Lees
ook de weblog van
ziekenverzorgende.nl
op
www.manindezorg.nl |
Stress
en Burnout
Waarom
neemt het aantal mensen met stress en burnout toe?
Wat
zijn risicogroepen voor het ontwikkelen van surmeage en burnout ?
Vooroordelen
over stress en burnout
Werkstress
Burnout
Symptomen
van burnout
Stress
en Burnout
Stress is een begrip afkomstig uit de
technische wetenschappen. Het wordt daar gebruikt als aanduiding voor de
kracht die op een object wordt uitgeoefend. Zo is er bij het bouwen van
een gebouw rekening gehouden met de druk die op het fundament komt te staan.
In tweede instantie is het begrip stress
gebruikt door medici om daarmee de spanning en belasting aan te geven waarmee
het menselijk organisme wordt geconfronteerd.
Seyle (1956) lanceerde het eerste stressmodel,
gebaseerd op onderzoek bij dieren. Hij beschreef het 'General Adaptation
Syndrome' (GAS), waarin hij drie fasen onderscheidde.
Seyle beschrijft dat een organisme, geconfronteerd
met een bepaalde stressor, op een specifieke manier zal reageren.
In de eerste fase mobiliseert het organisme
zich en komt er een verdedigingsmechanisme op gang.
Na een kort moment waarop de fysiologische
weerstand vermindert, zal de bloeddruk stijgen, het hart sneller kloppen,
het adrenalineniveau toenemen, de spijsvertering stagneren, het arousalniveau
stijgen en de kwetsbaarheid voor ziekte toenemen.
Deze reactie lijkt nodig voor het organisme
om zich gereed te maken actie te ondernemen en kan aldus uitmonden in effectief
gedrag. Als deze alarmreactie echter lang aanhoudt, zonder oplossing van
het conflict, komt het organisme in de tweede fase; de fase van weerstand.
Het fysiologische arousalniveau blijft hoog, maar zal iets afnemen en het
parasympathische deel van het autonome zenuwstelsel tracht meer in evenwicht
te komen met het sympathisch gedeelte.
Het organisme zet zich als het ware schrap
(biedt weerstand), echter de drempel voor het oproepen van de alarmfase
is verlaagd. Deze tweede fase is te vergelijken met surmenage of overspannenheid.
Duurt de stressor nu voort, dan komt het organisme in de derde fase. In
deze fase houdt het organisme niet langer stand en treedt uitputting op.
Dezelfde symptomen als in de alarmfase treden op, maar nu onomkeerbaar.
Het organisme kan de stressor niet langer weerstand bieden en is tevens
minder goed in staat allerlei andere stressoren te kunnen incasseren. Het
organisme raakt beschadigd, er kunnen bloedingen optreden en in de dierproeven
bleek dat dit uiteindelijk zelfs kan resulteren in de dood.
Sinds het model van Seyle werden vervolgens
meerdere en meer verfijnde modellen ontwikkeld, die inzicht geven in de
relatie tussen stress en fysiologi-sche reacties van het organisme. Binnen
de gezondheidspsychologie neemt stress dan ook een belangrijke plaats in
bij de verklaring van bijvoorbeeld veel chronische lichamelijke aandoeningen,
als pijnklachten, hart en vaatziekten en astma.
Burnout bestaat als begrip ruim 20 jaar.
Herbert Freudenberger wordt algemeen beschouwd als geestelijke vader van
dit begrip en in 1974 gebruikte hij de term burnout om daarmee een aan
het werk gerelateerde fysische en mentale uitputtingstoestand metaforisch
te beschrijven.
Freudenberger richtte zich in zijn klinisch
onderzoek naar dit syndroom vooral op aspecten binnen het individu. Later,
eind zeventiger jaren, waren het Maslach en Pines die de sociaal-psychologische
invalshoek hanteerden. In hun onderzoek richtten zij zich vooral op sociale
beroepen en vonden als belangrijkste oorzaak voor burnout de relatie tussen
'hulpvrager' en 'hulpverlener', waarbij een sterk appèl gedaan wordt
op de emotionele betrokkenheid van de hulpverlener.
