Fixeren bij ouderen een
grijs gebied?
Alkmaar, september 1994
Arjo Feil
Opleiding B–verpleegkundige
Groep 9204
Scriptiebegeleider; Sandra van Eck
St. Willibrord te Heiloo
Inleiding
Het onderdeel scriptie is en blijft een
populair onderdeel van veel opleidingen. Zo ook bij de opleiding tot psychiatrisch
verpleegkundige. Er worden zeer vele scripties geschreven. Een ieder doet
zijn uiterste best een onderwerp te vinden welke hem of haar aanspreekt.
Daarbij vind ik het ook nog van belang een onderwerp te kiezen waarbij
ik niet het idee heb dat dit reeds door velen voor mij is behandeld. Waarom.......?
Omdat ik me wilde verdiepen in een onderwerp waarbij ik als verpleegkundige
iets kan bijdragen zonder daarbij te treden in het voetspoor van al mijn
illustere voorgangers. Dus geen herhaling van wat reeds zoveel is beschreven,
hoe interessant het ook is om hierbij je eigen mening te plaatsen. Ik zal
dus meer vanuit mijn mening als verpleegkundige, met alle risico’s van
dien, mijn onderwerp moeten behandelen. Dit spreekt mij het meeste aan.
In mijn optiek kan zo deze scriptie voor mij het meeste rendement opleveren.
De keuze van het onderwerp; vele interessante
items passeerden de revue tijdens de fase van het kiezen. Wat vind ik van
belang en wat boeit me dusdanig dat ik hier zoveel tijd in wil stoppen?
Duidelijk zal zijn dat dit een moeizaam gebeuren is geweest. De keuze werd
bepaald door toevalligheden. Ik was een scriptie aan het lezen over het
separeren van patiënten. Ik had hoop daarin wat te vinden over iets
waar regelmatig over werd gesproken op de werkvloer. Het betrof hier het
fixeren van patiënten. Met name het vraagtekens plaatsen over wanneer
wel en wanneer niet toepassen, mag het eigenlijk wel en waarom doen we
het. De scriptie over separeren gaf hier geen duidelijk antwoord op. Ook
bleek het in eerste instantie niet eenvoudig om elders hierover iets te
vinden. Hierdoor ontstond bij mij duidelijkheid over de keuze van het onderwerp.
Ik werkte op een geronto–psychiatrische
afdeling, afdeling Vincentius III, waarbij het fixeren regelmatig voorkwam.
Opvallend hierbij was de grote willekeur bij het handelen en registreren
van dit feit. Aldus ben ik gekomen tot het formuleren van de volgende probleemstelling:
Hoe dienen verpleegkundigen op afdeling
Vincentius III te handelen indien het toepassen van dwangmiddelen noodzakelijk
is.
Toelichting; in het geval van noodzaak
tot fixeren c.q. toepassen van dwangmiddelen, de vraag: wie neemt deze
beslissing. en aan welke voorwaarden moet worden voldaan? Ik beperk me
in deze probleemstelling tot het middel fixatie. Het gaat dus niet over
separeren. De reden voor deze keuze is dat met name het fixeren een veel
toegepast middel is in de geronto–psychiatrie. Veel meer dan separeren.
De vanzelfsprekendheid en de willekeur zijn een volgende reden. De afbakening
door het noemen van de afdeling is van belang voor de duidelijkheid van
het praktijkgedeelte. Waar speelt zich dit af. Het gaat over verpleegkundig
handelen op deze afdeling.
Vervolgens heb ik een doelstelling geformuleerd:
wat wil ik bereiken, wat is naar mijn mening zinvol in relatie tot de probleemstelling.
Ik ben gekomen tot de volgende doelstelling:
Aanbevelingen opstellen inzake het toepassen
van dwangmiddelen op afdeling Vincentius III, een geronto–psychiatrische
afdeling.
Toelichting; mijn hypothese is dat door
het opstellen van aanbevelingen er meer duidelijkheid ontstaat over het
toepassen van dwangmiddelen. Dit naar mijn mening ‘grijze’ gebied maakt
het noodzakelijk om deze zaken nader te omschrijven. Deze aanbevelingen
kunnen ook worden gezien als een soort protocol over hoe te handelen bij
het fixeren. Het woord protocol is mij echter te stellend. Ik geef liever
aanbevelingen welke in samenspraak met alle betrokkenen kan leiden tot
een protocol.
Tenslotte wil ik een ieder bedanken die
behulpzaam is geweest bij het tot stand komen van deze scriptie. Deze hulp
was zeer divers. Van het beantwoorden van al mijn vragen tot het inzage
geven van stukken uit andere ziekenhuizen. Ook van belang is de begeleiding
bij het komen tot een scriptie onderwerp. Dit leggen van de fundering is
zoals een ieder weet van groot belang. Dank hiervoor.
Hoofdstuk 1
Situatieschets
Inleiding
In dit hoofdstuk geef ik een beschrijving
van de werkplek. Ik ga nader in op het therapeutisch milieu welke volgens
mij wordt toegepast, bewust dan wel onbewust, op de afdeling welke als
voorbeeld heeft gediend voor het maken van deze scriptie. Ik zal eerst
een algemene beschrijving geven van de ruimtelijke aspecten. Hoe zit het
gebouw in elkaar, welke bouwkundige factoren zijn van belang en hoe is
de afdeling gesitueerd binnen de instelling. Vervolgens beschrijf ik de
categorie patiënten; verhouding mannen en vrouwen, reden van opname
(globaal). Tenslotte komen de medewerkers aan bod; wie werken er en wat
is hun taak in het geheel.
Dit alles heb ik nodig om het therapeutisch
milieu te kunnen beschrijven van de afdeling. Ik zal slechts beperkt ingaan
op mogelijke knelpunten. In latere hoofdstukken komen die aan bod indien
deze van belang zijn voor het onderwerp van deze scriptie.
Het gebouw
Het betreft hier de afdeling Vincentius
III van het cluster geronto–psychiatrie. Vincentius bestaat uit meerdere
afdelingen, vier in totaal, welke zijn gesitueerd op de begane grond. De
werkzaamheden vinden dus plaats in de laagbouw. De bovenverdieping is de
zolder, welke wordt gebruikt voor opslag doeleinden. De afdeling heeft
één grote gemeenschappelijke ruimte, de huiskamer. Deze is
gelegen aan de straatkant en heeft uitzicht op een redelijk grote tuin.
Onder begeleiding is deze toegankelijk voor patiënten. Het uitzicht
op de straat wordt belemmerd door overvloedig groen. Verder zijn er de
patiëntenkamers welke voornamelijk als slaapkamer dienst doen. Er
is een keuken en er zijn verschillende werk en opslagruimtes. Midden in
de afdeling is een afgesloten binnentuin. Deze kleine vierkante ruimte
wordt omgeven door een brede gang en staat in verbinding met passages welke
naar de andere ruimtes en andere afdelingen leiden. De doorgangen naar
buiten zijn afgesloten voor patiënten.
De patiënten
Vincentius III is een gesloten geronto–psychiatrische
afdeling en bied plaats aan zo’n 16 patiënten. De verhouding mannen
en vrouwen is wisselend en fluctueert tussen de 60% vrouwen en 40% mannen.
Globaal gesproken worden er patiënten opgenomen met, vaak ernstige,
gedragsstoornissen en of andere psychiatrische pathologie. Deze patiënten
zijn qua leeftijd in de derde levensfase, dus meestal ouder dan 65 jaar.
Tevens is van belang dat er sprake is van somatische zelfzorgtekorten;
men moet worden geholpen met wassen, aankleden, eten en andere ADL functies.
Vaak is er ook een continentie probleem.
De juridische status van de patiënten
is dat het overgrote merendeel op basis van vrijwilligheid hier verblijft.
Het woord vrijwillig lijkt wat tegenstrijdig. Een aantal van de patiënten
geeft duidelijk aan in woord en gebaar dat men veel liever elders zou zijn.
Het ontbreken van alternatieven geeft al aan dat het begrip vrijwillig
alleen in juridisch verband dient te worden gebruikt.
De medewerkers
Er werken op deze afdeling verschillende
personen van diverse disciplines. Ik zal in het kort beschrijven welke
dit zijn en wat hun taak en functie is.
1. verpleegkundigen
2. ziekenverzorgenden
3. unitcoördinator
4. arts
5. voedingsassistente
6. clusterhoofd
7. maatschappelijk
werkster
8. afdelingssecretaresse
9. schoonmaakdienst
Verpleegkundigen; dit is ongeveer de grootste
groep. Ik reken hieronder ook de groep leerling-verpleegkundigen. De taak
waarvoor verpleegkundigen staan is zeer uitgebreid. Hoofdtaak is natuurlijk
het verzorgen en verplegen van de patiënten. Met name de vraag: “Wat
is verplegen” is al zo complex dat ik hier niet verder op in zal gaan.
