandigheid
en onafhankelijkheid kan worden ontwikkeld.
Medicatie:
Vanuit het kwetsbaarheidsmodel staat naast
het beperken van de symptomen, het preventieve aspect voorop. Het geven
van
medicatie is vooral gericht op het voorkomen
van decompensatie.
Rol van de betrokkene:
Vanuit het kwetsbaarheidsmodel wordt de
betrokkene benaderd als een ‘leerling’ die recht heeft op voorlichting
over zijn of
haar symptomen en situatie. Patiënten
of bewoners hebben de rol van gelijkwaardige en actieve onderhandelingspartners.
Het
beloop is afhankelijk van de mogelijkheden
en inzet van alle betrokkenen.
Rol van de familie:
Vanuit het kwetsbaarheidsmodel worden
familieleden beschouwd als een invloedrijke en steunende factor bij het
beloop. Het
gaat hierbij om de reacties van familieleden
en het effect ervan op de betrokkene. Ook de familie moet uitgebreid voorgelicht
en ondersteund worden om te kunnen verwerken
dat zij een gehandicapt familielid hebben aan wie niet de gebruikelijke
eisen
kunnen worden gesteld. De familie wordt
gezien als een belangrijke bron van ondersteuning en informatie. De communicatie
tussen begeleiders en familieleden dient
daarom te worden gekenmerkt door openheid en regelmaat.
Wonen binnen een psychiatrisch centrum
wordt in het algemeen beschouwd als de eindfase van een psychiatrische
geschiedenis. Bewoners worden bestempeld
als ‘uitbehandeld’ en die daarom maar binnen de psychiatrie moeten blijven
wonen. Gezien het voorafgaande moet echter
in de eerste plaats worden gesteld dat de term uitbehandeld niet van toepassing
is, omdat behandelen een begrip is uit
het ziektemodel. In de tweede plaats wordt duidelijk dat vanuit het kwetsbaarheidsmodel
de patiënt wordt gezien als een volwaardige,
maar vaak gehandicapte, persoon die in staat moet worden gesteld een zo
onafhankelijk mogelijk leven te leiden.
Wanneer binnen een intramurale setting de gevaren van betutteling, onderschatting
en
onderstimulatie worden omzeild en de restcapaciteiten
van bewoners volledig ter ontplooiing kunnen komen, lijkt het bij
voorbaat niet uitgesloten dat men op een
bepaald moment zal aangeven dat de behoefte bestaat om naar een woonhuis
in de
stad te verhuizen. Het ontwikkelen van
restcapaciteiten impliceert de vooronderstelling dat er bij begeleiding
vanuit wordt
gegaan dat de vaardigheden die bij bewoners
aanwezig zijn, kunnen worden geactiveerd. Een geëmancipeerd leefklimaat
waarin gelijkwaardigheid en zelfbeschikking
centraal staan, impliceert echter dat bewoners niet kunnen worden verplicht
tot het
vertonen van bepaald gedrag of tot het
ontwikkelen van bepaalde vaardigheden. Het initiatief van de bewoner, met
daaraan
gerelateerd een democratische besluitvorming
over groepsnormen staat centraal. Het gedrag van chronische psychiatrisch,
intramuraal wonende ‘patiënten’ wordt
echter vaak getypeerd door diverse als ongewenst ervaren verschijnselen.
Vanuit het
ziektemodel en de daaraan gerelateerde
bevelshuishouding, zoals het dwingend opleggen van een structuur en allerlei
betuttelende leefregels. Hierdoor wordt
de afhankelijkheid van de bewoners versterkt en worden restcapaciteiten
verwaarloosd, waardoor hospitalisatie
toeneemt.
(zie literatuurlijst: 1)
Hoofdstuk 2.2: Wat zijn de voordelen van
bewonersgericht werken
Als de patiënt of bewoner benaderd
wordt als een blijvend kwetsbaar persoon, wiens handicaps en symptomatologie
door alle
betrokkenen geaccepteerd moeten worden
en door alle kenmerken van de persoon, exclusief de ziekte maar inclusief
alle
restcapaciteiten centraal te stellen,
wordt het mogelijk om gelijkwaardigheid gestalte te geven en kan zelfstandigheid
en
onafhankelijkheid worden ontwikkeld.
Als de restcapaciteiten volledig ontwikkeld
kunnen worden kan het zelfs zo zijn dat een patiënt of bewoner aangeeft
weer
zelfstandig te willen gaan wonen.