Een derde invalshoek werd onderzocht en
beschreven door Chermiss en Golembiewski. Zij brachten burnout vooral in
verband met het functioneren van een organisatie. Burnout is dus een begrip
van veel recenter datum en verwijst naar de derde fase van het model van
Seyle. Het onderscheid wat tussen surmenage/overspannenheid en burnout
gemaakt kan worden is dat het eerste van tijdelijke aard is, waarbij het
organisme zich weer snel kan herstellen tot het oude niveau van functioneren,
terwijl er bij burnout sprake is van een langerdurend proces, gepaard gaande
met een chronisch disfunctioneren.
Waarom
neemt het aantal mensen met stress en burnout toe?
In de literatuur worden er diverse redenen
genoemd waardoor het aantal mensen met stress en burnoutklachten toeneemt.
Knepper (1989) geeft de volgende vijf verklaringen:
-Er is een grotere bereidheid om klachten
als psychisch te onderkennen. Dit geldt zowel voor artsen als voor patiënten
-Door de toenemende individualisering
zijn er meer sociale vaardigheden vereist dan vroeger. Allerlei vanzelfsprekend
rolgedrag en sociale verbanden zijn verdwenen.
-Het systeem van sociale zekerheid versterkt
de afhankelijkheid van de cliënt doordat er geen enkel beroep gedaan
wordt op diens eigen initiatief. Vaak komen pas na een jaar allerlei procedures
op gang waarin scholing, beroepskeuzeonderzoek en arbeidsbemiddeling aan
bod komen. Dat is veel te laat omdat een verzuim van 3 maanden al tekenen
van chroniciteit en onomkeerbaarheid begint te vertonen.
-De gezondheidszorg is gericht op het
wegnemen van klachten en veel minder op het functioneren op de werkplek.
Artsen en hulpverleners weten vaak weinig van het werk en de procedures
daar rondom heen. Dit wordt mede in de hand gewerkt door de scheiding tussen
behandeling en controle.
-De arbeidsbelasting is de laatste jaren
verschoven van fysiek naar mentaal. Steeds meer mensen moeten in hun werk
met andere mensen samenwerken waardoor er een groter beroep op sociale
vaardigheden gedaan wordt.
Verder speelt ook functiedifferentiatie
een rol. Een magazijnbediende moet nu ook met een computer kunnen werken.
Wat
zijn risicogroepen voor het ontwikkelen van surmenage en burnout?
Als we kijken naar risicogroepen kunnen
we een tweedeling maken in factoren die een verhoogd risico tot het ontwikkelen
van burnout met zich meebrengen. Een groep van factoren wordt bepaald door
factoren binnen iemands persoonlijkheid . Een andere groep factoren door
aspecten van de beroepsgroep en de organisatie waarin iemand werkzaam is.
-De persoonlijke factoren
-De beroeps- en organisatiefactoren
-De contactuele beroepsbeoefenaren
De persoonlijke factoren
Persoonlijke eigenschappen zoals een grote
ambitie, te veel aan doorzettingsvermogen, te grote loyaliteit en perfectionisme
maken iemand kwetsbaarder voor het ontwikkelen van burnout.
Beroeps- en organisatiefactoren
Een andere groep factoren wordt gevormd
door de kenmerken van de organisatie en de beroepsgroep.
Gezien de vele reorganisaties en beroepsgroepen
die steeds efficiënter moeten werken zijn veel beroepen en organisaties
stressvoller geworden. Dit geldt bijvoorbeeld zowel voor de bouw als voor
de gezondheidszorg.
Daarnaast zijn er bepaalde beroepsgroepen
die een verhoogde kans op burnout hebben vanwege de kenmerken van deze
beroepen. De belangrijkste groep wordt gevormd door de contactuele beroepsbeoefenaren.
Aangezien er in steeds meer beroepen samengewerkt
moet worden is dit ook nog eens een beroepsgroep die groeit.
Contactuele beroepsbeoefenaren
Als risicogroepen voor het ontwikkelen
voor burnout worden de contactuele beroepsbeoefenaren (bijv. onderwijzers,
verpleegkundigen, medewerkers van de sociale dienst) en met name de professionals
(contactuele beroepsbeoefenaren met hbo/academisch niveau, zoals: artsen,
psychotherapeuten e.d) genoemd.
Cherniss (1980) noemt 3 punten waarom
juist deze groep kwetsbaar is ten aanzien van het ontwikkelen van burnout:
Professionele mythen
Hiermee wordt bedoeld de ideeën die
er over het vak bestaan, maar die vaak op gespannen voet met de realiteit
staan.