Een specifiek onderdeel hiervan wil ik wel noemen omdat dit van belang
is voor de verantwoordelijkheid voor de totale patiëntenzorg. Het
betreft hier het mentorschap. Elke verpleegkundige is mentor over enkele
patiënten. De bedoeling is dat de mentor verantwoordelijk is
voor het totale verpleegproces van de patiënt. Hij maakt het verpleegplan
en actualiseert deze zo nodig. Verantwoordelijk voor houdt met name in,
het bewaken van het proces. Alle leden van het team, dus ook degene die
niet de mentor zijn van de desbetreffende patiënt nemen actief deel
aan het werken met en veranderen van het verpleegplan. De mentor draagt
er zorg voor dat dit ook daadwerkelijk plaats vind. Dit is o.a. van belang
bij de multidisciplinaire patiëntenbesprekingen welke op reguliere
momenten worden gehouden. Hierin kan de mentor de patiënt presenteren
en de bijstellingen inbrengen. Verder is de mentor van belang in het onderhouden
van de contacten met familie / vrienden van de patiënt. Ik spreek
in dit kader wel van een gewenste situatie. Het aantal taken door mij genoemd
is natuurlijk onvolledig. Ook valt er nog veel, maar niet hier, te zeggen
over de daadwerkelijke uitvoering. Met name de discussie over eerste en
tweede deskundigheidsniveau’s speelt hier een grote rol; “wie behoort tot
welk niveau en welk niveau kan mentor zijn” Mijn mening is duidelijk: verpleegkundigen
als eerste niveau en ziekenverzorgenden als tweede. Alleen iemand van het
eerste niveau kan als mentor optreden.
Ziekenverzorgenden; dit is de andere grote
groep. Hun taak is met name gelegen in het verzorgen van de patiënten
. Gezien het grote aandeel van de somatische zorgvraag geen onbelangrijk
aspect. Zij zijn deskundige op het gebied van de verzorging en niet op
dat van verpleging. Hun deskundigheid kan een grote bijdrage leveren
aan het verpleegproces. Hun inbreng dient dan ook op z’n waarde te worden
geschat en niet als minderwaardig aan taken en functies van die van een
mentor te worden gezien. De discussie hierover en de uitvoering zijn nog
in volle gang. De reden van het hier aansnijden is gelegen in het hebben
van verantwoordelijkheid. Immers deze behoort in mijn optiek bij
de mentor en de eindverantwoordelijke arts. Het is deze verantwoordelijkheid
welke een grote rol speelt in het onderwerp van deze scriptie. Concluderend
zal duidelijk zijn dat deze categorie een minder belangrijke rol krijgt
toebedeeld in mijn aanbevelingen.
Unitcoördinator; dit is een zogenaamde
zorgcoördinator. Hij regelt alle zaken welke te maken hebben met zorgaspecten.
Op deze afdeling is de unitcoördinator de voorzitter van de multidisciplinaire
besprekingen. Volgens de taak- functie omschrijving zijn er geen hiërarchische
leidinggevende bevoegdheden aan deze functie verbonden. De realiteit laat
echter zien dat invulling van deze taak op verschillende afdelingen zeer
wisselend wordt ingevuld. Met name de rol van de eigenlijke leidinggevende,
het clusterhoofd, is hier van invloed. Duidelijk is dat nog altijd veel
teamleden de unitcoördinator wel leidinggevende bevoegdheden ten onrechte
toeschrijven. Hierdoor ontstaan vaak verwarrende situaties welke een mogelijke
oorzaak zijn voor bepaalde aspecten in het door mij gesignaleerde probleem
inzake de fixatie. Met name de rol in deze is onduidelijk.
Arts; deze is eindverantwoordelijk voor
de behandeling van de patiënt. Op Vincentius III is dit iemand met
een somatische medische opleiding. Wel heeft zij veel ervaring met psychiatrische
patiënten. Indien nodig kan zij beroep doen op de aan deze afdeling
toegewezen psychiater. Deze is sinds kort beschikbaar en wel voor een zeer
beperkte tijdsduur per week. De afdelingsarts komt op vaste tijden op de
afdeling om afspraken te maken inzake de behandeling van de patiënt.
Het betreft hier dan vooral ad hoc zaken omdat het de bedoeling is dat
veranderingen, nieuw beleid en evaluatie plaats vinden op de multidisciplinaire
besprekingen. Vaak worden de ad hoc besprekingen gedaan door de unitcoördinator.
Dit is geen vaste afspraak doch lijkt zo langzamerhand eerder regel dan
uitzondering te worden. Het lijkt mij een goede zaak om deze reguliere
ad hoc besprekingen tussen eerder genoemde personen vast te leggen in de
taakomschrijving van de unitcoördinator. Immers deze is en dient op
de hoogte te zijn van zaken welke te maken hebben met de toestand van de
patiënt. Hierdoor ontstaat er ook een duidelijke lijn met betrekking
tot de verantwoordelijkheid bij het fixeren.
Voedingsassistente; deze is verantwoordelijk
voor de werkzaamheden welke te maken hebben in het verstrekken en klaarmaken
van de voeding. Hierbij hoort ook de noodzakelijke administratie. Alleen
overdag op de zogenaamde werkdagen is deze persoon aanwezig. Dus
niet ‘s avonds en in het weekend. Bij afwezigheid van de voedingsassistente
worden de taken overgenomen door de dan aanwezige personeelsleden van het
verpleegteam. Dit is van belang om te weten. Met name de avondmaaltijd
wordt complexer door haar afwezigheid. Het begeleiden van de maaltijd dient
te worden gedaan door een minimum bezetting welke ook de huishoudelijke
taken moeten verzorgen. Wederom een aspect wat van belang is voor het onderwerp
van deze scriptie. Het is namelijk noodzakelijk voldoende tijd en personen
ter beschikking te hebben om de doelstelling van de afdeling inzake het
therapeutisch milieu te realiseren. Mogelijke consequenties komen later
aan bod.
Clusterhoofd; zoals reeds eerder genoemd
is deze de leidinggevende eindverantwoordelijke van het cluster.[2] De
algemene leiding berust bij deze functionaris. Deze neemt deel aan multidisciplinaire
besprekingen doch is hier niet de voorzitter van. De invloed van het clusterhoofd
op het afdelingsgebeuren is groot. Dit is slechts een constatering en geen
waardeoordeel, hetgeen van belang is wanneer het onderwerp fixatie aan
bod komt.
Maatschappelijk werkster; haar functie
is het regelen van met name de financiële aspecten met betrekking
tot de patiënten. Ook het contact met familie en of zakenwaarnemers
valt onder haar verantwoordelijkheid. Zij werkt hierin samen met de verschillende
mentoren van de afdeling. Ook heeft zij een inbreng in het multi–disciplinaire
team overleg.
Afdelingssecretaresse; deze verzorgt allerlei
administratieve zaken voor zowel het clusterhoofd alsmede de verschillende
units binnen Vincentius. Wat het laatste betreft denk ik hier aan het uitwerken
van besprekingen en invoer op de PC van het verpleegkundig dossier. Steeds
vaker wordt een beroep gedaan op deze nieuwe wijze van administratie voering
met betrekking tot het verpleegkundig dossier. Hierdoor zal er mogelijk
in de toekomst ofwel uitbreiding van uren dan wel invoer van automatisering
systemen op de units dienen plaats te vinden.
IOT; dit is de schoonmaakdienst. Deze is
verantwoordelijk voor het schoonhouden van het leef- en werkmilieu. Gezien
de patiënten populatie, ik denk dan met name aan continentie problemen,
niet onbelangrijk.
Therapeutisch milieu
Een beschrijving van het therapeutisch
milieu op afdeling Vincentius III valt te distilleren uit de gegevens welke
voortkomen uit de werkgroep die de basisfilosofie en doelstelling van de
afdeling heeft uitgewerkt. Aangezien ik hier zelf aan heb deelgenomen citeer
ik uit (mede) eigen werk:
“Algemeen kan men stellen dat het gericht
is op het verblijf binnen een supportief model waarbij het ik behoud
op de voorgrond staat. Dit milieu dient te zorgen voor een hoge mate van
veiligheid voor de patiënt, binnen het kader van deze chronische verblijfsafdeling.”
Een aantal aspecten dienen wat in detail
te worden bekeken. Ten eerste wordt gesproken over chronisch en verblijf
, hetgeen binnen de psychiatrie impliceert dat het niet voor tijdelijk
is. We kunnen dus spreken van een vorm van woonafdeling. Het creëren
van een woon en leefmilieu is hier dus van toepassing. Natuurlijk is het
niet mogelijk een zodanige omgeving te scheppen dat een thuissituatie wordt
geëvenaard. Het is en blijft een ziekenhuis waar mensen veelal niet
vrijwillig verblijven, althans in hun beleving. De bedoeling is dan ook
dit slechts enigszins te benaderen.
Vervolgens verdient het woord supportief
in deze doelstelling nader te worden omschreven. Letterlijk betekent dit
ondersteunend. Dus te steunen daar waar nodig en alleen dan over te nemen
indien niet meer zelfstandig door de patiënt is te verrichten. Het
gericht zijn op ik-behoud sluit hier op aan. Hier staat voorop te behouden
wat er nog aan gezonde elementen in de persoon aanwezig is[4]. Dit
alles dient o.a. ter voorkoming van hospitalisatie en of verdere achteruitgang.