Hoofdstuk 2.3: Wat zijn de nadelen van
bewonersgericht werken
Consequentie van het kwetsbaarheidsmodel
is dat door training en begeleiding van restcapaciteiten, de persoonlijke
emotionele
nood en behoefte van de betrokkene over
het hoofd gezien kan worden en dat patiënten of bewoners worden
overgestimuleerd. Op woonafdelingen is,
omdat het tijdelijke karakter van de opname ontbreekt, de kans op hospitalisatie
het
grootst. Bovendien is er vaak sprake van
onderschatting, onderstimulatie en betutteling van bewoners omdat het denken
vanuit
het ziektemodel nog altijd voortduurt.
Wat ook als nadeel gezien kan worden is
dat bewonersgericht werken meer inzet, tijd en deskundigheid van het personeel
vraagt.
Hoofdstuk 2.4: Richtlijnen voor de praktijk
In dit hoofdstuk beschrijf ik richtlijnen
die ik in de theorie ben tegengekomen en waarvan ik vind dat ze toepasbaar
zijn in de
praktijk om zodoende goed bewonersgericht
te kunnen werken.
-Het gedrag, de wensen en mogelijkheden
van de bewoner dient het uitgangspunt te zijn van de zorgverlening.
-De autonomie (zelfbeschikking) van de
bewoner dient zowel doel als uitgangspunt te zijn.
-Ga ervan uit dat naast het zieke deel
altijd sprake is van een gezond deel.
-Beschouw patiënten als volwaardige
mensen - met - een - psychose, niet als bijvoorbeeld schizofrenen.
-Vraag patiënten naar hun motivatie
en verlangens, voordat gereageerd wordt op gedrag dat niet realistisch
lijkt.
-Accepteer de doelen van de patiënt,
mits de doelen geen gevaar voor de patiënt zelf en de omgeving vormen
en mits de omgeving hier geen last van heeft en geef hulp bij het opstellen
van en stappenplan om deze te bereiken.
-Voorkom kritiek op coping of zelfbescherming.
-Vraag naar reden van gedrag dat zinloos
of fout lijkt.
-Probeer probleemgerichte coping aan te
leren.
-Diagnostiek is nooit afgerond, blijf
daarom attent op elke verandering die kan bijdragen aan het verder ontwikkelen
van restcapaciteiten.
Hoofdstuk 3: De praktijk
Hoofdstuk 3.1: Praktijkonderzoek
Om te onderzoeken of datgene wat in theorie
beschreven staat in de praktijk ook wordt toegepast, heb ik een aantal
vragen
geformuleerd.
Op deze manier probeer ik het eerste deel
van mijn doelstelling te behalen: onderzoeken in hoeverre de verpleging
bewonersgericht werkt.
Om antwoorden te krijgen op mijn vragen
ben ik te rade gegaan bij collega’s, tevens heb ik medische dossiers en
begeleidingsplannen bestudeerd.
1)In de theorie wordt beschreven dat diagnostiek
een belangrijke factor is om goed bewoners gericht te kunnen werken.
De diagnostiek is gericht op restcapaciteiten,
waarmee zelfstandigheid en onafhankelijkheid kan worden ontwikkeld.
De vraag die ik hierbij stel is:
wat wordt er gedaan aan het stellen van de diagnose om te kunnen bepalen
waar restcapaciteiten zitten.
Het volgende antwoord kwam hieruit:
Als mensen hier opgenomen worden, wordt
aan de hand van de zelfzorgpatronen van Gordon/NANDA onderzocht wat
mensen nog zelf kunnen en willen. Bij
bewoners die hier al langere tijd woonden werd er verder niet opnieuw onderzoek
gedaan naar restcapaciteiten. Omdat mensen
hier “woonden” en het enige doel was dat deze mensen hier zo prettig mogelijk
woonden. Dat is op zich jammer, want daardoor
verhospitaliseerden deze mensen.
Met de invoering van bewonersgericht werken
is deze gedachtegang veranderd. Er wordt nu niet meer klakkeloos vanuit
gegaan dat de mensen die hier wonen, alleen
hier prettig willen wonen en verder niks. Door middel van de
begeleidingsplannen*, wordt nu wel weer
gekeken wat doelen van bewoners zijn; wat willen ze, wat is haalbaar en
wat moeten
ze hiervoor kunnen.