-De mythe van de competentie
Na hun opleiding zijn professionals geenszins
klaar voor hun werk. Het ontbreekt hen aan ervaring, terwijl anderen direct
al veel van hen verwachten.
-De mythe van de autonomie
Professionals hebben over het algemeen
minder vrijheid in handelen dan ze verwachten. Er zijn veel procedures
en protocollen en er is bijvoorbeeld weinig mogelijkheid tot het kiezen
van een bepaald soort cliënten.
-De mythe van de zelfontplooiing
Het werk van de professional is vaak minder
uitdagend en minder stimulerend dan verwacht. Veel werkzaamheden worden
routinematig verricht.
-De mythe van de collegialiteit
Professionals werken vaak solistisch en
als er al samengewerkt wordt is er vaak een sfeer van wantrouwen en competitie.
-De mythe van de ideale cliënt
De professional verwacht dat de typische
cliënt dankbaar, eerlijk en coöperatief is. Dit is maar zelden
het geval. Cliënten kunnen lastig, veeleisend, oneerlijk en non-coöperatief
zijn.
Te grote caseload
Veel professionals hebben een zeer grote
caseload. Vanwege het wegvallen van allerlei sociale structuren doen steeds
meer mensen vaker een beroep op professionele hulp.
Afbrokkeling van de autoriteit
De status die vroeger bij professionele
beroepen hoorde is sinds de jaren 60 steeds minder geworden. Daarnaast
wordt er bij de professional steeds vaker over zijn schouder meegekeken
door kritische belangenverenigingen en de media.
Vooroordelen
over stress en burnout
Omdat er nog steeds vooroordelen zijn
over stress en burnout, durven veel mensen niet op tijd aan de bel te trekken
als het misgaat. Hieronder staan de meest voorkomende vooroordelen op een
rij:
-Stress en burnout zijn pure aanstellerij.
-Het zijn mensen met een zwakke persoonlijkheid
die aan deze klachten lijden.
-Stress is een modegrill.
-Het is je eigen schuld als je overspannen
raakt.
-Na een week vakantie kan ik er wel weer
tegenaan.
Werkstress
Werkstress is die vorm van arbeidsgerelateerde
stress die voortvloeit uit geestelijke en/of emotionele belasting. Hierbij
heeft de mentale of geestelijke belasting vooral invloed op het informatieverwerkingssysteem.
De opname, opslag en verwerking van informatie
raakt verstoord door overbelasting en dit resulteert in verstoorde motorische
reacties. Zo kan bijvoorbeeld een productiemedewerker mentaal overbelast
raken als het werktempo geheel gericht moet worden op het tempo van het
productieproces, zonder dat de werknemer enige invloed kan uitoefenen op
dit proces. Of een secretarieel medewerker kan zo bedolven worden onder
opdrachten dat de ordening geheel verdwijnt en deze medewerker bij wijze
van spreken 'verzuipt in het werk'.
Bij emotionele belasting gaat het om die
factoren in het werk die de betreffende persoon raken. Confrontatie met
het lijden van andere mensen kan bijvoorbeeld zodanig sterke gevoelens
oproepen dat iemand zelf reageert met angst of depressieve gevoelens.
Kenmerken van stress zijn dat deze optreden
in situaties waarbij men persoonlijk belang heeft. Men kan zich er niet
aan onttrekken en heeft er geen controle op. Zowel de arbeidsinhoud als
arbeidsomstandigheden en arbeidsverhoudingen kunnen bron van stress zijn.
Inmiddels zijn verschillende factoren onderkend
die kunnen leiden tot stress.
Dit betreft dan zowel factoren die te
maken hebben met overbelasting als factoren die leiden tot onderbelasting.
De kans op overbelasting neemt al snel toe als men bijvoorbeeld zeer complexe
taken onder hoge tijdsdruk moet afwerken of bij de zogenaamde dubbeltaken,
waarbij tegenstrijdige eisen gesteld worden (bijvoorbeeld op een plek waar
bezuinigd wordt, moet tegelijkertijd de klantvriendelijkheid toenemen).
Ook als het werk te gemakkelijk is of te weinig eisen stelt aan de werknemer
kan dit stress geven. De factoren die leiden tot stress zijn onder te verdelen
in verschillende dimensies. Hierbij gaat het om:
Psychologische taakeisen: de mate en intensiteit
waarmee eisen aan de werknemer worden gesteld.