Ook wordt er expliciet gesproken over veiligheid.
En wel een hoge mate van veiligheid. Gedurende het verblijf dient dit te
worden gegarandeerd. Het lijkt mij van belang dit woord ‘veiligheid’ duidelijk
te definiëren. Hierdoor ontstaat een zekere mate van eenduidigheid
wat verder van belang is met betrekking tot het hoofdonderwerp. Ten eerste
de omschrijving in een woordenboek[5]; ‘het veilig zijn, inrichting waardoor
iets of iemand wordt gevrijwaard tegen schade of verlies’. Het woord veilig
wordt als volgt gedefinieerd; ‘buiten gevaar, beschermd tegen gevaar, zonder
risico’. Binnen de omschrijving vanuit de juridische achtergrond is vooral
het gevaarscriterium van belang; ‘veiligheid is die situatie waarbij er
geen gevaar voor persoon of omgeving aanwezig is’[6] Ook binnen de pas
ingevoerde BOPZ[7] wordt analoog aan deze omschrijving het begrip
veiligheid toegepast. Het begrip schade en verlies staan hier minder op
de voorgrond. Gelet op het hoofdonderwerp kom ik tot de keuze van de laatste
omschrijving. Deze zal ik verder hanteren.
Waarom heb ik deze aspecten nader besproken?
De reden is tweeledig; ten eerste omdat het van belang is dat er de reeds
eerder genoemde eenduidigheid is en ten tweede omdat dit nu juist de knelpunten
zijn waar men tegen aan loopt inzake het fixeren. In het onderzoek gedeelte
van de scriptie komt dit aan bod.
Samenvatting
In dit hoofdstuk heb ik een beschrijving
gegeven van de werkplek. Welke verschillende beroepen er zoal werken en
in het kort hun takenpakket. Vervolgens een beschrijving van het therapeutisch
milieu, welke in feite de richting bepaalt op welke wijze er dient te worden
gewerkt. Dit alles om een globale indruk te krijgen. In moderne termen;
het totale plaatje (wel wat vaag, maar ook dat is modern). Ook is het een
aanzet om die dingen te benoemen welke verder een rol spelen bij het onderwerp
van deze scriptie.
Hoofdstuk 2
Situatie verduidelijking
Inleiding
In dit hoofdstuk zal ik middels het geven
van casussen duidelijk maken waar het met betrekking tot fixeren nu eigenlijk
over gaat. Over welk gedrag gaat het nu eigenlijk. Welke middelen staan
ter beschikking. Hoe is de situatie in de praktijk zoals ik deze heb meegemaakt
tijdens mijn stage. Ik heb de namen veranderd zowel van de patiënten
alsmede het personeel. De situatie is beschreven vanuit mijn subjectieve
waarneming. Ook gebruik ik naar willekeur de mannelijke en de vrouwelijke
vorm en vaak de term personeelslid i.p.v. verpleegkundige of ziekenverzorgende.
Dit alles om de privacy te garanderen van de betrokkenen. Wel heb ik die
gegevens gebruikt welke voorhanden waren uit het VKD[8]. Het betreft hier
de verpleegplannen en de voortgangsrapportage. Vervolgens zal ik aan de
hand van deze casussen een nabeschouwing geven. Hierin komen de dilemma’s
aan bod.
Casus 1
Mw. De Groot heeft moeite om tijdens de
maaltijd aan tafel te blijven zitten. Staat voortdurend op. Maakt hierbij
duidelijk kenbaar dat zij terug wil naar haar kamer. Wil niet eten. Hierdoor
wordt ook haar voedingstoestand slechter. Haar gedrag wordt als storend
ervaren binnen het groepsgebeuren. Mede - patiënten en personeel ervaren
het gedrag als uiterst hinderlijk. Afhankelijk van de verpleegkundige die
werkt worden er pogingen gedaan haar aan tafel te laten blijven. Het personeelslid
wat vandaag werkt besluit tot plaatsing van een tafelblad op de leuningen
van de stoel. Dit blad is door Mw. de Groot niet te verwijderen. Het is
haar dus onmogelijk om op te staan. Mw. de Groot protesteert heftig. Ook
schopt zij met haar benen tegen de tafelpoten. “Neen, niet doen”, “haal
dat blad weg” en woorden van die strekking worden door haar gebruikt. Haar
wordt verteld dat het blad pas zal worden verwijderd indien zij haar bord
heeft leeggegeten. Mw. blijft protesteren in steeds heftiger gedrag. Uiteindelijk
stokt haar geschreeuw. Mw. begint te eten in hoog tempo. Onmiddellijk daarna
schreeuwt zij dat ze wil worden bevrijd. Dit wordt genegeerd door het personeel.
Zodra de maaltijd is afgelopen wordt Mw. de Groot van haar tafelblad verlost.
Onmiddellijk verdwijnt zij naar haar kamer. In haar verpleegplan staat
wel als aandachtspunt het moeizame eten vermeld. Bij de interventies staat
geen melding van eerder omschreven handeling. Wel wordt de situatie vermeld
in de voortgangsrapportage. Verdere acties worden niet ondernomen.
Casus 2
Dhr. Jansen is een man van meer dan 90
jaar. Het lopen gaat moeizaam en wankel. Hij ziet slecht. Bij het naar
het toilet gaan loopt hij aan de arm van iemand van het personeel. Regelmatig
heeft hij de behoefte zelfstandig te gaan lopen. Dit is echter gevaarlijk.
Hij valt voortdurend. Dit heeft in het verleden al eens geresulteerd
in een gebroken heup. Om dit gevaar af te wenden is besloten hem overdag
te fixeren met een tafelblad op zijn stoel. In de nacht wordt hij met een
Zweedse band in bed gefixeerd. Af en toe protesteert hij tegen deze maatregelen.
Uitleg over het waarom lijkt hij niet te begrijpen. Deze protesten duren
niet lang. De meeste tijd laat hij alles gelaten over zich heen gaan. De
genoemde maatregelen staan vermeld in het verpleegplan. De familie is op
de hoogte hiervan en heeft toestemming gegeven. Alleen bij bijzonderheden
wordt in de voortgangsrapportage melding gemaakt van zaken met betrekking
tot het fixeren.
Casus 3
Mw. de Lange is bedlegerig. Behalve haar
psychiatrische ziekte is zij somatisch erg ziek. Zij is in de laatste fase
van een maligne tumor. Met name de tumor in haar keel maakt dat het eten
en slikken zeer problematisch is geworden. Ook geeft zij pijn aan in haar
rug en hoofd. Zeer regelmatig geeft zij aan te willen sterven. Ook in het
verleden, toen er nog geen sprake was van het kanker proces, heeft zij
op basis van een chronisch depressief syndroom regelmatig deze wens uitgesproken.
Ook heeft zij verscheidene pogingen tot zelfmoord gedaan. De laatste
tijd laat Mw. zich regelmatig uit bed vallen. Zeer duidelijk laat zij dan
merken dat zij dood wil. Het heeft er alle schijn van dat dit als een T.S.[9]
kan worden beschouwd. Deze situatie wordt steeds moeilijker voor
het personeel. In de bespreking van het basisteam wordt besloten dat Mw.
de Lange in bed wordt gefixeerd middels een Zweedse band. Met haar familie
wordt dit overlegd. Deze gaan akkoord. Mw. de Lange blijft zich regelmatig
verzetten tegen deze maatregel. Zij reageert zeer boos bij het aanbrengen
van de band. In het verpleegplan wordt melding gemaakt van deze maatregel.
In de voortgangsrapportage komt dit onderwerp regelmatig voor. Vaak blijkt
hieruit dat er nogal wat twijfel en onzekerheid onder het personeel is
ten aanzien van deze maatregel. Haar reageren is hierbij duidelijk van
belang.
Overdenking en nabeschouwing
Ik heb hier drie willekeurige situaties
beschreven. Hier lopen verpleegkundigen en ziekenverzorgenden regelmatig
tegenaan. Er is veel onduidelijkheid over. Wat mag nu wel en wat niet.
Welke voorwaarden zijn er om tot deze handelingen over te gaan. Hoe verloopt
de procedure en wat dient waar te worden vermeld. Ook komen hier ethische
problemen naar voren. Gerelateerd aan ieders normen en waarden oordeelt
men over het al dan niet fixeren. Ook komt hier de basisfilosofie van de
afdeling aan bod. Immers men dient te zorgen voor een hoge mate van veiligheid
voor de patiënt. Is die veiligheid dan belangrijker dan het zelfbeschikkingsrecht
van het individu? Wat is wel en wat is niet veilig? Allemaal vragen welke
niet door mij zijn te beantwoorden. Ten eerste omdat hierover nog geen
jurisprudentie beschikbaar is en ten tweede omdat dit buiten het bestek
valt van deze scriptie. Wel zal duidelijk zijn dat deze dilemma’s het noodzakelijk
maken éénduidig te handelen.