Ook is het de bedoeling dat deze plannen
met enige regelmaat herzien worden. Er worden nieuwe doelen geformuleerd
als er
doelen behaald zijn en als blijkt dat
doelen niet behaald kunnen worden, worden deze doelen aangepast. Op deze
manier blijf
je continu aan het onderzoeken naar restcapaciteiten
van bewoners en wat ze er zelf mee willen doen.
* zie bijlage 2
2)Het tweede punt wat ik tegen kwam is
de volgende: Het geven van medicatie is vooral preventief bedoeld, gericht
op het voorkomen van decompensatie. Is dit zo en waar blijkt dit uit?
Dit klopt wel. De medicatie die bewoners
krijgen is vooral gericht op het in stand houden van “zich goed voelen”
en ter
voorkoming van decompensatie. Zo kunnen
bewoners goed functioneren en hier blijven wonen. Dit blijkt uit de medicatie
die
de bewoners krijgen, namelijk veelal anti-psychotica
en anti-depressiva.
3)Ook heb ik gekeken naar “de rol van
de betrokkene”. In theorie wordt beschreven dat de betrokkene benaderd
dient te worden als ‘leerling’ die recht heeft op voorlichting over zijn
of haar symptomen en situatie. Bewoners hebben de rol van gelijkwaardige
en actieve onderhandelingspartners.
Hier op de afdeling probeert de verpleging
bewoners wel als zodanig te beschouwen. De moeilijkheid hierbij is dat
de
bewoners zichzelf niet altijd als zodanig
beschouwen. Vaak komt door het verleden. Veel bewoners die hier zijn, wonen
vaak
al jaren in instellingen en moesten vroeger
veel slikken van de verpleging. De verpleging bepaalde vaak wat goed voor
iemand
was. Door die situatie jaren meegemaakt
te hebben, is het niet zo raar dat bewoners moeten wennen aan hun rol als
gelijkwaardige en actieve onderhandelingspartners.
Toch merk je dat dit steeds beter gaat en bewoners steeds mondiger
worden.
Hierbij kan ik een goed voorbeeld geven
een situatie dat een bewoner onderhandelt met de verpleging: Mw X heeft
medicatie
nodig om decompensatie tegen te gaan,
maar mw heeft een erge antipathie tegen deze medicatie, omdat ze hier erg
moe van
wordt. Hierbij werd onderhandeld (in overleg
met arts) om een situatie te krijgen dat mw wel de medicatie inneemt, om
decompensatie tegen te gaan en toch niet
de hele dag door zo moe was. In overleg met haar is besloten dat ze de
medicatie ’s
avonds krijgt, waardoor ze goed kan slapen
en overdag niet moe meer is. Mw was hier erg blij mee.
4)“Rol van de familie”. Familie
wordt gezien als een belangrijke bron van ondersteuning en informatie.
Communicatie tussen begeleiding en familieleden dient daarom te worden
gekenmerkt door openheid en regelmaat. Hoe wordt hiermee omgegaan op de
afdeling?
Familie wordt hier zeker gezien als een
belangrijke bron van ondersteuning en informatie. De verpleging vindt het
dan ook
belangrijk dat familie betrokken wordt
bij de behandeling en het wonen alhier.
Als familie goed wordt voorgelicht, zie
je ook vaak dat zij zich meer inzetten voor hun familielid, aldus collega’s.
Het is hier ook
een regel dat de verpleging minimaal één
keer in de drie maanden contact heeft met familie. Ik vind het op zich
belangrijk dat de
familie goed op de hoogte is van de situatie
van de bewoner, om hier goed mee om te kunnen gaan. Maar wel met de
toestemming van de bewoner zelf. En ik
vind dat als de bewoner in staat is zelf zijn/haar verhaal te vertellen
aan familie dat ze
het zelf dan ook doen.
Maar dat wordt hier ook van bewoners verwacht.
Hoe planmatig en methodisch wordt hier
gewerkt?
Er wordt hier wel planmatig gewerkt. Veel
zaken, zoals douchen, kamer schoon maken en dagelijkse werkzaamheden staan
beschreven.
Daarnaast zijn natuurlijk veel zaken die
niet in te plannen zijn, zoals gesprekken die bewoners met je willen hebben
en
gesprekken die jij met bewoners wilt hebben.
5)Hoe zorgt men voor continuïteit
in de benadering?