De hoeveelheid regelmogelijkheden in het
werk: hierbij gaat het om de mate waarin medewerkers controle kunnen uitoefenen
en invloed hebben op de aan hun gestelde eisen, beslissingsruimte die iemand
heeft en beïnvloeding van het werktempo.
De hoeveelheid sociale ondersteuning:
het kan hierbij gaan om taakgerichte of meer emotionele steun van collegae
en leidinggevenden. Werken in teamverband kan bijvoorbeeld heel ondersteunend
zijn, daar verantwoordelijkheden gedeeld kunnen worden en er een beroep
op elkaar gedaan kan worden bij moeilijke zaken. Echter een minder goed
functionerend team kan tevens ertoe bijdragen dat de stress alleen maar
toeneemt.
Bovengenoemde heeft betrekking op de werksituatie.
Een vierde dimensie kan echter invloed hebben op het werk. Deze wordt gevormd
door factoren die buiten het werk gelegen zijn. Gezinsproblemen, verlies,
financiële problemen kunnen alle bijdragen tot een verminderde draaglast
van betreffende werknemer. Iemand die op deze wijze onder spanning staat,
zal eerder overbelast raken op het werk.
Surmenage of Overspannenheid
Overspanning of surmenage is een toestandsbeeld
dat ontstaat als gevolg van een falende coping bij een teveel aan stress.
De patiënt heeft echter snel erkend dat de coping faalt en trekt aan
de bel. Dit in tegenstelling tot patiënten die burnout ontwikkelen,
die met een falende coping blijven 'doorzetten'.
Het is een van de meest gestelde diagnoses
in de huisartspraktijk en vormt 15 tot 30%van het totale ziekteverzuim.
Surmenage is op te vatten als een crisis,
die in korte tijd ontstaat en gepaard gaat met sociaal disfunctioneren.
Dat overspanning niet altijd negatief hoeft te zijn, wordt duidelijk als
we bedenken dat de crisissituatie tevens mogelijkheden biedt om eigen zwakke
plekken of grenzen te leren kennen.
Als de klachten 'zuiver' van aard zijn,
waarmee bedoeld wordt dat er geen comorbiditeit is met andere klachten
of stoornissen, is de prognose van surmenage gunstig. Slechts in enkele
gevallen duurt de periode van ziek zijn langer dan een half jaar en een
groot gedeelte is binnen drie maanden weer aan het werk.
Bij surmenage gaat het om;
Een kenmerkend syndroom; waarbij de klachten
uit een breed beeld bestaan zoals moeheid, slecht of juist veel slapen,
piekeren, concentratiestoornissen, prikkelbaarheid, lusteloosheid, somberheid,
emotionele labiliteit en demoralisatie. Het gevoel van welbevinden is sterk
verminderd en mensen geven aan het niet meer aan te kunnen.
Met sociaal disfunctioneren; men voelt
zich niet langer in staat inspanning te leveren, zeker niet op het gebied
van werk en soms ook niet in het privéleven. Op het werk worden
vaak meer fouten gemaakt en ergeren mensen zich vaker aan bijvoorbeeld
collega's of leidinggevenden, waardoor de kans op conflicten toeneemt.
Waarbij er een herkenbare relatie is met
stressoren; deze zijn vaak goed te achterhalen en het is vaak niet moeilijk
voor te stellen dat deze factoren stress met zich meebrengen.
Er is voorgeschiedenis van normaal functioneren;
de voorgeschiedenis vermeldt geen bijzondere problemen en in verhouding
met een normale populatie is er geen verschil, behalve dat overspannenheid
bij vrouwen wat vaker voorkomt bij vrouwen met een hoger opleidingsniveau
en betaald werk.
De duur van de klachten en het disfunctioneren
is relatief kort; men geeft over het algemeen aan dat de klachten minder
dan een half jaar geleden zijn begonnen.
Burnout
Uit diverse onderzoeken naar burnout blijkt
dat de mensen die last krijgen van burnout vaak de mensen zijn die in het
begin van hun carrière enthousiast en vol idealen beginnen.
Het zijn die mensen die zich voor 120%
inzetten en die er geen bezwaar tegen hebben om eens wat extra te doen.
Er is aanvankelijk vaak een grote loyaliteit naar het werk. Eigenlijk zijn
het dus 'de beste werknemers' die afbranden.