Per casus zal ik proberen aan te geven
waar in mijn optiek onduidelijkheden en of twijfelachtige beslissingen
aanwezig zijn.
casus 1
Het grootste manco in de casus van Mw.
de Groot is het aanwezig zijn van willekeur. Het is afhankelijk van het
personeelslid of het fixeren wel of niet wordt toegepast. De criteria zijn
niet duidelijk. Er is in het verpleegplan geen interventie omschreven met
betrekking tot deze handeling. Toetsing hiervan is dus via de multidisciplinaire
besprekingen niet mogelijk. De verantwoordelijkheid is onduidelijk. De
eindverantwoordelijke, de arts, is mogelijk niet op de hoogte. In hoeverre
de familie geïnformeerd is, is niet duidelijk. Wat wel duidelijk is
dat de patiënt hier geen toestemming voor geeft. Duidelijk is dat
volgens het registratie formulier dwangbehandeling en middelen / maatregelen[10]
het hier gaat om een dwangbehandeling dan wel, indien er in het behandelplan
geen melding van deze fixatie wordt gemaakt, een zogenaamde MM-nood.
In beide situaties dient dit te worden gemeld aan de inspectie.
casus 2
In dit geval is er wat meer duidelijkheid.
Hoewel Dhr. Jansen af en toe protesteert is er wel toestemming van de familie.
Het dilemma van de vrije wil van de patiënt blijft natuurlijk wel
aanwezig. Ook wordt van het fixeren melding gemaakt in het verpleegplan.
Vervolgens heeft er een sanctionering plaatsgevonden in de BTB[11] . Ook
heeft de eindverantwoordelijke arts haar toestemming gegeven. Er werd geen
gebruik gemaakt van de M&M formulieren. Hierdoor vindt er geen melding
plaats aan de inspectie zodat toetsing achteraf niet mogelijk is. De afweging
om tot deze handeling over te gaan is niet gebaseerd op algemene criteria
doch alleen op basis van deze individuele patiënt.
casus 3
De laatste casus is uiterst complex. Mw.
is zeer duidelijk in haar afwijzing van het fixeren. Zij beschouwt dit
niet als bescherming doch als middel ter voorkoming van haar wens tot sterven.
De legitimatie om tot fixatie over te gaan moet dan ook naar mijn mening
worden gezocht in de gevaarscriteria zoals omschreven in de BOPZ. Echter,
Mw. is vrijwillige opgenomen. In dit geval dient dan ook in eerste instantie
een IBS[12] en vervolgens een RM[13] te worden aangevraagd. In de genoemde
casus is van dit alles geen sprake. Wederom kan men stellen dat van toetsing
achteraf geen sprake is.
Samenvatting
In dit hoofdstuk ben ik gaan kijken naar
de praktijk. Tegen welke situatie lopen verpleegkundigen en ziekenverzorgenden
aan wanneer fixatie wordt toegepast. De genoemde casussen zijn verschillend.
Toch vallen hierbij ook overeenkomsten te benoemen. In alle gevallen ontbreekt
toetsing door de inspectie achteraf. Ook is er geen éénduidigheid
inzake de criteria. Voor elke patiënt is op basis van individuele
aspecten al dan niet een besluit genomen. In alle gevallen protesteert
de patiënt. Soms meer en soms minder. In ieder geval ontbreekt bij
alle drie de toestemming van de patiënt.
Hoofdstuk 3
Wetgeving
Inleiding
In dit hoofdstuk zal ik vanuit de huidige
juridische situatie gaan beschrijven hoe in dit verband het begrip fixeren
moet worden geïnterpreteerd. Van belang hierbij is de recent ingevoerde
BOPZ. Hierin worden nadere regels en aanwijzingen gegeven over hoe te handelen.
Ik zal beschrijven wat de veranderingen zijn en vooral welke consequenties
dit alles heeft voor de verpleegkundige. Natuurlijk zijn er meer verschillen
te benoemen die voortkomen uit de invoering van deze wet. Dit valt echter
buiten het bestek van deze scriptie. Het gaat mij met name over de betekenis
voor verpleegkundigen, wat is er veranderd en welke handelingen en gedragingen
worden nu door de wet van ons verwacht.
De wet BOPZ
Op 17 januari 1994 is de wet Bijzondere
Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen in werking getreden. Over deze
wet is jarenlang gediscussieerd. De gevoeligheid van de materie was hier
mede verantwoordelijk voor. De wet dient ter vervanging van de oude Krankzinnigenwet
uit 1884. Deze wet, welke van oorsprong diende om de maatschappij te beschermen
tegen 'krankzinnigen' om zo de openbare orde niet te verstoren, werd in
1904 herzien. Men begon in te zien dat behandeling positief zou kunnen
werken. Het karakter van 'bewaren' veranderde meer naar dat van behandeling.
Er zijn nog twee belangrijke aanpassingen van de wet geweest. De eerste
in 1929 waarbij nadere rechten voor de patiënt werden geregeld en
de laatste in 1970. Hier werden nadere waarborgen inzake RM, IBS en onvrijwillige
opnames ingebouwd. Deze juridische termen komen in de BOPZ terug. Dat het
24 jaar heeft moeten duren voordat de nieuwe wet kwam wil niet zeggen dat
men al die jaren heeft gehandeld volgens de normen van 1970. Jurisprudentie
en voorontwerpen van de nieuwe wet hebben reeds een geleidelijke verandering
hierin tot stand gebracht. Men anticipeerde op dat wat ging komen. Hierdoor
is de overgang naar de nieuwe wet niet al te groot. Veel instellingen zijn
hun beleid geleidelijk gaan veranderen om te voldoen aan de te verwachten
criteria.
Fixatie volgens de BOPZ
De wet BOPZ gaat o.a. over opnames in
psychiatrische ziekenhuizen. Een onderdeel hiervan zijn de richtlijnen
welke het handelen van de beroepsbeoefenaren nader omschrijft. Een van
die handelingen is het fixeren, welke valt onder het begrip Middelen en
Maatregelen.
Dit laatste begrip is volgens de BOPZ[14]
glashelder; krachtens de BOPZ is het aantal middelen en maatregelen dat
kan worden toegepast ter overbrugging van een tijdelijke noodsituatie,
veroorzaakt door een stoornis van de geestvermogens van de patiënt,
beperkt tot de volgende: afzondering, separatie, fixatie, medicatie en
de toediening van vocht en voeding. Er is van een noodsituatie sprake,
als er een gevaar voor de patiënt of voor anderen ontstaat, of als
er een meer dan normale kans bestaat dat deze situatie zich op korte termijn
gaat voordoen. Uitgangspunt bij de behandeling van onvrijwillig opgenomen
patiënten is, dat getracht wordt met hen overeenstemming te bereiken
over die behandeling. Bij de toepassing van middelen en maatregelen gaat
het om gevallen waarin (nog) geen behandelplan is voorgesteld of overeengekomen,
of om situaties waarin dit plan niet voorziet. Middelen en maatregelen
kunnen niet langer dan gedurende een periode van zeven dagen worden toegepast.
Binnen deze periode dient in overleg met de patiënt een behandelplan
te zijn opgesteld of moet een reeds aanwezig plan op het ontbrekende punt
worden aangepast. Toepassing van middelen en maatregelen moet zo spoedig
mogelijk na het begin van de toepassing worden gemeld aan de inspecteur,
en aan echtgenoot, wettelijke vertegenwoordiger of naaste (familie)betrekkingen.
Consequenties voor verpleegkundigen
Er zijn nogal wat veranderingen voor
verpleegkundigen. Vroeger werd vaak het begrip “verpleegkundige maatregel”
gehanteerd indien men gebruik diende te maken van fixatiemiddelen.
Zo diende b.v. het aanbrengen van een Zweedse band in bed om te voorkomen
dat de patiënt uit bed zou vallen. Dit was vanuit de verpleegkundige
optiek een zinvolle beschermende maatregel. Men realiseerde zich wel dat
er hier sprake was van een vorm van vrijheidsberoving, echter verdere consequenties
werden er niet aan verbonden. Deze handeling kwam en komt regelmatig voor.
Met de invoering van de BOPZ, waarin met geen woord wordt gesproken over
deze verpleegkundigen maatregelen, is de situatie gewijzigd. De handelingen
met betrekking tot het fixeren zijn duidelijk omschreven. Ook zijn er criteria
waaraan men dient te voldoen. Nu kan men stellen dat de BOPZ alleen
van toepassing is op onvrijwillig opgenomen patiënten. Hierdoor zouden
de categorie patiënten zoals ouderen buiten het bestek vallen van
deze wet. Immers vrijwel alle patiënten van deze categorie zijn op
basis van vrijwilligheid opgenomen. Nu valt er genoeg te zeggen over die
vrijwilligheid. Indien men naar de alternatieven kijkt welke er zijn is
dit zeer betrekkelijk. Men had en heeft geen keuze. Toch blijft het feit
staan, dat de juridische positie van deze groep patiënten, die is
van vrijwillig opgenomen. We hebben hier dus een dilemma. Er is nog geen
juris is. Ik pleit voor het gebruik van de zogenaamde M&M formulieren.