-Door het schrijven van goede begeleidingsplannen
-Goede mondelinge en schriftelijke
overdrachten
-Het geven, ontvangen en vragen
van feedback.
-Bewonersbesprekingen.
Hoofdstuk 3.2: Interview
Om het tweede deel van mijn doelstelling
te behalen: onderzoeken of iedereen op dezelfde lijn zit qua bewonersgericht
werken heb ik de verpleging geïnterviewd.
In dit hoofdstuk inventariseer ik de interviews
die ik met het verplegend personeel heb gehouden.
Vraag 1: Wat versta je onder bewonersgericht
werken?
Op deze vraag kwam iedereen met ongeveer
hetzelfde antwoord: namelijk zoveel mogelijk uitgaan van de wens van de
cliënt en van hun mogelijkheden. Uitgaan van het gezonde deel van
de cliënt. De zelfstandigheid van de cliënt bevorderen. Toen
ik vroeg: wat als de cliënt het wel goed vind zoals het was, geen
verantwoordelijkheid wil dragen en het wel fijn vindt te worden betutteld?
Was het antwoord; dan zit die persoon waarschijnlijk niet op de goede plaats
hier, dit is een vorm van woonzorg, waar cliënten aan een aantal regels
moeten voldoen.
Vraag 2: Wat versta je onder taakgericht
werken?
Hierop was het antwoord: Ervoor zorgen
dat alles wat moest gebeuren gedaan werd. Er werd niet vanaf geweken, bijvoorbeeld
als iemand om 8 uur moest douchen werd ervoor gezorgd dat het gedaan werd.
Hierbij werd weinig rekening gehouden met de mogelijkheden en wensen van
de cliënt. Je werkte volgens een bepaalde structuur en nam ook veel
taken van cliënten over.
Vraag 3: Vind je dat er een duidelijk verschil
op de afdeling is tussen het taakgericht werken en bewonersgericht werken?
Het merendeel van de verpleging gaf het
volgende antwoord: Er is wel een verschil te bemerken, maar we zitten nog
wel in de overgangsfase. Er verandert veel voor zowel de cliënten
als het personeel. We moeten elkaar wel af en toe op de vingers tikken
als we nog teveel overnemen. Een collega gaf nog aan dat bijvoorbeeld de
papieren (ziekenfonds/paspoort) nog op het kantoor van de verpleging liggen,
terwijl de cliënten het best zelf bij zich kunnen houden. Eén
collega vond dat er nu al wel een duidelijk verschil te bemerken was: nu
luisteren we naar de cliënt, vroeger deden we wat we dachten dat goed
voor ze was. Bij het taakgericht werken gingen we ook met het ‘zieke’ deel
aan de slag, nu gaan we uit van het gezonde. Mensen worden zelfstandiger
en er wordt beter naar de cliënt geluisterd.
Vraag 4: Wat vind je moeilijk aan bewonersgericht
werken?
Waar iedereen nog het meeste moeite mee
heeft is dat ze soms nog te snel dingen van cliënten overnemen die
ze eigenlijk best zelf kunnen. Waar een aantal collega’s ook moeite mee
hebben is dat wanneer je cliënten veel zelf laat doen, dan wordt je
nog gauw
aangezien voor lui of gemakzuchtig. Eén
collega gaf nog aan het moeilijk te vinden om de verantwoording uit handen
te geven naar cliënten toe en jezelf daarin te verantwoorden naar
andere collega’s die nog niet zover zijn. Iedereen staat open voor bewonersgericht
werken, maar nog niet iedereen is al zover.
Vraag 5: Hoe sta je er zelf tegenover?
Iedereen vindt het eigenlijk wel een goede
zaak, hoewel iedereen ook nog zijn of haar weg hierin moet vinden. Waar
houdt bewonersgericht werken op en waar begint taakgericht werken? En het
moet ook niet doorslaan naar de andere kant, dat je de cliënten teveel
aan hun lot overlaat.
Vraag 6: Vind je dat er duidelijke richtlijnen
zijn t.a.v. bewonersgericht werken?
De meeste collega’s vinden dat er geen
goede richtlijnen zijn. Je moet het min of meer zelf uitzoeken. Het uitgangspunt
van bewonersgericht werken is wel duidelijk, maar iedereen past het op
zijn eigen manier toe. Een aantal collega’s geven aan dat d.m.v. bewonersbesprekingen
en andere overlegvormen hier een goede weg in gevonden moet worden.