Je zou kunnen zeggen dat er een te grote
betrokkenheid naar het werk is. Dit kan lange tijd goed gaan maar als de
idealen niet verwezenlijkt kunnen worden en waardering uitblijft, dan kan
het aanvankelijke enthousiasme omslaan. Dan kan de gemotiveerde werknemer
de cynicus worden en komt er bij de eerst zo harde werker niets meer uit
zijn handen.
Met name in hulpverlenende beroepen geldt
nog een andere factor die in verband wordt gebracht met een verhoogde kans
op burnout, namelijk inlevingsvermogen. Naarmate mensen meer betrokken
zijn bij hun cliënten wordt de kans op burnout groter. Ook hier blijkt
te weinig afstand ten opzichte van het werk uiteindelijk te overbelasten.
Het klinische beeld van burnout kan opgevat
worden als het einde van een proces waarin iemand steeds meer is gaan disfunctioneren,
gepaard gaande met geestelijke uitputting en tenslotte leidend tot het
gevoel leeg te zijn en geen energie meer te hebben (Freudenberger). Het
gaat hierbij vaak om mensen die in het verleden goed gefunctioneerd hebben
en waarbij het proces sluipend is begonnen.
Symptomen
van burnout
Fysieke symptomen
Intense vermoeidheid is het meest in het
oog springende symptoom, daarnaast kan er sprake zijn van vage spanningsklachten
zoals hoofdpijn, misselijkheid en pijnlijke spieren (vooral in de nek en
onder in de rug). In sommige gevallen speelt ook hyperventilatie een rol.
Psychische symptomen
Op emotioneel gebied is er sprake van
depressieve gevoelens en een verhoogde prikkelbaarheid. Op cognitief gebied
is er vaak sprake van een 'vervormd' wereldbeeld. Patiënten hebben
het gevoel dat alles op hun schouders neerkomt, dat niemand meewerkt, enz..
Er treden denkstoornissen op zoals: verminderde concentratie, minder goed
hoofd- en bijzaken van elkaar kunnen onderscheiden, minder goed twee dingen
tegelijk kunnen doen en meer zwart/wit denken.
Gedragsmatige symptomen
De gedragsmatige signalen vloeien voort
uit een verhoogde staat van opwinding waarin de patiënt zich bevindt.
De patiënt is vaak hyperactief zonder zich daarbij op een taak te
concentreren. Er wordt impulsiever gehandeld en ook is er vaak een toename
in het gebruik van genotsmiddelen zoals, alcohol, koffie, tabak of andere
pep- of roesverwekkende middelen.
Op de werksituatie valt in eerste instantie
de verminderde productiviteit op. Er komt minder uit iemands handen en
ook de kwaliteit van het gepresteerde neemt af. Daarnaast is men meer geneigd
tot het nemen van pauzes, er worden minder initiatieven genomen en er is
een toename in ziekteverzuim.
Sociale symptomen
Een belangrijk symptoom is dat de patiënt
zich steeds meer terug gaat trekken uit contacten. Dit kan fysiek zijn,
bijvoorbeeld een verpleegkundige die steeds vaker op haar kantoortje gaat
zitten, of psychisch door een afstandelijke houding aan te nemen.
Dit laatste wordt in de burnoutliteratuur
ook wel depersonalisatie genoemd. Dit verschijnsel uit zich door een afstandelijke,
soms afwijzende houding naar cliënten. Schaufeli (1990) noemt hiervan
de volgende voorbeelden: de verpleegster die patiënten behandelt als
onpersoonlijke objecten (de maagzweer van kamer 24), de arts die zijn patiënten
niet meer serieus neemt en klaagt 'dat iedereen voor elk wissewasje geholpen
wil worden'; de leraar die vindt dat zijn werk geen zin heeft, het is maar
parelen voor de zwijnen gooien ' omdat de leerlingen ongeïnteresseerd
zijn en te dom zijn om voor de duvel te dansen; de psychotherapeut die
geen enkele fiducie meer heeft in de verbetering van zijn cliënten
'omdat het sowieso hopeloze gevallen zijn waar al van alles mee is gebeurd'
en de gevangenbewaarder die vindt dat de gedetineerden niet beter verdienen.
Deze negatieve houding ziet men ook vaak
naar de organisatie toe. " Ik mag hier alleen nog maar papieren invullen
in plaats van mensen te helpen".
Veelal is zowel thuis als op het werk
een toename van conflicten. |