Dus ook voor vrijwillig opgenomen patiënten ! Hierdoor is er een eenduidigheid
van registreren en een juridische toetsing achteraf mogelijk. Ook kan men
stellen dat deze formulieren de mogelijkheid van gebruik voor patiënten
met een vrijwillige status open laten. De juridische status is niet van
belang doch meer de omstandigheden, de toestemming van de patiënt
en vooral het al dan niet aanwezig zijn van een behandelplan. Ontwikkelingen
binnen de gezondheidszorg wijzen erop dat mogelijk de juridische status
van de patiënt zal dienen te veranderen indien er sprake is van noodzaak
tot fixeren. Denk hierbij aan toekomstige jurisprudentie en MvB’s[16]
Samenvatting
In dit hoofdstuk ben ik van een macro
onderwerp; de wet BOPZ naar een onderdeel hiervan gegaan; het fixeren.
Vervolgens ben ik nader gaan kijken naar de consequenties op micro niveau;
de verpleegkundigen op de werkvloer. Duidelijk is dat deze consequenties
groot zijn. Ook duidelijk is dat er vooral nog veel onduidelijk is. Hierdoor
ontstaan dilemma’s. Ik heb stelling genomen voor het gebruik van de M&M
formulieren. Het al dan niet vrijwillig opgenomen zijn laat ik dus buiten
beschouwing. Dit is een bewuste keuze welke misschien vooruitloopt op toekomstige
ontwikkelingen. Indien men de verpleegkundige literatuur nader bestudeerd
valt op dat er niets wordt geschreven over het fixeren. Daar tegenover
staat, dat men duidelijk is over de noodzaak tot verandering van de juridische
status van de patiënt, indien de noodzaak tot separatie aanwezig
is. Toch denk ik dat deze vorm van vrijheidsberoving analoog dient te worden
gezien aan het fixeren.
Hoofdstuk 4
Onderzoek
Inleiding
In dit hoofdstuk komen de meningen naar
voren van de medewerkers op de afdeling. Gedurende mijn stage heb ik met
verschillende verpleegkundigen en ziekenverzorgenden gesproken over de
situatie zoals beschreven in de casuïstiek in het algemeen en over
het fixeren in het bijzonder. Treffend was dat er nogal wat verschil van
mening was. Dit verschil was duidelijk tussen verpleegkundigen en ziekenverzorgenden.
Maar ook tussen de beroepsgroepen onderling bestond er verschil. Ook het
clusterhoofd heeft een zeer duidelijke uitgesproken mening. Opvallend was
dat deze mening goed was doorgedrongen tot de medewerkers. In alles viel
op dat het respect hiervoor groot is. Ik zal in algemene lijnen schetsen
hoe de meningen van de verpleegkundigen en de ziekenverzorgenden waren.
Vervolgens zal ik verslag doen van een interview welke ik heb gehouden
met het clusterhoofd[17]. Wel is het van belang te vermelden dat dit interview
plaats vond geruime tijd na afloop van mijn stage. Hierbij bleek dat de
situatie op de afdeling in belangrijke mate was veranderd. Met name het
denk- en handelings proces was behoorlijk in ontwikkeling. De meningen
van de eerder genoemde personeelsleden heb ik genoteerd tijdens gesprekken
binnen mijn stage periode.
Tenslotte geef ik in het kort weer de
bevindingen van een psychiatrisch ziekenhuis te Raalte. Ook zij liepen
tegen het ‘probleem’ van fixeren aan. Zij kwamen hierop vanuit een andere
invalshoek. Bij hun betrof het de veiligheid. Er had zich een ernstig incident
voorgedaan met een oudere patiënt. Er waren geen regels en criteria
ten aanzien van het fixeren. Ook was er geen goede registratie. Hun arbeid
kan goed dienen ter vergelijk. Ook kan gebruik worden gemaakt van hun aanbevelingen.
visie van personeel op de afdeling
Gesprekken met verpleegkundigen
Zeer regelmatig heb ik gedurende mijn
stage op de afdeling gesproken met verschillende verpleegkundigen. Hun
meningen kwamen vaak overeen doch waren ook vaak zeer verschillend. Een
ieder gaf toch wel duidelijk aan dat men zich vaak machteloos voelde in
situaties zoals genoemd in de casuïstiek. Men ervaart het veelal als
zwaktebod. Het gevoel van niet bij machte te zijn om alternatieven te kunnen
bedenken. Ook een gevoel van onvrede met de huidige situatie was duidelijk.
Vooral de onduidelijkheid van de criteria was hier debet aan. Één
verpleegkundige was met name zeer begaan met de ethische aspecten van deze
materie. In haar optiek was er in alle situaties sprake van vrijheidsberoving
en onvrijwilligheid. Een mening welke consequenties zou hebben voor de
juridische status van genoemde patiënten. Een mening ook welke duidelijk
was en verdedigbaar. Opvallend was ook dat in tegenstelling tot eerder
genoemde verpleegkundige de meesten bij het aansnijden van het onderwerp
de reactie hadden van; ‘tja, daar heb ik eigenlijk nooit zo aan gedacht’
‘maar nu je dit ter sprake brengt.....’ en vervolgens kwamen er allerlei
ideeën en gedachten aan bod. Men had wel degelijk een mening over
dit onderwerp. Door dit regelmatig als gespreksonderwerp naar voren te
brengen kwamen er steeds meer reacties in situaties waarbij werd gefixeerd.
Ook kwamen deze zaken meer aan bod tijdens patiëntenbesprekingen.
Het verschil in mening welke vooral naar voren kwam, lag met name in het
gevoelsmatige. Een aantal verpleegkundigen hadden zo iets van; ‘ het is
toch afgesproken, er is toch toestemming van de arts’. Zij hadden
of althans gaven aan er geen problemen mee te hebben. Voor hun was de zaak
duidelijk. Anderen bleven twijfels houden; ‘klopt het wel, er is dan wel
toestemming maar toch..... en ik blijf het vreselijk vinden’. Het was dan
ook met name deze groep welke alert bleef in het regelmatig aan de orde
stellen of de handeling nog noodzakelijk was.
Gesprekken met ziekenverzorgenden
In deze gesprekken kwam vooral de behoefte
naar voren van duidelijkheid; waar is de opdracht tot....,wie heeft het
afgesproken etc. Men wilde zekerheid van handelen hebben. Het besluiten
om tot dit handelen over te gaan was bij hun minder actueel. De onzekerheid
of het fixeren wel juridisch verantwoord was werd door hun niet als zodanig
ervaren. Als er maar een opdracht van een arts was. Gevoelsmatig was er
wel vaak weerstand. Men kon het niet zo verwoorden doch men gaf aan soms
wel een wat ‘naar’ gevoel te hebben. Indien nader werd ingegaan op dat
gevoel, bleek dat men dit vooral had bij patiënten die verzet pleegden.
Opvallend was wel dat deze groep het vooral heeft over de wijze van fixeren.
Een juiste en correcte wijze waarbij de patiënt zo min mogelijk last
had van het middel, stond bij hun hoog in het vaandel. Het kan ook niet
worden ontkend dat zij vaardiger in deze handelingen waren.
Gesprek met clusterhoofd
Tijdens dit gesprek kwam zeer duidelijk
naar voren dat zij een grote afkeer heeft van het fixeren. Woorden als
walgelijk en armoede middel werden hier door haar gebruikt. In haar optiek
is fixatie een laatste middel. Zij meent wel dat het niet altijd is te
vermijden doch wil dat dit met grote terughoudendheid wordt toegepast.
Op de vraag of zij verschil ziet tussen ouderen en jongeren, geeft zij
aan hier geen verschil in te zien. Leeftijd is hier niet van belang. Geronto
-psychiatrie is een onderdeel van de psychiatrie en dient niet in een uitzonderingspositie
te worden geplaatst. De uitzondering welke genoemd wordt in de BOPZ voor
psycho–geriatrische patiënten in dus niet van toepassing wat haar
betreft. Het is dan ook duidelijk waarom zij zo nadrukkelijk stelt te spreken
over geronto -psychiatrie en niet over psycho -geriatrie. Het zijn
andere categorieën. In casu Vincentius betreft het de oudere psychiatrische
patiënt en niet de dementerende oudere. Dat dementie ook bij oudere
psychiatrische patiënten kan voorkomen doet daar niets aan af. De
procedure welke wordt gevolgd indien tot fixeren moet worden overgegaan
omschrijft zij als volgt; ten eerste dient overleg en toestemming te worden
verkregen van de (d.d.) arts. Vervolgens dient er een melding voor de meldingscommissie
te worden geschreven. Tenslotte wordt dit alles vermeld in het VKD. Uiteraard
wordt ook familie en of wettelijke vertegenwoordiger op de hoogte gesteld.