Eén collega vindt dat er wel duidelijke richtlijnen zijn, het uitgaan
van de doelstelling van bewonersgericht werken is de richtlijn voor bewonersgericht
werken.
Vraag 7: Bij het maken van begeleidingsplannen
is de wens van de bewoner uitgangspunt. Hoe ver ga je mee?
Eigenlijk iedereen geeft aan wel ver mee
te gaan met de wensen van de cliënt. Als een cliënt een wens
heeft die niet haalbaar is gaat iedereen toch wel zo ver mee dat de cliënt
er zelf achter kan komen dat de wens niet haalbaar is. Een aantal geven
aan dat als een cliënt een wens heeft waar de begeleider het absoluut
niet mee eens is, dat de begeleider dan met de cliënt in onderhandeling
gaat over deze wens, eventueel een arts zou inschakelen of het bespreken
in het team. Ook een richtlijn voor het meegaan met wensen van cliënten
is dat je met wensen mee kunt gaan indien wensen geen gevaar voor de cliënt
zelf of de omgeving vormen en dat de omgeving geen hinder ondervindt van
de wens van de cliënt.
Vraag 8: Vind je dat er op de afdeling
goed bewonersgericht gewerkt wordt? Wat kan anders/beter?
Op zich wordt er wel goed bewonersgericht
gewerkt, hoewel het altijd beter kan, is de algemene gedachte. Bijna iedereen
geeft aan dat er richtlijnen moeten komen om goed bewonersgericht te werken.
Iedereen moet meer op één lijn komen te staan. Sommigen vinden
dat er nog teveel voor bewoners gedacht, beslist en gedaan wordt. Ook worden
er nog teveel oplossingen voor bewoners aangedragen. Dat moet beter worden.
Hoofdstuk 3.3: Samenvatting
In dit hoofdstuk heb ik mijn interview
die ik met het verplegend personeel heb gehouden uitgewerkt. Over het algemeen
kwamen er wel veel dezelfde antwoorden
uit, wat aangeeft dat bijna iedereen wel op dezelfde manier over bewonersgericht
werken denkt.
Er is ook wel duidelijk uitgekomen waar
de valkuilen zitten, waar de meeste collega’s nog moeite mee hebben en
waar nog aan
gewerkt moet worden.
Hoofdstuk 4: Conclusie en aanbevelingen
Hoofdstuk 4.1: Conclusie
* Conclusie praktijkonderzoek
De conclusie die ik uit dit praktijkonderzoek
haal, is de volgende: De zaken die ik onderzocht heb m.b.t. bewonersgericht
werken, worden naar mijn mening goed uitgevoerd.
Hierbij wel rekening houdend met het feit dat bewonersgericht werken pas
is ingevoerd en iedereen hieraan moet
wennen en nog moet leren.
Ik ga hierbij wel uit van een ideale situatie,
want hoewel iedereen hierbij de beste bedoelingen heeft en iedereen zijn
best doet,
zijn er altijd zaken die beter kunnen.
Zoals bijvoorbeeld feedback geven, ontvangen en vragen. Dat kan naar mijn
mening meer
gebeuren. Ik heb hier op de afdeling het
idee dat de verpleging elkaar niet voor het hoofd wil stoten, en conflicten
nog wel eens
uit de weg wil gaan. Contacten onderhouden
met familie wil er nog wel eens bij in schieten en m.b.t. de begeleidingsplannen
moet iedereen ook nog leren. Dus naar
mijn mening moet iedereen wel alert blijven om deze zaken goed uit te kunnen
voeren.
* Conclusie interviews
De conclusie die je kunt trekken uit deze
interviews is dat het merendeel van het verplegend personeel richtlijnen
mist om goed
bewonersgericht te kunnen werken. Iedereen
weet vanuit welk principe gewerkt moet worden, maar iedereen past het op
zijn
(verschillende) manier toe. Dit kan ten
nadele werken voor de bewoners.
Er wordt vaak nog teveel voor bewoners
gedacht en gedaan, als je vanuit goede richtlijnen werkt is de kans hierop
minder
groot. Tevens staat het personeel meer
op één lijn als er gezamenlijk richtlijnen worden ontwikkeld.
Hoofdstuk 4.2: Aanbevelingen op korte termijn
* Aanbevelingen praktijkonderzoek
- Elke week begeleidingsplanbesprekingen
volgen, om met elkaar te overleggen hoe een plan in elkaar zit en hoe anderen
erover denken.