Deze procedure betreft ad hoc situaties. Zoveel mogelijk dient de weg te
worden gevolgd van het inbrengen van de noodzaak van deze handeling via
de patiëntenbespreking. Helaas zijn fixatie handelingen zelden
vooruit te plannen. Duidelijk is dat zij de arts als eindverantwoordelijke
ziet. Dit is dan wel iemand op afstand. Daarom geeft zij aan dat per dienst
één verpleegkundige verantwoordelijk is voor de desbetreffende
patiënt inzake het fixeren. Ook ziet zij een rol voor de mentor. Deze
is verantwoordelijk voor het gehele proces. Denk hierbij aan vermelding
in het VKD. Zorg dragen voor regelmatige toetsing en evaluatie van de noodzaak
tot fixeren en zorg dragen voor het goed toepassen van fixatie middelen.
Als laatste aspect kwam het werken met
verschillende deskundigheidsniveau’s aan bod. Immers op Vincentius III
werken zowel verpleegkundigen alsmede ziekenverzorgenden. Hierbij stelt
zij duidelijk dat reeds wordt gesproken over één verpleegkundige.
Dit geeft al aan dat hierbij onderscheid wordt gemaakt binnen de deskundigheidsniveau’s.
Ook stelt zij dat de eindverantwoordelijke mentor ten alle tijden een verpleegkundige
dient te zijn. De ziekenverzorgende is mede mentor in een ondersteunende
rol waarbij haar of zijn deskundigheid inzake verzorgingsaspecten van groot
belang is. Haar rol als clusterhoofd wordt dan ook snel duidelijk. Zij
is verantwoordelijk voor een evenwichtige verdeling en voldoende aanwezigheid
van personeel in alle diensten met betrekking tot de verschillende
deskundigheidsniveau’s. Verder ziet zij haar taak als controlerende en
op afstand sturende leidinggevende functionaris. Middels de meldingen,
welke eerst naar haar gaan alvorens al dan niet te worden doorgestuurd
naar de commissie, en het lezen van de rapportage van het betreffende geval,
kan zij deze taken vervullen.
Situatie in het Psychiatrisch Centrum Sint
Franciscushof te Raalte
In dit ziekenhuis is men al geruime tijd
bezig met intercollegiale toetsing. In dit kader komt het onderwerp fixatie
ter sprake[18]. Op de afdeling geriatrie kwam het fixeren als prioriteit
voor toetsing toen zich een ernstig incident voordeed met een oudere patiënt.
Dit gaf veel beroering en motiveerde alle verpleegkundigen om te werken
aan een veiliger vorm van fixeren. Criteria ten aanzien van de “veiligheid”
leken op gespannen voet te staan met criteria op het gebied van “comfort”
voor de patiënten. De verpleegkundigen op de afdeling hadden hier
verschillende meningen over, wat leidde tot gebrek aan eenduidigheid in
het beleid. Een ander probleem was het feit dat de arts onvoldoende betrokken
was bij de fixatie. Er ontbrak een goede registratie. De ACT[19] heeft
criteria ontwikkeld voor de wijze van fixeren. De afdelingsverpleegkundigen
hebben uitleg gekregen over de technische kant. Er is een registratieregeling
ontworpen waarin genoteerd wordt welke patiënten in opdracht van wie
gefixeerd zijn. Deze registratie is gekoppeld aan patiëntenbesprekingen,
zodat periodiek wordt bekeken of fixatie wel nodig is. Elke keer moet opnieuw
worden overwogen de maatregel op te heffen. Elke verpleegkundige die een
patiënt fixeert is daar zelf verantwoordelijk voor en draagt deze
verantwoording over aan een verpleegkundige uit de volgende dienst. Er
zijn verder geen criteria voor de controle door verpleegkundigen van de
toestand van gefixeerde patiënten. Het unithoofd bewaakt de afspraken.
Zij gaat de registratie na en controleert steekproefsgewijs de wijze van
fixatie.
Uit dit verslag blijkt dat vanuit het aspect
veiligheid men vanzelf terecht kwam bij het stellen van criteria en registratie
van het fixeren. Het één is vaak het gevolg van het andere.
Hun situatie heeft er toegeleid dat er zoals in de inleiding reeds is gesteld,
een aantal zaken zijn geregeld. Ik kom hier later nog op terug.
Samenvatting
In dit hoofdstuk is besproken hoe men
als personeel, als verpleegkundigen dus, omgaat met omstandigheden uit
de praktijk met betrekking tot het fixeren. Ik ben hierbij uitgegaan
van de meningen van collegae en clusterhoofd. Ook heb ik een situatie beschreven
vanuit een ander ziekenhuis. Dit ter illustratie, zodat duidelijk wordt,
dat ook elders men soms vastloopt met hoe te handelen bij het fixeren.
In de meeste reacties komt naar voren dat men vooral duidelijkheid wenst.
Hoe te handelen en vooral hoe dit te regelen. Het clusterhoofd is het duidelijkst.
Zij hanteert vaste richtlijnen. Toch kan men daarbij opmerken dat dit vooral
mondelinge richtlijnen zijn. Er is niet zo iets als een protocol.
Hoofdstuk 5
Conclusie en aanbevelingen
Inleiding
In dit hoofdstuk zal ik verslag doen van
wat ik heb ontdekt. Ik zal nagaan of ik mijn doelstelling heb behaald en
een antwoord geven op mijn probleemstelling. Wat is de discrepantie tussen
de al dan niet aanwezige theorie, de wet, en de realiteit: de praktijk.
Welke aanbevelingen kunnen er worden gedaan om mogelijke verbeteringen
en of veranderingen te doen bewerkstelligen. Middels een analyse zal ik
proberen de belemmerende en bevorderende factoren te benoemen. Vervolgens
zal ik een eindconclusie opstellen, waarbij gebruik makende van de gegevens
uit de analyse, een oordeel komt. Wat dient er naar mijn mening te gebeuren.
Analyse
Al heel lang wordt door verpleegkundigen
gebruik gemaakt van het middel fixatie. Indien naar de mening van de toepassers
het voor de patiënt beter was om te worden gefixeerd werd dit gedaan.
Hier was en is sprake van het zogenaamde ‘bestwil’ principe. De deskundigheid
van de beroepsbeoefenaar bepaalde of men wel of niet hiertoe over ging.
De mening van de patiënt was minder belangrijk. Deze had immers niet
de kennis om dit oordeel te betwisten. In andere gevallen is dit wellicht
ook reëel. Denk hierbij aan adviezen welke door de verpleegkundige
worden gegeven inzake b.v. het nemen van rustmomenten gedurende de dag.
Het betreft hier een advies over wat het best zou zijn voor de patiënt,
gegeven vanuit de professionele deskundigheid van de verpleegkundige.
De patiënt kan dit wel of niet in acht nemen. Bij weigering zijn de
sancties mild. Het zijn tenslotte adviezen. In het geval van fixatie gaat
het niet meer over adviezen vanuit het ‘bestwil’ principe maar om vrijheidsberoving.
De wet heeft hier een duidelijke mening over: Dit is niet toegestaan tenzij
zwaarwegende factoren aanwezig zijn en dan alleen onder bepaalde voorwaarden.
Men kan dus stellen dat invoering van de wet BOPZ bevorderend heeft gewerkt.
Duidelijk is hier het ‘bestwil’ principe verlaten. Mogelijk heeft ook het
verder nadenken over beroepsinhoudelijke zaken door verpleegkundigen een
positieve bijdrage geleverd. Het eigen handelen, en dus ook het fixeren,
wordt onder de loep genomen. Men wordt zich echter steeds meer bewust van
eigen handelen. Ook invoering van het VKD heeft ondanks alle manco’s bijgedragen
tot verdere bewustwording van het verpleegkundig handelen. Hierdoor wordt
steeds meer dat ‘bestwil’ principe verlaten. De mondigheid van de patiënt
is niet groter geworden. Gezien de categorie patiënten ook niet zo
verwonderlijk. Hoogstens is er sprake van een iets mondiger familie. Deze
groep zet toch vaker dan vroeger vraagtekens indien er sprake is van fixatie.
Naar mijn mening komt dit helaas toch nog weinig voor. De redenen hiervoor
zijn mogelijk zeer divers. Van de nog immer aanwezige schroom ten aanzien
van. het gebeuren in een ziekenhuis, tot het feit dat een aantal patiënten
in het geheel geen of weinig bezoek krijgt.
Het bespreken van fixatie maatregelen
in de multidisciplinaire teambespreking heeft ook een bijdrage geleverd.
Gaande de bespreking van verschillende praktijksituaties werd en wordt
beleid gemaakt. Regels en afspraken worden ontwikkeld. Doordat verschillende
disciplines zich hierover uitspreken werd een brede basis van overeenstemming
bereikt.
Bij dit alles kunnen ook een aantal belemmerende
factoren worden genoemd. Eerder sprak ik over het maken van beleid middels
de multidisciplinaire besprekingen. Echter dit betreft alleen de individuele
patiënt. Telkens opnieuw dient te worden bepaald aan welke voorwaarden
en richtlijnen moet worden voldaan alvorens tot handelen over te gaan.
Dit is tijdverspilling. Natuurlijk dienen individuele aspecten besproken
te worden. Dit is echter iets anders dan het telkenmale opnieuw van de
grond opbouwen van beleid. De onduidelijkheid die telkens optreed bij situaties
waarbij het noodzakelijk is om te fixeren belemmert een zo goed mogelijke
toepassing. Ook het afwezig zijn van criteria schept onduidelijkheid. Duidelijk
is dat vaak de vraag van verpleegkundigen komt; ‘wanneer kan ik nu overgaan
tot fixeren?’. Vervolgens is de procedure van het fixeren onduidelijk;
‘welke richtlijnen zijn er, wie moet worden gewaarschuwd, welke papieren
moeten worden ingevuld, wie is er verantwoordelijk, wie controleert de
patiënt en hoe frequent etc.etc. Dit alles, deze grote onduidelijkheid,
is voor de verpleegkundige niet bevorderend om tot professioneel handelen
inzake het fixeren over te kunnen gaan.
Tenslotte komt nog een zeer belangrijk
aspect welke belemmerend werkt naar voren. Dat is het grote dilemma van
de juridische status van de patiënt. De BOPZ spreekt expliciet over
onvrijwillig opgenomen patiënten. De categorie patiënten waarover
ik het voortdurend heb zijn bijna allemaal vrijwillig opgenomen. Feitelijk
is deze wet dus niet op hun van toepassing. Echter, de handeling waar deze
scriptie over gaat betreft het fixeren. Deze vorm van vrijheidsberoving
valt wel onder de wet BOPZ. De uitzonderings positie welke deze wet geeft
voor psycho–geriatrische patiënten lijkt een mogelijke oplossing voor
dit dilemma. Echter, we hebben kunnen vaststellen dat dit niet opgaat.
De patiënten waarover het hier gaat behoren tot een andere categorie;
de psychiatrische patiënt. Concluderend kan men dan ook stellen dat
inzake het fixeren men niet op basis van leeftijd anders kan handelen dan
bij elke andere psychiatrische patiënt. Een erg complexe situatie.
Vooral omdat er nog geen duidelijke jurisprudentie is welke aangeeft hoe
te handelen in dit soort situaties. Verder kan men stellen dat door het
niet consequent melden van fixatie toepassingen aan de inspectie, een mogelijk
wettelijk regelen hiervan wordt belemmerd. Immers wat men niet weet kan
nooit leiden tot een regeling hiervan.
Conclusie
Indien men naar de feitelijke problematiek
kijkt komen hier een aantal aspecten naar voren. Enerzijds de vraag
van de verpleegkundige naar duidelijke criteria. Hiermee bedoel ik criteria
in algemene zin. Ik denk dat het ten alle tijden onmogelijk is om voor
individuele aspecten van een patiënt, dus wanneer bij patiënt
x wel en bij patiënt y niet, regels kunnen worden opgesteld. Het kunnen
bepalen van de noodzaak om tot fixeren over te gaan behoort tot de professionele
verantwoordelijkheid van verpleegkundigen. De argumentatie van deze noodzaak
dient per individuele patiënt nader te worden omschreven. Wel is het
van belang hoe verder te handelen. Hierbij geef ik antwoord op mijn probleemstelling;
Hoe dienen verpleegkundigen op afdeling
Vincentius III te handelen indien het toepassen van dwangmiddelen noodzakelijk
is.
Welke criteria dienen te worden gevolgd.
Ik denk hierbij in het bijzonder aan verslaglegging, controle, bejegening
en besluitvorming. Deze zaken moeten naar mijn oordeel altijd gelijk zijn
voor alle patiënten.
Aan de andere kant is er de grote onduidelijkheid
welke het ontbreken van wettelijke regelingen veroorzaakt. Ik heb het reeds
eerder gesteld; het dilemma van wel of niet van toepassing zijn van de
wet BOPZ in verband met het begrip vrijwillig/ onvrijwillig en de wel aanwezige
relatie van het fixeren, zoals genoemd in deze wet. Tevens ontbreekt het
aan rechtelijke uitspraken, de zogenaamde jurisprudentie, welke duidelijkheid
kan geven over deze specifieke problematiek.
Gezien de grote impact van de handeling,
fixeren komt er immers op neer dat iemand letterlijk van zijn of haar vrijheid
wordt beroofd, kom ik tot de conclusie dat deze handeling dient te vallen
onder de wet BOPZ. De dan onvermijdelijke consequentie inzake de juridische
status van de patiënt, vrijwillig wordt dan onvrijwillig, zal ik verder
buiten beschouwing laten. Deze materie is te complex en het is niet aan
verpleegkundigen om dit te bepalen. Wel meen ik dat door middel van het
registreren van het fixeren via het meldingsformulier M&M, welke naar
de inspectie van de GGZ[20] wordt gestuurd, een controle op deze aspecten
mogelijk wordt. Enerzijds of er naar de wet goed is gehandeld en anderzijds
of dit consequenties heeft voor de juridische status. Ook komt er dan eindelijk
meer zicht op het vóórkomen van deze handeling. Alleen dan
kan men mogelijk de noodzaak inzien van het wettelijk regelen van dit grijze
gebied. Het wordt dan voor verpleegkundige in ieder geval duidelijker en
geeft een betere juridische dekking voor deze beroepsgroep.
Aanbevelingen
Zoals duidelijk zal zijn uit de conclusie
denk ik dat het zinvol is om duidelijke criteria op te stellen voor de
toepassing van fixatiemateriaal bij bejaarde patiënten. Hierbij komen
aan bod de volgende zaken;
· Algemene waarden met betrekking
tot dit onderwerp
·Technische voorwaarden
·Procescriteria, de technische
toepassing
·De controlefrequentie
·De verslaglegging
·De bejegening van patiënten
en familie
·De besluitvorming
In hoofdstuk 6 zijn deze zaken nader uitgewerkt.
Door het volgen van deze criteria kan een eenduidige benadering met betrekking
tot het fixeren worden bereikt. Ik heb dit criteria voor de toepassingen
van fixatiemateriaal genoemd. Dit zijn aanbevelingen waar men aan dient
te voldoen.
Mijn doelstelling was;
Aanbevelingen opstellen inzake het toepassen
van dwangmiddelen op afdeling Vincentius III, een geronto–psychiatrische
afdeling.
Door het opstellen van deze aanbevelingen
denk ik dat deze doelstelling is behaald.
Hoofdstuk 6
Criteria voor de toepassing van fixatiemateriaal[21]
Waarden met betrekking tot dit onderwerp
·Vrijheidsbeperkende maatregelen
i.c. het toepassen van fixatie dienen alleen in uiterste noodzaak te worden
genomen, ter bescherming van de patiënt.
·De toepassing van fixatie dient
zo veilig mogelijk te gebeuren.
·De patiënt (en indien mogelijk
zijn familie) dient op een voor hem of haar zo begrijpelijke wijze te worden
geïnformeerd over de overwegingen die leiden tot het toepassen van
fixatie.
·De verpleegkundige dient het toepassen
van fixatie te verantwoorden middels VKD en registratieformulier M&M.
·De verpleegkundige dient de patiënt
te ondersteunen i.v.m. de psychische belasting die vaak ontstaat t.g.v.
de toepassing van fixatie.
Technische voorwaarden
·Er dient ten alle tijde voldoende
fixatiemateriaal zoals Zweedse banden en tafelbladen op de afdeling aanwezig
te zijn. Alleen speciaal hiervoor bestemd materiaal mag worden gebruikt.
·Het fixatiemateriaal dient schoon
en heel te zijn.
·De verplegende[22] dient te beschikken
over een sleutel voor het slot van de fixatieband.
·Er dient een verpleegkundige dossier
(VKD) van de patiënt aanwezig te zijn.
·Registratieformulieren Middelen
& Maatregelen (M&M) dienen op de afdeling aanwezig te zijn.
·In alle diensten moet minimaal
één verplegende van het eerste deskundigheidsniveau aanwezig
zijn.
Procescriteria, de technische toepassing
·Een stoel die gebruikt wordt in
combinatie met fixatiemateriaal dient van een zodanige constructie en gewicht
te zijn dat de patiënt, zittend in die stoel, de stoel niet omver
kan gooien.
·De zijstukken dienen aan de zijkant
van de stoel bevestigd te worden op het punt waar rugleuning en zitting
bij elkaar komen.
·De zijstukken dienen zowel bij
toepassing in een bed als bij toepassing in een stoel op een zodanige lengte
te worden afgesteld, dat de uiteinden van de zijstukken reiken tot de taille
van de patiënt.
·De fixatieband dient om de taille
van de patiënt te worden aangebracht en verbonden met de zijstukken,
zodanig dat nog juist een vlakke hand past tussen de band en het lichaam
van de patiënt.
·Bij toepassing van een tafelblad
op een stoel, dient dit op zodanige wijze te zijn aangebracht, dat dit
door de patiënt niet valt te verwijderen. Indien dit onmogelijk is
moet een fixatieband gebruik worden.