- Elkaar feedback geven, vragen en ontvangen
- Ervoor zorgen dat er zeker één
maal in de drie maanden contact is met familie. Vermeld dit in het dossier.
* Aanbevelingen interviews
Een vergadering houden over richtlijnen
t.a.v.bewonersgericht werken.
Van tevoren denkt iedereen na over welke
richtlijnen zij belangrijk vinden en willen bespreken. Eventueel opschrijven
in een
communicatieschrift.
De richtlijnen die ik heb benoemd in mijn
scriptie zouden als hulpmiddel of leidraad gebruikt kunnen worden.
Datum plannen voor deze vergadering.
Hoofdstuk 4.3: Aanbevelingen op lange
termijn
* Aanbevelingen praktijkonderzoek
Een keer in de twee maanden een vergadering
houden over bewonersgericht werken.
Hierbij kan iedereen aangeven wat hij/zij
goed vind gaan, wat niet en waar veranderingen aangebracht kunnen worden.
* Aanbevelingen interviews
Twee personeelsleden werken de richtlijnen
uit die tijdens de vergadering naar voren zijn gekomen.
Dit wordt opgeschreven in een hiervoor
bestemd schrift, zodat iedereen deze kan lezen en bijvoorbeeld ook nieuw
personeel
vanuit deze richtlijnen kan werken.
Hoofdstuk 5: Samenvatting
Hoofdstuk 5.1: Terugblik doelstelling
Mijn doelstelling was: onderzoeken in
hoeverre de verpleging bewonersgericht werkt, zit iedereen op dezelfde
lijn, en
eventueel voorstellen ter verbetering
doen.
Dit heb ik gedaan door eerst uit te zoeken
wat bewonersgericht werken inhoudt. Daarna heb ik een praktijkonderzoek
gedaan,
d.m.v. een aantal vragen. Ook heb ik de
verpleging geïnterviewd om te onderzoeken hoe ze bewonersgericht werken
ervaren.
Hier kwam uit dat iedereen bewonersgericht
werken als een positieve ontwikkeling beschouwt en er open voor staat,
maar het
zit nog in de overgangsfase van taakgericht
naar bewonersgericht werken. Er wordt vaak nog veel van bewoners overgenomen,
er wordt nog vaak voor bewoners gedacht
en beslist. Toch is iedereen hier zich wel bewust van, wat op zich positief
is.
Ik heb mijn doelstelling wel behaald.
Ik heb onderzocht in hoeverre de verpleging bewonersgericht werkt en onderzocht
hoe
iedereen hier tegenover staat, of iedereen
op dezelfde lijn zit.
Hieruit heb ik mijn conclusies getrokken
en voorstellen ter verbetering gedaan.
Hoofdstuk 5.2: Eigen leerervaring
Ik ben door deze scriptie heel wat wijzer
geworden over de omgang met mensen. Vanuit mijn mensvisie bezien vind ik
bewonersgericht werken een goede vooruitgang,
want ik vind dat mensen nooit uitbehandeld zijn en nooit te oud om te leren.
Ik vind het belangrijk dat je mensen zo
zelfstandig mogelijk te laten functioneren en dat je verantwoordelijkheden
ook bij hun
laat liggen. Ook is het belangrijk dat
deze mensen een doel hebben waar ze naar toe kunnen werken. Hierdoor verminder
je
hospitalisatie en zie je dat een aantal
mensen ook weer zelfstandig kunnen gaan wonen. Ik heb gemerkt dat deze
omschakeling
voor zowel personeel als bewoners nogal
wat heeft veroorzaakt. Toch hoor ik van alle kanten dat iedereen het een
positieve
ontwikkeling vindt, ook de bewoners.
Het was erg veel werk om mijn scriptie
te maken, daar heb ik mij wel wat op verkeken. Vooral het uitzoeken wat
bewonersgericht werken precies inhoudt
was veel werk. Ik heb onderzoeken gedaan omtrent het bewonersgericht werken
en
dat was erg leerzaam. Want wat in de theorie
beschreven staat is vaak erg mooi, maar in de praktijk gaat het er vaak
anders
aan toe. Ik vond het een zeer interessant
onderwerp om mijn scriptie over te schrijven, zeker omdat dit een ontwikkeling
betreft
die je in de toekomst alleen maar meer
zult aantreffen, naar mijn idee. |