De controlefrequentie
·Indien de patiënt beschikt
over een signaalmogelijkheid en hij of zij hiervan adequaat gebruik kan
maken, dan dient de verplegende tenminste ieder uur de toestand van de
patiënt en de bevestiging van het fixatiemateriaal te controleren.
·Gedurende de nachtrust van de
patiënt kan de voorgeschreven controle beperkt blijven tot de vaststelling
of de patiënt rustig slaapt.
·Indien de patiënt niet op
zinvolle wijze gebruik kan maken van een signaalmogelijkheid, dan wel indien
de patiënt onrustig is, is het in het algemeen noodzakelijk vaker
te controleren dan de voorgeschreven één keer per uur. Permanent
toezicht kan noodzakelijk zijn. De verplegende dient in die situatie in
overleg met een collega vast te stellen welke controlefrequentie noodzakelijk
is, en overeenkomstig te handelen.
·De begeleiding en bijbehorende
controle van patiënten bij wie fixatie wordt toegepast wordt tijdens
de overdracht aan één verplegende in persoon toegewezen.
·Indien deze verplegende tijdens
zijn of haar dienst gedurende enige tijd deze verantwoordelijkheid niet
persoonlijk kan dragen, draagt hij of zij dit over aan een collega.
·Na afloop van zijn of haar dienst
draagt de betreffende verplegende de verantwoordelijkheid voor de betreffende
patiënt(en) persoonlijk over aan een collega.
De verslaglegging
·Indien bij een patiënt fixatie
wordt toegepast, dan wordt een registratieformulier M&M ingevuld.
·Indien bij een patiënt fixatie
wordt toegepast, dan dient dit in het VKD vermeld te zijn.
·In het VKD dient minimaal het
volgende omschreven te zijn:
-De omstandigheden waarbij fixatie wordt
toegepast. Dit kan zijn de omschrijving van bepaald gedrag, een bepaalde
lichamelijke en / of psychische gesteldheid, een bepaalde bezigheid (eten,
rusten) of een bepaald tijdstip van de dag.
-De situatie waarin fixatie wordt toegepast
; bed of stoel en welke ruimte.
-Alle voorschriften die afwijken van de
criteria met de reden waarom van de criteria wordt afgeweken. In ernstige,
complexe situaties kunnen sommige criteria aangescherpt worden, terwijl
in minder complexe ‘status quo’ situaties sommige criteria versoepeld kunnen
worden.
-De risico’s en dreigende complicaties
die voor de betreffende patiënt gelden, samenhangend met de fixatie
en de daarbij behorende verpleegkundige acties c.q. interventies.
-De acties die beogen de noodzaak tot
het toepassen van fixatie te verminderen of te beëindigen
·Indien bij een patiënt fixatie
wordt toegepast dan dient dagelijks gerapporteerd te worden over:
-De toestand van de patiënt.
-Zijn of haar reactie op het toepassen
van fixatie
-De verpleegkundige acties en de waargenomen
effecten ervan.
De bejegening van patiënten en hun
familie
·In het algemeen is het niet mogelijk
om met algemene middelen vast te stellen of de bejegening van patiënten
bij het toepassen van fixatie aan de eisen voldoet. De details en accenten
kunnen bij de verschillende patiënten zo verschillen dat het formuleren
van eenduidige criteria veelal niet mogelijk is. In het algemeen kan gesteld
worden dat nooit de suggestie mag worden gewekt dat het toepassen van fixatie
een strafmaatregel is. De verplegende dient in het algemeen vriendelijk
en steunend te zijn. Gevraagd en uit zichzelf uitleg te geven (veelal bij
herhaling), aandacht te besteden aan de emoties van de patiënt, en
waar mogelijk in overleg te treden met de patiënt.
·Indien de noodzaak tot fixatie
wordt vastgesteld dient de verplegende aan de patiënt uit te leggen
waarom fixatie noodzakelijk is. Deze uitleg dient daarop aansluitend tenminste
gedurende vier dagen bij elke toepassing van fixatie (eventueel in beknopte
vorm) herhaald te worden.
·Indien de noodzaak van fixatie
wordt vastgesteld dient de verplegende in overleg met een collega vast
te stellen of de familie ingelicht dient te worden, en zo ja op welke wijze
en wanneer, en dienovereenkomstig te handelen.
De besluitvorming
·Indien een verplegende, anders
dan van het eerste deskundigheidsniveau, de noodzaak tot fixeren
bij een patiënt vaststelt dient hij of zij eerst te overleggen met
een collega van dat eerste niveau. Indien deze de noodzaak onderschrijft
zal overleg plaats moeten vinden met de arts.
·De verplegende dient fixatie uitsluitend
toe te passen op voorschrift van de arts. Dit dient schriftelijk te worden
vastgelegd middels vermelding in VKD en invullen M&M formulier.
·Indien, zonder dat dit was voorzien
en voorgeschreven, toepassing van fixatie nodig wordt geacht door een verpleegkundige
en indien in redelijkheid geen mogelijkheid bestaat om in overleg te treden
met de arts, dan dient het besluit tot fixatie genomen te worden door minimaal
twee verpleegkundigen (voor alle duidelijkheid; van het eerste deskundigheidsniveau)
Dit dient in het VKD en middels het M&M formulier schriftelijk te worden
vastgelegd.
·Indien fixatie werd toegepast zonder
voorschrift van de arts, dan dient dit besluit door de arts beoordeeld
en gesanctioneerd te worden binnen twee dagen na toepassing van de fixatie.
·Het voorschrift tot fixatie dient
wekelijks geëvalueerd en zonodig verlengd te worden in het overleg
tussen arts en unitcoördinator. Tijdens elke patiënten bespreking
dient in multidisciplinair verband een evaluatie plaats te vinden van de
noodzaak tot het toepassen van fixatiemiddelen bij de betreffende patiënt.
De mentor van de betreffende patiënt is verantwoordelijk voor de inbreng
en de verwerking in het VKD over de voortgang van de situatie.
·Tijdens de evaluatie van het fixatievoorschrift
dient aandacht geschonken te worden aan het volgende:
-Noodzaak
-Risico’s
-Alternatieven
-Acties die beogen de noodzaak tot fixatie
terug te dringen
Bijlage 1
interview met Mw. L. Hasselman, clusterhoofd
Vincentius / KL. Zwitserland
1.Fixeren bij ouderen, wat is hierover
Uw mening?
2.Is er vanuit Uw optiek een verschil tussen
ouderen en jongeren met betrekking tot het fixeren?
3.Indien fixatie noodzakelijk blijkt te
zijn, welke voorwaarden stelt U dan.
4.Zijn er op Vincentius momenteel schriftelijke
procedures inzake het fixeren, en zo ja welke?
5.Hoe denkt U over de verantwoordelijkheid,
specifiek en in het algemeen?
6.Hoe omschrijft U de rol van het clusterhoofd
met betrekking tot het fixeren.
7.Op Vincentius is sprake van het aanwezig
zijn van verschillende deskundigheidsniveau’s. Heeft dit naar Uw mening
consequenties, en zo ja welke?
Bijlage 2
Basisfilosofie Vincentius III
Bevordering van levensdeelname, niet als
absoluut gegeven, doch aangepast aan de draagkracht van de patiënt,
middels zorg die gericht is op behoud van individuele levensstijl in een
woonvorm, gemeenschap, dagindeling, die een neergaande spiraal van hospitalisatie
zoveel mogelijk tracht te voorkomen.
Doelstelling Vincentius III
Vincentius III is een chronische,
gesloten afdeling voor ouderen met ernstige gedragsstoornissen waarbij
in mindere of meerdere mate een somatische zorgbehoefte bestaat. Algemeen
kan men stellen dat het gericht is op het verblijf binnen een supportief
model waarbij het ik behoud op de voorgrond staat. Dit milieu dient te
zorgen voor een hoge mate van veiligheid voor de patiënt, binnen het
kader van deze chronische verblijfsafdeling.
De volgende aspecten zijn van belang:
·De oudere mens en niet zijn of
haar ziektebeeld staat centraal. Een individu is meer dan de som der ziektebeelden.
·Respect voor het individu heeft
prioriteit. Diens waarden en normen staan centraal waarbij natuurlijk vanuit
onze professionele verantwoordelijkheid grenzen worden gesteld.
·De benadering/begeleiding is afgestemd
op het individu, afhankelijk van zijn of haar mogelijkheden en passende
binnen de doelstelling.
·Het afwegen van de belangen van
en voor deze patiënt is een proces waarbij deze, soms ethische problematiek,
dient te worden overlegd met de patiënt en familie en/of verwanten.
·Binnen een multidisciplinair verband
dienen alle voor de patiënt van belang zijnde zaken besproken te worden
waarbij in het geval van besluitvorming de mening van eerder genoemden
zeer zwaar weegt.
·Het supportieve dient aan te sluiten
bij de achtergronden van de patiënt op levensbeschouwelijk, religieus
en sociaal cultureel gebied. |